Wie de geschiedenis van Leeuwarden als orgelstad een beetje kent, die weet dat de Friese hoofdstad in de negentiende
eeuw vier orgelmakerijen huisvestte. Het langst waren de vier generaties van de orgelbouwers Van Dam in Leeuwarden
gevestigd, namelijk van 1779 – 1927. Van de negentiende-eeuwse Leeuwarder orgelmakerijen wist alleen de firma Bakker
& Timmenga (B & T) de twintigste eeuw te overleven. Dit jaar bestaat deze orgelmakerij 125 jaar. In dit artikel
besteden we aandacht aan het oeuvre van de jubilaris. De nadruk ligt daarbij op het aantal orgels dat B & T gebouwd
en verbouwd hebben, op de grootte van de desbetreffende orgels en op de denominatie van de kerken waaraan die orgels
geleverd werden. Voor een overzicht van de frontschema’s en de specifieke kenmerken van de Bakker & Timmenga-orgels
zij verwezen naar het boek 'Vijf eeuwen Friese orgelbouw; een schoone voorraad waarlyk' van Jan Jongepier.
In december van dit jaar is het precies 125 jaar geleden, dat Fokke Bakker (1842 – 1904) en Arjen Timmenga (1854 – 1920)
een nieuwe orgelmakerij in Leeuwarden stichtten. Het was op dat moment, 18 december 1880, de vierde orgelmakerij in deze
stad. Immers de bedrijven van L. van Dam en Zonen, Adema en Hardorff waren nog volop werkzaam. In 1843 was met de dood van
Willem van Gruisen een einde gekomen aan een rooms-katholieke orgelmakerij in Leeuwarden. Met de oprichting van de
orgelmakerij Gebroeders Adema in 1855 bezat Leeuwarden opnieuw rooms-katholieke orgelbouwers. Fokke Bakker had het vak
geleerd bij de orgelmaker Willem Hardorff en begon rond 1877 voor zichzelf. Hij was doopsgezind en één van de organisten
van de Leeuwarder vermaning. Hij deed ook het onderhoud van zijn 'eigen' orgel. Blijkbaar tot tevredenheid van de
kerkbestuurders, want hij ontving van hen een loffelijk getuigschrift plus een
aanbeveling.
Waarschijnlijk is Fokke Bakker met Arjen Timmenga in contact gekomen tijdens de bouw van het orgel in de Martinikerk van
Easterein (Oosterend). Hier plaatste Hardorff in 1870 een nieuw groot instrument. Timmenga, zoon van een timmerman-molenmaker,
had een lichamelijke handicap en was dientengevolge minder geschikt om zijn vader in diens bedrijf op te volgen. Het moet in
1964 geweest zijn, dat ik voor het eerst de orgelmakerij van Bakker & Timmenga bezocht. Daar werkte toen nog de heer Sjoerd
van Dijk. Ook Bernard Timmenga kwam er regelmatig een kijkje nemen. Van hen komt het verhaal dat Arjen Timmenga mank was en
niet in de molenwieken kon klimmen. Dit werd mij bevestigd door de 'dorpshistoricus' van Easterein, de heer Pieter Reitsma,
die vertelde dit verhaal ook te kennen. Timmenga trad bij Hardorff in dienst en was een drietal jaren bij hem werkzaam. Hierna
heeft Arjen Timmenga nog gewerkt bij Adema (1875/’76), bij Pieter Flaes in Amsterdam en vanaf 1877 bij de orgelmaker J.F. Witte
te Utrecht. Fokke Bakker kreeg diverse opdrachten. Zo plaatste hij onder meer het oude Hardorff-orgel (1860) van de kerk van
Baaium (Baijum) over naar de gereformeerde kerk te Hallum. Dit Hardorff-orgel bevindt zich thans in Achterberg (Utrecht). Zijn
voormalige werkgever, Willem Hardorff, bouwde in de nieuwe kerk van Baaium een groter instrument. Enkele jaren later kwam het
contact tot stand met de kerkvoogden van Marrum/Westernijtsjerk (Westernijkerk), dat vlakbij Hallum ligt. Bakker vervaardigt in
