ok2025menu






De Najaarsexcursie in Súdwest-Fryslân Friese Orgelkrant 2025
 

De Najaarsexcursie op zaterdag 27 september brengt ons naar Boazum,Dearsum, Jorwert en Mantgum.

Boazum
De Sint Martinuskerk van Boazum heeft wortels die teruggaan tot de 12e eeuw. Het oudste deel van de kerk is het koor met de halfronde apsis, vermoedelijk gebouwd in de tweede helft van de 12e eeuw. Het schip werd iets later toegevoegd, mogelijk gelijktijdig met een verhoging van het koor in baksteen. De toren, opgetrokken aan het einde van de 13e eeuw, bestaat uit een combinatie van tufsteen en baksteen. De kerk is een mengeling van romaanse en romano-gotische stijlen. De buitenmuren bestaan voornamelijk uit tufsteen en kloostermoppen, met duidelijke sporen van latere verhogingen. In de noordelijke gevel bevinden zich drie hooggeplaatste gotische spitsboogvensters met stenen traceringen, evenals een romaans venster en twee segmentvormige venstertjes die het voorportaal verlichten. Opvallend zijn de hagioscopen in de noordelijke koorgevel, lage vensters om mensen die niet in de kerk wensten te komen (bijvoorbeeld kluizenaars vanuit hun verblijfsruimte naast de kerk) of er niet mochten komen (bijvoorbeeld misdadigers, overspeligen en lepralijders), toch de mis te laten volgen zonder zich onder de kerkgangers te begeven.

De toren, daterend uit de 13e eeuw, heeft een zadeldak en bestaat uit baksteen. De toren is vermoedelijk, gelet op de dubbele partij galmgaten, in latere tijd verhoogd. De oorspronkelijke romaanse elementen zijn deels behouden gebleven, hoewel er later gotische details aan zijn toegevoegd, zoals spitsboogvensters. De zuidelijke ingang is in 1700 voorzien van een barokke poort met korfbogige omlijsting, lijstkapitelen en een sluitsteen met een cherubijn. Binnenin de kerk trekt het gewelf van de apsis de aandacht, waar in 1941 plafondschilderingen uit de 13e eeuw zijn ontdekt. Deze fresco toont een baardloze Christus op een troon, omgeven door de vier evangelistensymbolen: leeuw, stier, mens en adelaar.

Het orgel
De Sint Martinuskerk is niet alleen één van de oudste kerken in Fryslân, maar heeft ook één van de oudste kerkarchieven. De rekeningen van de kerkvoogden zijn al vanaf 1515 bewaard gebleven. In 1516 is er al een betaling te vinden aan de organist. Er moet destijds dus ook al een orgel geweest zijn. In 1538 wordt een nieuw orgel opgeleverd door de Bolswarder orgelmaker Symon. Dit orgel heeft bijna 250 jaar dienst gedaan, maar toen vond men het in Boazum tijd worden voor een nieuw orgel.
Het is raadselachtig hoe de kerkvoogden terecht zijn gekomen bij Gottlieb Heineman (niet te verwarren met Antonius Friedrich Gottlieb Heyneman). Heineman had al wel wat reparatiewerkzaamheden verricht in Fryslân, maar nog geen nieuwbouw. Er is heel weinig over hem bekend. Toen de Boazumers contact met hem hadden, woonde hij - volgens een advertentie in de Leeuwarder Courant - in Leeuwarden. Op 13 december 1783 wordt het contract met Heineman getekend. Hij begint ook aan het werk, maar vanaf juni 1785 worden de werkzaamheden door zijn knecht Rudolf Knol overgenomen. In 1789 schijnt Heineman vertrokken te zijn naar Amsterdam. Hoe zijn leven daarna is verlopen, is niet bekend. Van Rudolf Knol is veel meer bekend. Hij werd geboren in Ost-Friesland rond 1759. Als jongeman werkte hij als knecht van Dirk Lohman (Emden). Hij verhuist naar Fryslân in 1785 en is dan korte tijd knecht van Heineman. Als zelfstandig orgelmaker wijdt hij zich aan onderhoud en nieuwbouw. Van zijn capaciteiten getuigen niet alleen het orgel van Boazum, maar ook de instrumenten van Wiuwert (1788), Zwartsluis (1797), het Gelderse Oosterwolde (1800) en Hasselt (1806). Knol overlijdt in 1818 op 59-jarige leeftijd te Hasselt.
Knol heeft zich in Boazum niet beperkt tot het voltooien van een door Heineman begonnen instrument, maar hij heeft het concept naar zijn hand gezet. Onder meer wordt het vulstemmenbeeld gewijzigd (bij Heineman heeft het Hoofdwerk een Mixtuur en een Cornet, bij Knol alleen een Mixtuur; bij Heineman heeft het Rugwerk een Sexquialter, bij Knol een Mixtuur). Ook verandert de tongwerkbezetting op het hoofdwerk (die is bij Heineman Trompet 8' en Vox Humana 8', bij Knol Basson 16' en Vox Humana 8'). De balustraden en de kassen van het Boazumer orgel zijn gemaakt door C. Eisma. Het prachtige snijwerk is van Frans Twentrop, die ook voor het snijwerk in Wiuwert tekende. Het beeldwerk op de eiken orgelkassen werd uitgevoerd door de uit Italië afkomstige, maar in Leeuwarden gevestigde, beeldsnijder Antonio Solaro. Pas zes jaar later is het orgel klaar: op 29 juli 1791 wordt het in gebruik genomen.\n

