ok2025menu






Het Adema-orgel in Dearsum, een bijzonder instrument Friese Orgelkrant 2025
 

Nog afgezien van de verscheidenheid van instrumenten binnen het oeuvre van een en dezelfde orgelmaker (waarbij er een grote bandbreedte kan zijn tussen 'uniek' en seriebouw), bouwt deze doorgaans ook niet precies dezelfde orgels als zijn collega's/concurrenten. Dat maakt een orgellandschap ook zo boeiend. Soms zien we bij tijdgenoten grote onderlinge verschillen, soms kleine. In de tijd (1875) dat het orgel van Dearsum werd gebouwd waren er drie orgelmakerijen in Leeuwarden: die van de aloude firma Van Dam, die van Hardorff en die van Gebroeders Adema. Tussen deze drie bedrijven bestonden ook vroegere relaties: zo hadden Willem Hardorff en Carel Adema ooit bij Van Dam gewerkt, terwijl Petrus Adema onder andere het vak had geleerd bij Willem Hardorff. Ook later was er somtijds nog sprake van samenwerking tussen de Adema's en Hardorff (en vervolgens trouwens ook met diens opvolger Kruse). Je zou dus overeenkomsten tussen het werk van deze orgelmakers kunnen verwachten, maar er waren ook verschillen. Na circa 1870 was het werk van Gebroeders Adema het sterkst afwijkend van de beide andere bedrijven. Het orgel in Dearsum (Deersum) is daarvan een mooi voorbeeld.

Een orgelmakerij in ontwikkeling
Carolus (Carel) en Petrus (Piet) Adema hadden hun bedrijf onder de naam Gebroeders Adema gesticht in 1855 (*1), kort nadat de r.-k. geloofsgemeenschappen in ons land volledige vrijheid hadden herkregen en zich vrijelijk konden gaan ontplooien, zowel intern als extern. Naar buiten toe werd dat vooral zichtbaar in de bouw van nieuwe grotere kerken in plaats van de kleine staties van voorheen, alsmede in de bouw van gestichten en scholen, met name dankzij de toename van het aantal kloosterordes. Ook kerkmuzikaal ging er het nodige veranderen binnen de katholieke kring. Dit leverde een interessant werkterrein als orgelmakerij op voor de r.-k. broers Adema. Na eerste werkzaamheden, zoals in de St.-Bonifatiuskerk te Leeuwarden (*2), werkten ze in kerken van allerlei gezindten. Pas later zou hun werkgebied, mede door de verzuiling, steeds sterk op het katholieke erfdeel betrokken worden. Opvallend is het feit dat ze tot ongeveer 1880 ook een groot aantal huispijporgels bouwden. Deze 'meubelorgels' kwamen terecht in kleine kerken, scholen, kloosters en ook bij particulieren (rijkere boeren, organisten schoolmeesters e.d). Voorbeelden daarvan zijn tegenwoordig in Fryslân slechts te vinden in de kerken van Burgwerd (als koororgel) en Jouswier (kabinetorgel); deze beide instrumenten waren oorspronkelijk als huisorgels voor particulieren gebouwd. Hun kerkorgels presenteerden zich in de periode tot 1869 - te beschouwen als hun 'klassieke periode' - aanvankelijk als een soort synthese tussen invloeden van hun 'opleidingsbedrijven' Van Dam, Witte, Hardorff en Loret, met ook eigen nieuwe elementen. Hun grootste orgel bouwden ze in 1866 in de Sint-Dominicuskerk in Leeuwarden. Vanaf 1869 zou er echter een andere artistieke wind gaan waaien binnen hun bedrijf. Dat was vooral te danken aan hun kennismaking met een groot pleitbezorger voor het werk van de beroemde Franse orgelmaker Aristide Cavaillé-Coll, te weten diens landgenoot Charles-Marie Philbert (1826-1894) die met een korte onderbreking in Denemarken vrijwel zijn hele werkzame leven (van 1849 tot en met 1887) in Franse consulaire dienst doorbracht in ons land, maar ondertussen in zijn vrije tijd ook op orgelgebied zeer actief was. (*3)

Op de Franse toer
In de twee jaren vóór zijn komst naar ons land, had Philbert zich in Parijs in de werkplaats van Cavaillé-Coll diens manier van orgels bouwen eigen gemaakt, niet alleen theoretisch, maar ook praktisch. Die verworvenheden paste Philbert voor het eerst toe bij de door hemzelf uitgevoerde (maar onvoltooide) bouw van een nieuw orgel in de parochiekerk H.H. Petrus & Paulus te Den Helder (1856-1859) waar hij op dat moment vice-consul was. Meer succes had hij bij de bouw van een nieuw groot orgel in de Mozes en Aäron-kerk te Amsterdam dat van 1869-1871 onder zijn strikte leiding werd gebouwd door Gebrs. Adema. Zij hadden in 1868 in de hoofdstad een filiaal gesticht in de verwachting zo hun werkterrein te kunnen vergroten en het 'Mozes'-orgel was daarvan het eerste resultaat. Sinds de bouw van dit orgel noemden ze hun bedrijf dan ook heel modern 'Orgel Fabriek' (hoewel hun werkwijze ondertussen nog steeds ambachtelijk van karakter was). In het 'Mozes'-orgel gebruikte nieuwe elementen zoals aparte windlades voor grond- en combinatiestemmen, gedifferentieerde winddrukken per windlade, pneumatische hefbomen (Barkermachines), mensurering en klankvorming naar Frans voorbeeld, gebruik van Franse tongwerken en overblazende fluiten, een boî te expressieve (crescendokast) e.d. werden door de Adema's sindsdien in meerdere of mindere mate toegepast in hun werk, ook bij eenklaviers instrumenten, zelfs bij een heel klein orgel zoals dat in de r.-k. Kerk te Sloten (I/6, twee aparte windlades). Ook na het faillissement in 1877, waarna beide vestigingen zelfstandig verder werkten (P.J. Adema te Amsterdam, C.B. Adema & Zonen in Leeuwarden), werden deze elementen toegepast, het meest door 'Amsterdam' dat zich na een herstart veel beter kon ontplooien dan het bedrijf in Leeuwarden (*4), dat de klap feitelijk nooit meer helemaal te boven is gekomen.