1879 een nieuwe blaasbalg voor het Hillebrand-orgel in de kerk van eerstgenoemd dorp. Het nieuwe orgel van de kerk te Westernijtsjerk,
dat in 1880 in gebruik werd genomen, wordt beschouwd als opus 1 van de orgelmakers Bakker & Timmenga, die aanvankelijk
gevestigd waren in de Bollemansteeg te Leeuwarden. Later betrokken zij aan de Bagijnestraat 45 een zeventiende-eeuws pand, waar
in de jaren 1880/81 het Diaconessenhuis (hospitaal) gestart was. Dit pand is in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw helaas
afgebroken. In 1913 verhuisde de zaak naar de Kleine Kerkstraat nummer 25, alwaar de orgelmakerij anno 2005 nog steeds gevestigd
is. Opmerkelijk is dat de meeste werkzaamheden in 1881 en ’82 in doopsgezinde kerken plaatsvinden. In IJlst, Jirnsum (Irnsum),
Ậldeboarn (Oldeboorn) en Gorredijk worden nieuwe éénklaviers instrumenten vervaardigd. Hun tweede tweeklaviersorgel bouwden
de firmanten in 1883 voor de hervormde gemeente te Âldtsjerk (Oudkerk). Pas in 1887 (Assendelft en Tytsjerk, hervormde kerken) en
1890 (Heeg, gereformeerde kerk) werden er weer tweeklaviers orgels gemaakt. Tot 1901, het jaar dat Fokke Bakker na 21 jaar de firma
verlaat, zijn er zo'n 60 nieuwe en 8 gebruikte instrumenten geleverd. Van de nieuwe orgels hadden er achttien twee klavieren.
Het grootste hiervan (27 stemmen) werd in 1892 geleverd aan de gereformeerde Nieuwe Westerkerk in de Ammanstraat te Rotterdam.
Het ging in de meidagen van 1940 jammerlijk verloren. Van de nieuwe orgels kwamen er 34 in hervormde kerkgebouwen terecht, 14
in doopsgezinde en 12 in een kerkgebouw van de gereformeerde denominatie.
De vennoten Bakker en Timmenga
Fokke Bakker werd 12 juli 1842 geboren te Leeuwarden. Zijn ouders waren Pieter Bakker en Elisabeth Riethorst. Hij huwt op 11
juli 1868 met Catharina Elisabeth Ferwerda en sterft op 31 juli 1904 te Leeuwarden. Voor zover bekend bleef het echtpaar
kinderloos. Van het Raadhuisstraatje nummer 10 (thans Auckemastraatje) verhuisde het echtpaar Bakker in 1882 naar het adres
Bagijnestraat 45b. Nadat Fokke Bakker zich uit de zaak had teruggetrokken, verhuisde het naar de deftige Spanjaardslaan (nummer 19).
Na de dood van Fokke Bakker bleef zijn weduwe daar wonen.
Arjen Timminga werd op 4 februari 1854 in Easterein (Oosterend) geboren uit het huwelijk van Jelle Arjens Timminga en Geertje
Jacobus Engelsma. Hij huwt op 30 juli 1885 met de 22-jarige Antje Posthumus en overlijdt op 16 november 1920 te Leeuwarden. Hun
zoon Bernard Timminga trouwt op 24 juli 1917 in de gemeente Leeuwarderadeel met Pietje de Jong die toen 24 jaar was. Opvallend
is dat zowel in de gemeente Hennaarderadeel als in de gemeente Leeuwarderadeel de familienaam als Timminga wordt geschreven.
Arjen Timmenga woonde te Leeuwarden achtereenvolgens Bagijnestraat 45 (in 1882), Schoolstraat 3 (in 1887), Harlingersingel 3
(in 1892), Turfmarkt 12 beneden (in 1893), Bagijnestraat 42 (in 1900), Bagijnestraat 45 (in 1902), Kleine Kerkstraat 25 (in
1913) en sinds 1917 Harlingerstraat 12, waar hij woonde met zijn schoonzuster Bokje Gietema. Bernard Timmenga woonde vanaf
zijn huwelijk aan de Kleine Kerkstraat 25. Op 12 juli 1941 verhuisde hij naar het adres Noordersingel 50. De familie Timmenga
behoorde tot de Nederlandse hervormde kerk.