In de 19e eeuw blijft het orgel niet ongewijzigd. Er is aan gewerkt door P.J. Radersma die de Rugwerk-Mixtuur vervangt door een Viola di Gamba 8'. 20 jaar later vervangt L. van Dam de Vox Humana van het Hoofdwerk door een Trompet 8'.
De meest ingrijpende verandering ondergaat het orgel als Bakker & Timmenga er in 1911 aan werkt. Van de mechaniek wordt vervangen wat versleten is (draadwerk, winkelhaken); de oude balgen ruimen het veld voor een magazijnbalg en de schuifkoppel wordt veranderd in een koppel met knop. Maar ook het pijpwerk wordt onder handen genomen. Dat resulteert in het opschuiven van pijpen, aanbrengen van expressions en bijmaken van nieuwe pijpen, maar ook in dispositiewijzigingen: de vermoedelijk door Radersma zelfstandig gemaakte discantprestanten verdwijnen, de Fluit travers 8' van het Hoofdwerk staat zijn plaats af aan een Viola 8' en de Nasart 3' van het Rugwerk wijkt voor een Viola 4'. De frontpijpen worden bestreken met aluminiumverf.
Minder ingrijpende werkzaamheden worden uitgevoerd in 1940 door Vaas en Bron (demontage en herplaatsing binnenwerk in het kader van de kerkrestauratie) en in de jaren '60 door Wim Eppinga. Een deelrestauratie van het orgel vindt plaats in 1986. Bakker & Timmenga herstelt de windvoorziening en de hoofdwerklade. Toegevoegd wordt de mogelijkheid de registerknoppen van de beide zestienvoetsregisters van het Hoofdwerk in twee standen te gebruiken, waardoor men kan kiezen voor het klinken van deze registers over het gehele klavier of slechts van C tot c. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd onder advies van Klaas Bolt. In 2002 komt een rapport van de hand van Jan Jongepier gereed. Het bevat aanvullingen op het rapport van Bolt uit 1975 en brengt in kaart hoe de tweede fase van de restauratie gestalte zou kunnen krijgen. Deze tweede restauratiefase krijgt zijn beslag in 2011 en 2012 en wordt eveneens uitgevoerd door Bakker & Timmenga. Aanvankelijk treedt Jan Jongepier op als adviseur. Nadat ziekte dit hem onmogelijk maakt, wordt zijn taak overgenomen door Theo Jellema.
De restauratiewerkzaamheden van 2011-2012 kunnen op hoofdlijnen worden aangeduid met 'herstel van uitdrogingsschade en de dispositiewijzigingen in de twintigste eeuw'. Daarnaast is het orgel (voor zover dit in het kader van de eerste fase nog niet gebeurde) technisch geheel gerestaureerd en de dispositie is waar mogelijk hersteld naar de situatie 1791
Met de reconstructie van de Nasard en de (terts)Mixtuur op het Rugwerk herkrijgt het instrument zijn (laat)barokke glans en kan het weer schitteren als een parel aan de Friese orgelkroon.