Het orgel van Dearsum
Dit instrument stamt uit 1875, dus uit bovengenoemde 'Franse' periode van Gebroeders Adema. Dat is uiterlijk niet direct te zien. Het vijfdelige front van dit balustradeorgel met drie ronde torens en twee tussenvelden wijkt niet sterk af van andere orgelfronten uit die tijd. De in de boogvormige bovenkant van de tussenvelden aanwezige vegetatieve ver siering kwamen we in de 'klassieke periode' van de Adema's (1855-1869) onder andere ook al tegen bij hun eerste kerkorgel in Sint Nicolaasga (1857, r.-k. Sint-Nicolaas; tegenwoordig in Terneuzen), in een voorontwerp voor het orgel van de Leeuwarder Sint-Dominicuskerk, bij het orgel voor de parochie te Kuinre (1868, tegenwoordig in Burdaard) en een ontwerptekening voor het grote orgel in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. (*5) Bouwtechnisch verschilt het orgel in Dearsum van voorgaande 'klassieke' instrumenten zoals die in Kuinre, r.-k. (1867, II/10; sinds 1973 in Burdaard, Tsjerke op 'e Terp), Oldemarkt, r.-k. (1868, I/7; verloren gegaan) en Oudehaske, hervormde kerk (1869, I/8). Bij deze eenklaviers orgels staan alle registers per werk nog op dezelfde windlade met één ventielkast. Bij de tweeklaviersorgels, zoals in Heerenveen en Kuinre (beide 1867), staan de pijpen op één gecombineerde windlade met twee ventielkasten.

De opbouw van het orgel in Dearsum volgde de Franse lijn die werd ingezet in Amsterdam en zich bij eenklaviers orgels vertaalde in de opzet zoals als eerste te zien was in Valkkoog, hervormde kerk (1871), waarin de door Philbert geïntroduceerde elementen ook waren toegepast bij een orgel op kleinere schaal. In dat spoor volgde ook het oorspronkelijk als eenklaviers instrument opgezette orgel in de Doopsgezinde kerk in Grou (1872, echter in 1920 door Bakker & Timmenga verbouwd tot tweeklaviersorgel). Overigens stelde Carel Adema zelf aan zijn broer voor het binnenwerk conform deze werkwijze te maken als in Grou en vroeg hem om de bijhorende tekeningen. Hij zal hier bedoeld hebben de genoemde algemene opzet, want de dispositie, de verdeling over de beide windlades en de klavieromvang zijn in Dearsum anders dan in Grou. Los daarvan heeft het orgelfront in Grou gedeelde tussenvelden, zoals bij de orgels in bijvoorbeeld Zandberg, Heerenveen en Valkkoog. Daarom maakte Carel Adema voor het binnenwerk voor Dearsum ook nieuwe tekeningen.

Proloog en afspraken
Het orgel werd besteld en gebouwd in 1875, maar de eerste contacten dateerden al uit 1872 toen Gebrs. Adema voor fl. 28,- een bestek met tekening presenteerde voor een orgel in de kerk te Dearsum. Beide stukken kwamen uit de pen van P.J. Adema. (*6) Op dat moment ontbraken in Dearsum echter de nodige financiële middelen. In elk geval werd twee jaar later de draad weer opgepakt en nu met succes: een intekenactie op aandelen à fl. 100,- per stuk leverde in totaal 2700 gulden op. De intekenlijst met de participanten (vooral floreenplichtigen) bleef bewaard; de grootste portie aandelen werd aangeschaft door de beide dames De Kempenaer (fl. 400,-), gevolgd door mr. Looxma Ypey (fl. 300,-) en jhr. Van Eijsinga (fl. 200,-). De andere deelnemers betrokken elk één aandeel. Met dit resultaat was de aanschaf van een orgel geen probleem meer.

Er werd een contract gesloten met Gebrs. Adema voor de bouw van een eenklaviers orgel voor fl. 2250,-; daarvan zou de eerste termijn (fl.1000,-) worden betaald bij plaatsing van de orgelkas, het restant na voltooiing van het instrument. Het maken van een orgelbalkon werd door timmerman Marten Bleeksma begroot op fl. 525,-, maar voor f l. 441.68 uitgevoerd door Gerrit Lanting, mogelijk vervaardigde deze ook de orgelbank. Bleeksma kreeg fl. 5,77 'voor architectuur daarbij'. Vergaderkosten bedroegen fl. 10,50. Welke kleur de orgelkas kreeg is onbekend. In elk geval ontving Geerd Heerma fl. 105,80 voor verf- en schilderwerk 'aan en bij het orgel' [van orgelkas en balustrade].
Het instrument kreeg de volgende dispositie:

Bourdon 16, Prestant 8''', Holpijp 8, Viola 8'' ', Octaaf 4', Fluit Harmoniek 4', Viola 4', Quint 3', Octaaf 2', Trompet 8'.