In de periode 1901 – 1919 als Arjen de zaak alleen leidt, worden er behalve een vijftal gebruikte zo'n 50 nieuwe éénklaviers
instrumenten geleverd en zeven tweeklaviers. Delfshaven (gereformeerde kerk, 1904) en Rotterdam Kralingen (gereformeerde kerk,
1909) waren hiervan de grootste met elk 21 stemmen op 2 klavieren en een vrij pedaal. In Friesland werden in de gereformeerde
kerk van Oppenhuizen (1909), in de hervormde kerk van Jutrijp (1911; nu in de gereformeerde kerk van Sexbierum) en in de hervormde
kerk van Spannum (1911) orgels gebouwd van 18 registers verdeeld over twee klavieren en een vrij pedaal. De orgels van Zwartewaal
(hervormde kerk, 1901) en Hattem (gereformeerde kerk, 1909) telden 14 registers. De meeste nieuwe instrumenten vonden hun
bestemming in gereformeerde kerkgebouwen. Niet verwonderlijk, want na de Doleantie in 1886 en de oprichting in 1892 van de
Gereformeerde Kerken in Nederland werden overal door de 'kleine luyden' nieuwe kerkgebouwen gesticht. Ook het feit dat de
firma Bakker & Timmenga een soepele (af)betalingsregeling hanteerde, zal daaraan niet vreemd geweest zijn.
Vanaf 1919 leidt zoon Bernard de orgelmakerij. Onder diens leiding zijn er tot de overname van de firma in 1960 circa 30 nieuwe
en 15 gebruikte orgels geleverd aan diverse kerkgenootschappen. Overzien we de gehele werklijst van de firma vanaf het jaar van
oprichting (1880) tot de overname in 1960 dan blijkt dat ongeveer 250 kerkbesturen klant zijn geweest van de firma Bakker
& Timmenga. Hiervan waren 167 Nederlands hervormd, 52 gereformeerd en 32 doopsgezind. De aanwezigheid van de orgelmakers
Adema zal de oorzaak zijn geweest dat de rooms-katholieke kerkbesturen in het klantenbestand ontbreken. Vanwege het feit dat
Bernard Timmenga geen opvolger had, werd de orgelmakerij per 1 mei 1960 overgedaan aan Wopke Yedema (1928 – 1998) en Harm Pieter
Dam (1935 – 1998). Eerstgenoemde had het vak geleerd bij Verschueren te Heythuysen en Mense Ruiter te Groningen. Bij laatstgenoemde
werkte ook H.P. Dam. De jonge firmanten namen met de zaak ook de enige werknemer, de heer Sjoerd van Dijk over. Deze vertelde me
zo’n veertig jaar geleden, dat tijdens de demontage in 1917 de loden pijpen van het Bader-orgel in Dronrijp vanaf de orgelgalerij
naar beneden werden gegooid. Ze zouden immers toch worden vervangen.
Onder leiding van Wopke Yedema en Harm Pieter Dam zijn er nieuwe instrumenten vervaardigd voor onder andere de hervormde kerk
van Opende in Groningen (1966), de Leeuwarder Opstandingskerk (1966), de Sneker Ichtuskerk (1968), de Haagse Marcuskerk (1968),
de hervormde kweekschool Mariënburg in Leeuwarden (1968), de gereformeerde kerk van Leek (1969), de Leeuwarder Kurioskerk (1973),
de hervormde kerk in Harich (1982) en de hervormde kerk in Surhuisterveen (1982). De firma is vooral bekend door het vele
restauratiewerk dat zij met name in Noord Nederland heeft verricht. De restauraties van de Van Dam-orgels te Witmarsum (in 1964),
Langweer (in 1966) en te Aldeboarn (Oldeboorn in 1968) brachten de jonge orgelmakers bekendheid. Als hoogtepunten kunnen worden
beschouwd de restauraties van de instrumenten van de Bovenkerk te Kampen (1975), de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden (1978)
en de Martinikerken te Sneek (1988) en Franeker (1996). In 1985 werd het compagnonschap ontbonden en ging de orgelmakerij verder
onder de leiding van Wopke Yedema. Vanaf 1993 is de leiding in handen van zijn zoon A.A. (Bert) Yedema. Het bedrijf heeft al
geruime tijd een personeelsbezetting van zo’n vijf personen en werkt thans aan de restauratie van het orgel te Roden (A.A. Hinsz,
1780).