Dispositie:

Hoofdwerk (C-f3): Bourdon 16', Prestant 8', Roerfluit 8', Viola di Gamba 8' (Radersma, 1843), Octaaf 4', Gemshoorn 4', Quint 3', Superoctaaf 2', Mixtuur V sterk (deels 2012), Basson 16' (B/D), Trompet 8' (bekers Van Dam, 1861)

Rugwerk (C-f3): Holpijp 8', Prestant 4', Fluit does 4', Nasart 3' (2012), Woudfluit 2', Mixtuur III (2012), Dulciaan 8' (B/D)

Pedaal (C-d1): Aangehangen

Werktuiglijke registers: Manuaalkoppel (schuifkoppel), Pedaalkoppel Hoofdwerk, Afsluiting Hoofdwerk, Afsluiting Rugwerk, Tremulant, Hoofdwerk, Tremulant Rugwerk

Toonhoogte: a1 = 457 Hz bij 16 graden Celsius

Stemming: naar Neidhardt


Dearsum
De Nicolaaskerk van Dearsum is gebouwd omstreeks 1200. In de 15e eeuw onderging de kerk gotische aanpassingen, waaronder de toevoeging van spitsboogvensters aan de zuidzijde en een dichtgemetselde ingang aan de noordkant. De slanke, ongelede toren met zadeldak tussen topgevels met pinakels dateert uit de 13e eeuw en bevat een 14e-eeuwse luidklok van een anonieme gieter. Het interieur wordt gekenmerkt door een ongeschilderd houten tongewelf met trekbalken, sleutelstukken en schoren op muurstijlen. Aan de noordzijde zijn nog steeds dichtgemetselde ingangen zichtbaar, die vroeger apart werden gebruikt door mannen en vrouwen. Een nis in de noordmuur duidt op een voormalige sacramentsnis, terwijl een piscina met zandstenen schap aan de zuidzijde aanwezig is. De preekstoel, geplaatst aan de zuidzijde, dateert uit het begin van de 17e eeuw en is voorzien van een klankbord, voet en vernieuwde trap uit 1859. Tijdens een restauratie in de jaren 50 van de 20e eeuw werd het interieur aangepast, waarbij onder andere banken en kroonluchters werden toegevoegd.

Op pagina 20-23 beschrijven Victor Timmer en Ton van Eck uitgebreid de geschiedenis van het Adema-orgel (1875). Hier wordt volstaan met de dispositie:


Dispositie:

Manuaal (C-f3): Bourdon 16', Prestant 8', Viola 8', Holpijp 8', Octaaf 4', Viola 4', Fluit harmoniek 4', Quint 3', Octaaf 2', Trompet 8'

Pedaal (C-c1): Aangehangen


Jorwert
De Redbadtsjerke is vernoemd naar Sint Radboud, bisschop van Utrecht van 899 tot 917, en is de enige kerk in Fryslân die aan deze heilige is gewijd. De exacte bouwdatum van de huidige stenen kerk is onbekend, maar wordt geplaatst in de 11e eeuw. Waarschijnlijk stond er voor deze stenen constructie een houten kerk op dezelfde locatie. Het gebouw is grotendeels opgetrokken uit tufsteen. De preekstoel dateert uit de 17e eeuw. In 1951 stortte de toren van de kerk in, maar deze werd kort daarna herbouwd. Een volgende restauratie, samen met de kerk zelf, vond plaats in 1954, en in 2006 werd de toren opnieuw gerenoveerd. De toren bevat twee luidklokken, waarvan de oudste dateert uit 1394 en de andere uit 1749. Een opvallend detail aan de buitenkant is een zonnewijzer aan de zuidmuur.