In deze vrij klassiek ogende 19e eeuwse dispositie lijkt het enige 'moderne' element te zijn de aanwezigheid van een Fluit harmoniek 4' en een Viola 4'. Opvallender is echter de verdeling van de registers over de twee separate windladen (in ladevolgorde vanaf het front):


Voorste windlade: 1e Combinatie [grondstemmen]
Prestant 8' D - d1 'van Engelsch Tin in 't front', rest op de lade
Viola 8' C - H gecombineerd met Prestant 8'
Holpijp 8' C - H wagenschot, rest metaal gedekt
Octaaf 4' C - H in het front, rest op de lade
Viola 4' 'Eng. Tin'
[stemgang]  
Achterste windlade: 2e Combinatie [combinatieregisters]
Trompet 8'  
Octaaf 2'  
Quint 3'  
Fluit harmoniek 4' C - f metaal gedekt, vanaf fis2 dubbele lengte met gaatje
Bourdon 16' C - H wagenschot (bank tegen achterwand kas), discant metaal
Manuaalomvang: C - f3
Aangehangen pedaal: C - c1
Treden voor in- en uitschakelen van de windladen  


Hier is dus niet, zoals bij eenklaviers orgels met een piano/fortetrede, sprake van een afdeling met krachtige geluiden, resp. een afdeling met lieflijke zachtere stemmen, waarbij men met de 'zachte geluiden' als basis met de trede de krachtige geluiden kan in-/ uitschakelen.

Het bestek voor dit orgel bleef bewaard, maar is te uitgebreid om in dit artikel op te nemen. Wie daarin is geïnteresseerd, kan het stuk onder andere raadplegen op de website van de Protestantse Gemeente Ingwert, waar Dearsum deel van uitmaakt. (*7) Aardig is, dat een afschrift van het bestek in het archief van Bakker & Timmenga aanwezig is, kennelijk gekopieerd door Arjen Timmenga (van 1873-1876 in dienst bij Gebrs. Adema). Blijkbaar zag hij het als een goed voorbeeld voor het later zelf opstellen van bestekken als zelfstandig orgelmaker (vanaf 1880 samen met Fokke Bakker in de welbekende firma Bakker & Timmenga). De kerkvoogden in Dearsum gingen niet over een nacht ijs, want - zoals Carel Adema zijn broer meldde - “men had Velds te Sneek het bestek laten nazien, die had eenige punten genoteerd, niets beteekenende, maar ook eene organistbank bevoerd met jugtleder”. Op adviseur Velds en zijn brief komen we nog terug. Verder moest er een tekening voor een oksaal worden gemaakt, waartoe Carel Adema dacht zijn broer Epke mee te nemen en te raadplegen; die kosten zouden voor rekening van het kerkbestuur moeten komen. Voor het maken van een tekening van dat oksaal ontving Gebrs. Adema in 1876 een bedrag van fl. 10,-.

Jacob Velds (1838 - 1890):
organist, adviseur, musicus

Jacob Velds was ten tijde van 'Dearsum' muziekmeester en organist/klokkenist van de Grote Kerk in Sneek. Hij was een zoon van Steven Wijnand Velds, zijn voorganger als organist van diezelfde kerk en daarnaast geregeld actief als orgeladviseur. Tot en met 1862 was Jacob Velds organist van de Doopsgezinde kerk in zijn woonplaats, waarna hij op 13 maart 1863 zijn overleden vader opvolgde als organist (en klokkenist) van de Grote Kerk. Zijn tractement als organist zou f l. 400,- per jaar bedragen (het dubbele van dat bij zijn vorige werkgever), waarbij nog f l. 25,- kwam voor 'het gewone stemmen en het gewone onderhoud'. (*8) Hij bekleedde die post tot zijn overlijden en gaf jaarlijks ook een benefietconcert op het orgel. Daarnaast was hij blijkens berichten in de lokale en regionale pers ook in het openbare leven zeer actief als musicus. Hij was een goed pianist: zo soleerde hij in concerten van Kalkbrenner en Beethoven (diens Vijfde Pianoconcert); ook trad hij veelvuldig op als begeleider op de piano (met solisten uit binnen- en buitenland) en in kamermuziekuitvoeringen, doorgaans in Sneek, een enkele keer ook in Bolsward. Verder was hij actief als koordirigent van Excelsior (waarmee o.a. van Haydn Die Jahreszeiten en Die Schöpfung, van Schumann Der Rose Pilgerfahrt, en van Mendelssohn Elias e.d. werden uitgevoerd), Concordia, 'de gemengde Zangvereniging' (opgericht in 1874) en het Sneeker Mannenkoor. Concerten vonden doorgaans plaats in lokaliteiten in Sneek zoals de 'Concertzaal van R. Agema', de Stedelijke Concertzaal en de Buiten-Societeit 'De Harmonie'. Van Jacob Velds bleef een portretfoto bewaard. (*9)

Minder dan zijn vader was hij actief als orgeladviseur. Afgezien van zijn rol als toezichthouder op zijn eigen orgel kwamen we hem in elk geval tegen als adviseur bij de bouw van de volgende orgels:
  • 1862 Gauw, hervormde kerk, orgel Willem Hardorff (examinatie en inspeling). (*10)
  • 1866 IJsbrechtum, hervormde kerk, orgel Willem Hardorff. Velds werd hier ook genoemd als ontwerper van het instrument, terwijl hij het verder examineerde en inspeelde. (*11)
  • 1875 Dearsum, hervormde kerk, orgel Gebrs. Adema; hij verzorgde ook de inspeling (zie het inwijdingsbericht) en ontving na afloop van zijn werkzaamheden een bedrag van fl. 100,- voor 'toezicht en consert'
Velds als adviseur in Dearsum
Een kleine indruk hoe hij te werk ging, krijgen we uit de eerder genoemde brief, gericht aan kerkvoogd Tjalling Sikkes Bakker, waarin hij opmerkingen maakte over het door de firma Adema ingediende bestek:

------

Sneek 26 Febr: 1875

Den WelEd: Heer T.S. Bakker
Deerzum

Mijnheer!

Hiernevens zend ik UEd het bestek terug van de Heeren Adema benevens eenige opmerkingen, aanvullingen en vragen. Ik heb gemeend met deze opmerkingen te kunnen volstaan, zonder een geheele omwerking van 't bestek te veroorzaken.

Hoogachtend UWDW Dienaar
Jac: Velds
Opmerkingen voor Heeren Kerkvoogden der Hervormde Gemeente te Deerzum over het bestek van een aldaar nieuw te maken Orgel der Gebr: Adema Orgelmakers te Leeuwarden en Amsterdam

Plaatsing van het Orgel
Het Orgel zal geplaatst worden op eene aanwezige of te maken kraak, welke door de Aannemers tot dat einde doelmatig ingerigt zal worden. De onkosten hierdoor ontstaan zullen die voor Rekening van Aannemers of Kerkvoogdij zijn?

De Orgelkast
Hiervan moeten deuren en luiken, met panelen vergaard en van goede sluitingen voorzien, zoodanig geregeld verdeeld zijn, als tot onverhinderde toegang der binnendeelen noodzakelijk is.

De Windtoestel
De zuig en drijfventielen met koperen schroeven bevestigd, moeten gemakkelijk ontbonden kunnen worden.

De Windladen
De aanleg derzelve moet zoodanig zijn, dat 't pijpwerk er onbekrompen op geplaatst kan worden. De ventielveeren moeten een gepaste veerkracht bezitten, ten einde de ventielen zuiver te doen sluiten, en echter de speelaard niet noodeloos te bemoeijelijken. De pijpstokken zullen ieder afzonderlijk op de Windlade geschroefd worden.

Klavieren en Pedaal
De Klavieren zullen worden belijmd zoo wel van boven als van voren met gelijkkleurig en zuiver wit ivoor. De boventoetsen of halve toonen moeten van massief Ebbenhout zijn; De Pedaaltoetsen (onder) moeten 54 N.D. binnenraams en de boventoetsen 9 N.D. ongeveer lang zijn. Hierbij zal door de Aannemers een van goed Eikenhout en tamelijk net bewerkte zitbank leveren, welke met Russisch of ander goed leder moet worden overtrokken.

Regeerwerk en Mechaniek
Het Welbord en raam zal van best Eikenhout, de Wellen 6 kantig van best Riga's greenenhout gemaakt worden, en de regeling derzelve zoodanig zijn, dat allen zich zuiver vrij kunnen bewegen, verder de inrigting van het Mechaniek zoo doelmatig zijn, dat gene verandering van Temperatuur daarop eenige belemmerende invloed kan uitoefenen.

------


De bouw van het orgel
Aan de bouw van het orgel werd in 1875 op meerdere plekken werk verricht: de orgelkas zal, zoals toen gebruikelijk, zijn gemaakt in de werkplaats van broer Epke Adema te Franeker. Hoewel het snijwerk zoals bij meer Adema-kerkorgels in die tijd doorgaans werd vervaardigd door beeldhouwer/houtsnijder W.G. van Poorten te Deventer, stelde Carel Adema zijn broer in Amsterdam echter voor, teneinde zoveel mogelijk kosten te besparen, om in het geval van Dearsum dit te laten doen door houtsnijder Born in Leeuwarden, want “die is niet duur”. (*12) Vanuit Amsterdam leverde Piet Adema blijkens zijn agenda een aantal onderdelen voor het orgel: op 22 juni 1875 per beurtschipper Postma: “de reservoir [= magazijnbalg], 2 stuks Schepbalgen, 2 stuks Dekpaneelen, 2 stuks klepramen en 8 losse kleppen, 1 Balans en 4 stuks potten, 1 bak met schep & paneelschroeven”, kortom het grootste deel van de windvoorziening, behoudens metalen onderdelen en de aandrijfboom. Het huren van een kar voor het vervoer naar de boot kostte hem 10 cent. Op 29 juli volgde een 'pedaal-walsbord' en op 11 september nog 10 registerknoppen, gemaakt door de Amsterdamse 'draaijer' Budde, met bijhorende 'platen' [=registerplaatjes op de kop van de registerknoppen]. (*13) In de werkplaats in Leeuwarden zelf werd ondertussen de rest van het orgel gemaakt (windlades, alle pijpwerk, klaviatuur, mechanieken) en werden de van elders afkomstige onderdelen ingepast in het geheel. Vanuit die werkplaats werd het instrument ook in Dearsum opgesteld en afgewerkt. Het maken van een orgelbalkon en de orgelbank kwam, zoals gezegd, voor rekening van de kerk.

Begin november werd gemeld dat het orgel 'eerlang' gereed zou zijn. Daaropvolgend werd het traktement voor de organist door de kerkvoogden vastgesteld op fl. 60,- per jaar (*14), hoewel de heer S.J. Smidt (hoofd der openbare school in Dearsum) daarvoor in werkelijkheid maar fl. 20,- kreeg. Het salaris voor de bediener van de blaasbalg was fl. 15,-. Het orgel werd in gebruik genomen op 21 november 1875. Er was daartoe een off icieel programma opgesteld, gezien de uitgave van fl. 1,50 aan Van Druten en Bleeker voor gedrukte programma's. Curieus is de notitie dat ook fl. 8,- was betaald “voor Analyse der Metalen pijpen”. Wilden kerkvoogden en/of adviseur controleren of de orgelmakers het pijpwerk volgens de opgegeven metaalsamenstelling hadden vervaardigd? (*15) De ingebruikneming van het orgel vond een neerslag in het volgende krantenbericht: (*16)

“DEERSUM (class. Sneek), 10 December. Bestond sinds lang de wensch een orgel te bezitten, heden mogt de gemeente zich verblijden het kerkgebouw alhier met een nieuw orgel versierd te zien. Vervaardigd door de gebr. Adama, orgelmakers te Leeuwarden en Amsterdam, werd het in de morgengodsdienstoefening van den 21 November l.l. voor het eerst gebruikt en bespeeld door den bekwamen heer Velds, organist te Sneek, terwijl onze leeraar de heer H. Blankstein, tot grondslag zijner inwijdingsrede had gekozen Job 21 : 12b, en zij verblijdden zich in het geluid des orgel en weldadigen invloeds, en sprak naar aanleiding daarvan over de kerkmuzijk, hare bijzonderen oorsprong, hare verhevene bedoeling. Des namiddags gaf de heer Velds een orgelconcert, dat, voor allen toegankelijk gesteld, door eene vrij talrijke schare werd bijgewoond. Is zoo de wensch der gemeente vervuld, zeker zou dit niet zoo spoedig geschied zijn, ware het niet, dat daartoe met geldelijken steun was medegewerkt door vele leden der gemeente. Doch ook buiten de gemeente ontbrak het niet aan hulpvaardigheid, inzonderheid bij sommige floreenpligtigen dezer gemeente. Onder dezen behooren: jhr. mr. F.J.J. van Eijsinga, lid der eerste kamer enz. te Leeuwarden, jhr. O.R. van Andringa de Kempenaer te Amsterdam, mevrouw M.H. Poelman, douairière jhr. mr. O.R. van Andringa de Kempenaer te Heerenveen, jonkvrouwe H.J. van Andringa de Kempenaer te Assen, en mr. A. Looxma IJpeij te Rijperkerk. Hebben zij op onbekrompen wijze van hunne sympathie voor deze zaak doen blijken, openlijk wordt hun daarvoor de welgemeende dank toegebragt.”

Vanuit Leeuwarden was Carel Adema, hoewel in bovenstaand verslag niet genoemd, ongetwijfeld bij deze gebeurtenis aanwezig. De bemoeienis vanuit het filiaal in Amsterdam was zeer beperkt geweest en mede daarom kwam Piet Adema ook niet over naar Deersum voor de ingebruikneming.

Een dubbelganger in Poppenwier (Poppingawier)?
Tegelijk met het orgelproject in Dearsum opteerden de kerkvoogden ook voor het plaatsen van een orgel in het uit 1860 daterende kerkje in het nabijgelegen en kerkelijk bij Dearsum horende Poppenwier; het had Gebrs. Adema bijna een vervolgopdracht opgeleverd. Carel Adema schreef op 19 december 1874 aan zijn broer dat hij ook voor Poppenwier een tekening had gemaakt. Een jaar later werd de draad weer opgepakt: toen bleek dat er onvoldoende geld voor een pijporgel beschikbaar was (er zou fl. 1800,- nodig zijn), besloot men dan eerst maar op proef een groot seraphine-orgel (dat ca. f l. 400,- zou moeten kosten) van een zekere heer Camminga uit Leeuwarden te gaan gebruiken en als dat beviel het daarna direct te kopen. (*22) De ingebruikneming vond plaats op 17 april 1876. Helaas bleek al snel dat het instrument “onvoldoende kracht van toon” had, en derhalve niet de gehoopte oplossing was. Pogingen van ds. Blankstein om via financiële hulp van naburige kerkelijke gemeenten (in elk geval bij die in Grou; steun vanuit Dearsum verwachtte hij niet gezien de moeite die men daar had moeten doen om een orgel te krijgen) toch de nodige gelden te kunnen verzamelen om alsnog een pijp- orgel te kunnen aanschaffen bleven zonder succes. (*17) De floreenplichtigen werden opgeroepen samen te komen op 8 november 1876 te Poppenwier en de dag daarna in Dearsum, om onder andere “te overwegen en te bespreken de zaken betrekkelijk het Kerkorgel.” (*18) Aangezien de meningen en de mogelijke oplossingen zeer sterk uiteenliepen, besloot men er later maar eens op terug te komen. Daarna werd er echter niet meer over gerept, anderzijds staat er ook geen vermelding van een koopsom in de jaarrekeningen van dat jaar en de volgende jaren! Om optisch toch niet achter te blijven bij Dearsum was het instrument geplaatst achter een “zeer net orgelsgewijze aangebragt omkleedsel”, d.w.z. een schijnfront met imitatiepijpen dat een wat vereenvoudigde dubbelganger lijkt te zijn van dat van het 'echte' orgel in Dearsum. Ook een betaling voor dat front ontbreekt in de jaarrekeningen van Poppenwier. Wie het front vervaardigde en of dit als basis de tekening van C.B. Adema had, is niet bekend. Het instrument kwam in 1877 voor fl. 4.50 in onderhoud bij F. Bakker Pzn. te Leeuwarden, d.w.z. Fokke Bakker (1842-1904), de latere firmant van de firma Bakker & Timmenga, die dit er misschien even bij deed toen hij toch al in Dearsum aan het werk was. Later in de jaren '80 werd het harmonium onderhouden door organist Pieter H. Bergsma. De kerk in Poppenwier werd in 1978 buiten gebruik gesteld voor kerkdiensten en sindsdien benut voor andere doeleinden. Was het schijnfront in 1959 nog intact, gezien een foto uit 1981 waren dat laatste jaar al twee stukken snijwerk en een frontpijp verdwenen. De kerk werd gerestaureerd in 1984 door Bouw 75 te Workum, het orgelfront werd niet herplaatst en lag sindsdien in de opslag van dat bedrijf. Daar werd het, samen met delen van een ander orgel, in 2009 aangetroffen door Ad Fahner. De delen van de kas en snijwerk uit Poppingawier verhuisden een jaar later naar de opslag van Orgelmakerij Steendam te Rodeschool. Orgelmaker Sicco Steendam heeft recent enkele delen daarvan (delen van de kappen en de culs-de-lampe) gebruikt in een nieuw orgel. (*19)

Verdere lotgevallen van het orgel in Dearsum
Bij orgels kunnen ook kort na ingebruikneming kleine gebreken opduiken, zeker in wintertijd. Zo meldde Carel Adema op 13 januari 1876 aan zijn broer: “Timmenga is heden naar Deersum, op schaatsen, daar was herstelling nodig.” Normaal gesproken zou een nieuw orgel in elk geval tijdens de garantieperiode in onderhoud zijn bij de bouwer. Het faillissement van de Gebrs. Adema in 1877 veranderde dat: het bedrijf in Leeuwarden was geruime tijd vleugellam en het was de kersverse orgelmaker Fokke Bakker die in het zo ontstane vacuüm dook: allereerst met niet nader gedefinieerde “gedane werkzaamheden, benoodigd materiaal en arbeidsloon, benevens het leveren van drie stukken snijwerk” voor fl. 151,50 en in 1878 met het nakijken en stemmen van het orgel voor fl. 25,-. Hij hield het onderhoud en dat ging verder bij de firma Bakker & Timmenga, die het instrument sindsdien vele decennia in (meestal jaarlijks) onderhoud heeft gehad tot in onze tijd. Los van gewone stembeurten en kleine reparaties [bedragen schommelend tussen doorgaans fl. 10,- en rond de fl. 30,- na de laatste oorlog] waren er grotere uitgaven in 1916 (reparatie, schoonmaak, stembeurt voor fl. 150,-) en 1927 (stembeurt fl. 20,-, twee frontpijpen gerepareerd fl. 20,- en plaatsing frontpijpen fl. 20,-); in een klantenboek van de firma uit circa 1926 is de nog originele dispositie genoteerd. Tussen 1948 en1951 vond een zeer grondige restauratie plaats van het kerkgebouw. Ook het orgel is toen hersteld (*20) en mogelijk kreeg toen de kas de ook nu nog aanwezige kleur. Nadere bijzonderheden over het orgelherstel zelf ontbreken, maar wellicht is toen de elektrische windvoorziening aangebracht. Wie het werk aan het orgel heeft uitgevoerd is vooralsnog onbekend. Voor de hand ligt de firma Bakker & Timmenga, maar deze klus ontbreekt in hun werklijst. In dat geval zouden de firma Vaas & Bron uit Leeuwarden of de orgelmaker Jan v.d. Bliek in aanmerking kunnen komen. Na vele jaren van verval, onder ander zichtbaar aan inzakkende frontpijpen, in 1979 hersteld door Bakker & Timmenga en andere werkzaamheden door dezelfde firma in 1986, en uiteindelijk uitmondend in totale onbespeelbaarheid, volgde in 2016 een grondig generaal herstel door Bakker & Timmenga, zodat het orgel zich sindsdien eindelijk weer in volle glorie kan laten horen. Adviseur bij dit project was Theo Jellema.

Enkele bijzonderheden
Windvoorziening: De windvoorziening (magazijnbalg, gevoed door twee schepbalgen) werd oorspronkelijk bediend door een bascule, die werd bewogen door het heen en weer bewegen van een verticale boom of stang (zie de tekening); de opening voor de aandrijfas is tegenwoordig nog te zien aan de bovenkant van de achterwand. Later is deze 'beweging' vervangen door een verticaal te bewegen horizontale hefboom (nog aanwezig aan de rechterzijde van de orgelkas), nog weer later door een elektrische windvoorziening.
Pijpwerk: Door het gebruik van aparte windlades voor grond-, resp. combinatiestemmen staat de Trompet niet zoals gebruikelijk tegen de achterwand van de orgelkas, maar daar middenin naast de stemgang tussen beide lades zoals ook in o.a. Valkkoog, Egmond aan Zee (Oud-Katholieke Kerk). Volgens een uit 1875 bewaard gebleven frontlijst (voor te maken pijpwerk) staan in het front zowel pijpen van de Prestant 8' (D-d1: D-Gis in middentoren, A-d in zijtorens, dis-d1 in tussenvelden) als van de Octaaf 4' (C-Dis in de zijtorens, E-H in de tussenvelden) en twee stomme pijpen (ook in de tussenvelden). Daarbij hebben van de Octaaf 4' de pijpen C t/m H dezelfde mensuren als die van H-d1 van de Prestant 8', de beide stomme pijpen die van cis1 en d1 van de Prestant 8'. De houten pijpen van de Bourdon staan op een aparte bank tegen de achterwand van de orgelkas. Op de windladen heeft het pijpwerk een piramidale opstelling (Cis-kant vanuit de kerk gezien links).
Windlades: De beide ventielkasten bevinden zich midden in het orgel: Van de voorste windlade aan de achterkant, bij de achterste windlade aan de voorkant (met daarboven als eerste register de Trompet 8'). Doordat er twee aparte windlades zijn, bedient elke toets steeds twee ventielen. In- en uitschakeling van de windlades vindt plaats d.m.v. metalen treden (links, resp. rechts van de teenplank boven het pedaalklavier) waarmee afsluitkleppen in het windkanaal naar de betreffende windlade worden geopend/gesloten. Om daarbij snelle verandering in winddruk op te vangen is tevens een schokbreker (met spiraalveer) geplaatst tussen beide afsluitkleppen. Daarnaast zit op elk stuk van het windkanaal na de splitsing vóór de afsluitklep ook nog een ventiel.

Terugblik
Uit de eerste (klassieke) periode van Gebrs. Adema bleef van hun kerkorgels in Fryslân het eenklaviers orgel in Oudehaske als enige relatief ongewijzigd bewaard, hoewel het sinds de verplaatsing binnen de kerk in onbruikbare toestand verkeert en dringend restauratie behoeft wil het voor de toekomst zinvol bewaard blijven. Het tweeklaviers orgel in Heerenveen kon gelukkig wel in grotendeels originele samenstelling worden gerestaureerd in 1990, al moest o.a. de kas daarvoor worden gereconstrueerd. Uit de tweede periode (van 1871-1877) bleef in Fryslân alleen het orgel in Dearsum heel gaaf bewaard, zelfs inclusief de originele Trompet (in 2014 gecopieerd voor het 13 jaar jongere Adema-orgel in Oude Pekela). Het instrument bevindt zich sinds de laatste restauratie in 2017 gelukkig weer in een zeer goed bespeelbare toestand; alleen zijn in dat jaar de niet-originele kleuren van de orgelkas gehandhaafd. Al met al is het een bijzonder orgel. Het is aan de luisteraar om uit te maken in hoeverre het instrument zich met zijn Franse inslag voegt in de Friese mainstream op orgelgebied uit die tijd of daarvan afwijkt. Men zou daarvoor bijvoorbeeld eenklaviers orgels van Van Dam en Hardorff uit dezelfde tijd als vergelijkingsmateriaal kunnen gebruiken. Daarnaast zou ook kunnen worden gekeken (en geluisterd) naar twee iets jongere orgels van Bakker & Timmenga: Aldeboarn, doopsgezinde kerk (1882) en Warstiens, hervormde kerk (1884). Bij beide eenklaviers instrumenten is het pijpwerk verdeeld over twee gescheiden windladen, elk voorzien van een afsluiter (trede), met daartussen een stemgang. De dispositie en registervolgorde op de windladen zijn in laatstgenoemd orgel zelfs nagenoeg identiek aan die in Dearsum. (*21) Kennelijk heeft Arjen Timmenga van het orgel in Dearsum dus meer 'meegenomen' dan alleen het bestek! We zijn benieuwd naar de resultaten van dit vergelijkend warenonderzoek!

VICTOR TIMMER & TON VAN ECK


Bronnen:
Tenzij anders vermeld, zijn de gegevens in dit artikel ontleend aan:
  • Archief Adema's Kerkorgelbouw (Hillegom) (o.a. tekeningen, correspondentie, bedrijfsagenda's).
  • Adema-documentatie auteurs (w.o. resultaten van een eigen inventarisatie van het orgel in op 4 augustus 1983).
  • Restauratierapport Theo Jellema, 2011, alsmede aanvullende gegevens per e-mail.
  • Historisch Centrum Leeuwarden (Leeuwarden), toegang 1631, Orgelfabriek firma Bakker & Timmenga 1880 - 1969.
  • Tresoar (Leeuwarden), toegang 245-05, archief Hervormde gemeente Deersum-Poppingawier (invnrs.19, 20, 28, 29,30, 50, 65, 75 en 78).

Met dank aan Ad Fahner voor enige waardevolle aanvullingen en een aantal foto's.
Tenzij anders vermeld, stammen de afbeeldingen uit de collectie van de auteurs.

Voetnoten:
  1. Voor een uitgebreid overzicht over het werk van deze orgelmakers en hun opvolgers zie: Lex Lases (eindred.), Adema 150 jaar orgelbouw Sinds 1855, Hillegom 2006. (Nog verkrijgbaar bij Adema's Kerkorgelbouw te Hillegom).
  2. Beoogde werkzaamheden aan dit instrument vormden voor beide broers zelfs de aanzet voor het oprichten van hun orgelmakerij. Zie meer hierover in:
    Victor Timmer, 'Ad majorem Dei gloriam', in: Ton van Eck, Victor Timmer en Sible de Blaauw, Een prachtig werk [ ] 280 jaar orgels en hun gebruik in de Sint Bonifatiuskerk te Leeuwarden, Leeuwarden 2022, p. 15 en 16.
  3. Voor een beknopt overzicht van diens leven en werk, zie: Victor Timmer & Ton van Eck, 'Over Charles Philbert, 'grand amateur de facture d'orgue en voorvechter van het werk van Aristide Cavaillé-Coll', Orgelkunst 34/3 (november 2001), p. 128-139.
  4. Ook bij de weinige nieuwbouworgels van C.B. Adema (& Zonen): de eenklaviers orgels in de parochiekerken van Ommen (1878), Oude Pekela (1888) en het tweeklaviers orgel in Leeuwarden, St.-Bonifatius (1899), zien we een deling in twee windladen e.d.
  5. Zie Jan Jongepier (samenst.), Achter het Friese orgelfront, Leeuwarden 1981, p. 60 (Leeuwarden, St.-Dominicus) en p. 62 (Amsterdam, Mozes en Aäronkerk).
  6. Onder de bewaard gebleven fronttekening staat weliswaar 'C.B. Adema', maar dat is mogelijk een latere toevoeging.
  7. www.ruimgeloven.nl, daarna zoeken onder 'Dearsum' en 'het orgel'. Men vindt daar o.a. ook de instructie in 1889 voor de organist en enige informatie over het bijhorende Poppenwier. Ook worden alle predikanten uitgebreid onder de loep genomen.
  8. De complete instructie voor Jacob Velds als organist van de Grote Kerk in Sneek is afgedrukt in J.J. Herweijer, De familie Velds uit Friesland, Schoorl, 1995, 144.
  9. De hier afgedrukte foto is een reproductie van die in Herweijer, 138.
  10. Zie het bericht in de Leeuwarder Courant van 9 januari 1862.
  11. Zie het bericht in de Leeuwarder Courant van 7 december 1866.
  12. De Adema's maakten wel vaker gebruik van de r.-k. beeldhouwer Hendrikus Franciskus Born (1839-1918), die trouwens ook voor andere orgelmakers in Leeuwarden werkte. In 1871 leverde hij twee snijstukken op de balustrade bij het orgel in de Laurentiuskerk te Raerd in het kader van herstelwerk zaamheden door de firma Van Dam. Ook liet hij onder andere zijn naam achter op ornamentwerk van het Van Dam-orgel in Zuid-Scharwoude (1881) en het grote Van Dam-orgel (1891) in de Grote kerk te Enschede (zie Jan Jongepier, Orgelbouwers in Friesland, Leeuwarden 1992, 31).
  13. Deze porseleinen naamplaatjes waren afkomstig van J.W. Becker te Emmerich (D), bij wie de Adema's in die tijd ook naamplaatjes voor andere orgels betrokken. De Duitse herkomst is ook af te lezen aan het registeropschrift 'Hohlpijp' dat we niet alleen bij het orgel in Dearsum aantroffen, maar bijvoorbeeld ook bij het orgel in Almkerk (1877). De naamplaatjes van beide instrumenten waren, met die voor een ander orgel, dan ook tegelijk besteld bij de firma Becker.
  14. In 1890 bedroeg dat inmiddels fl. 75 bij de benoeming tot organist van Herre Wartena, hoofd der openbare School te Dearsum.
  15. Een dergelijke handelwijze kwam incidenteel vaker voor, o.a. bij de Groninger orgelmaker Petrus van Oeckelen.
  16. Bericht over de ingebruikneming in de Leeuwarder Courant d.d. 12 december 1875.
  17. Tresoar, toegang 245-36, archief Hervormde gemeente Grouw, inv.nr. 114, stukken betreffende het kerkorgel 1807-1929, brieven van ds. Blankstein, Deersum-Poppingawier, d.d. 15 augustus en 6 september 1876. Met dank aan Ad Fahner (Leeuwarden) die ons hierop attent maakte.
  18. Annonces in de Leeuwarder Courant d.d. 20, 24 en 27 oktober 1876.
  19. Naar mededelingen van dr. Jaap Brouwer, de orgelmakers Wim Dijkstra, Jelle Rollema en Sicco Steendam, en met name orgelkenner Ad Fahner.
  20. Volgens het bericht over de heringebruikneming van de kerk in het Sneeker Nieuwsblad d.d. 23 oktober 1951: “Ook het orgel is gerestaureerd. En dat dit goed is geweest bewees het spel van organist v.d. Goot uit Irnsum.” Laatstgenoemde deed dit door met name 'It Heitelân' en het Wilhelmus te spelen (artikel 'Gerestaureerde kerk te Dearsum weer in gebruik genomen', Heerenveensche Koerier d.d. 19 oktober 1951).
  21. Naar mededeling van Theo Jellema en de beschrijving van beide Bakker & Timmenga-orgels in Hans Fidom (eindredactie), Het Historische orgel in Nederland 1878 - 1886, Amsterdam 2006, p. 228-230 (Oldeboorn) en p. 326-327 (Warstiens). Evenals in Dearsum bevinden de naamschildjes van Bakker & Timmenga zich bij deze twee orgels ook boven de lessenaar, met aan weerszijden de beide groepen registertrekkers van twee windladen.
  22. Mogelijk was het seraphine-orgel afkomstig van 'horologiemaker' W. Cammenga op de Wirdumerdijk te Leeuwarden. Deze adverteerde in 1875 o.a. met 'horologiën, uurwerken, orgels, articles de Paris etc.' Met een op een Amsterdamse boedelveiling aangeboden 'Seraphin-orgel van W. Cammenga te Leeuwarden' werd op 13 mei 1878 geadverteerd in o.a. De Standaard en het Algemeen Handelsblad.



kopieer link naar clipboard