Het orgel
Het orgel is gemaakt door Albertus van Gruisen in 1799. Toen Albertus van Gruisen uit Jorwert verdween, liet hij hier een orgel achter van een uitzonderlijke kwaliteit. Deze kwaliteit is door ruim twee eeuwen heen voor diverse orgelmakers aanleiding geweest het unieke klankbeeld volledig ongewijzigd te laten. Hoe bijzonder dit is, blijkt wel uit het feit dat er in het noorden van ons land vrijwel geen enkel orgel aan te wijzen is waar niet aan de dispositie is gewijzigd om te voldoen aan de veranderende smaak van de tijd.
Dat wil echter niet zeggen dat er niet door orgelmakers aan het orgel werd gewerkt en er geen wijzigingen werden aangebracht. In 1913 vervangt Bakker & Timmenga de volledig versleten klavieren en in 1936 worden de drie spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg.

Na de Tweede Wereldoorlog is 'het hart' van het orgel, de beide windladen waar de pijpen op staan, ook in verval geraakt. In 1956 krijgt de Orgelmakerij Van Leeuwen uit Leiderdorp de opdracht voor de restauratie. Van Leeuwen brengt een eigen gepatenteerd systeem aan op de windladen dat lekkage moet voorkomen. Dit zogenoemde VEKA-systeem (VErende KAntsleep), past hij bij vrijwel al zijn restauraties toe. De tijd heeft echter bewezen dat zijn vinding lang niet overal voldeed. De meeste van deze sleepsystemen zijn in de afgelopen decennia verdwenen en werden vervangen door het aloude sleep-systeem zoals Van Gruisen het al in 1799 bouwde.

Aan het begin van de 21e eeuw is groot onderhoud noodzakelijk geworden. Het orgelinterieur is sterk vervuild en van de orgelkas waren in de loop der jaren al diverse onderdelen afgevallen. Een rapport wordt opgemaakt door orgeladviseur Theo Jellema waarin alle gebreken worden opgenomen. Omdat er aan de buitenkant van het VEKAsysteem niet te zien is in welke staat het verkeert, wordt er onderzoek gedaan naar het functioneren hiervan. Dit bleek nog in orde te zijn waardoor vervanging van het systeem op korte termijn niet noodzakelijk was. Het prachtige en rijk versierde snijwerk wordt gerestaureerd en ontbrekende elementen worden bijgesneden. Het pijpwerk wordt schoongemaakt en wordt de intonatie gecorrigeerd waar die verlopen was. Daarnaast wordt het orgel gestemd op de toonhoogte die het al in 1799 kreeg, namelijk 450 Hz bij 18 graden Celsius.


Dispositie:

Hoofdwerk (C-f3): Bourdon 16' (D), Prestant 8', Holpijp 8', Octaaf 4', Fluit d'Amour 4', Quint 3', Octaaf 2', Mixtuur IV-V-VI sterk, Trompet 8' (B/D), Tremulant

Rugwerk (C-f3): Fluit Does 8', Fiool de Gambe 8' (D), Prestant 4', Nasat 3', Woudfluit 2', Dulciaan 8' (B/D), Tremulant

Pedaal (C-d1): Aangehangen

Koppels: Manuaalkoppel, Pedaalkoppel


Mantgum
De Mariakerk in Mantgum werd gebouwd rond 1500 ter vervanging van een eerdere, vermoedelijk uit circa 1200 stammende, middeleeuwse voorganger. Tussen 1865 en 1867 werd de kerk naar plannen van architect J.I. Douma verhoogd, gepleisterd en voorzien van spitsboogvensters. In 1868 werd de oorspronkelijke zadeldaktoren afgebroken en vervangen door een nieuwe toren met drie geledingen en een ingesnoerde spits. Het interieur wordt gedekt door een tongewelf. Het meubilair, vervaardigd tussen 1779 en 1781, bestaat uit een gesneden preekstoel met achterschot en klankbord, banken en herenbanken, uitgevoerd in eikenhout met snijwerk in Lodewijk XVI-stijl. Een bijzonder element is de ronde preekstoel in de dooptuin, uniek voor Fryslân. De kerk bezit ook gebrandschilderd glas uit 1939, met afbeeldingen van kerken en torens, afkomstig uit het voormalige gemeentehuis van Baarderadeel en vervaardigd door J.H. Wijkmans.

Het orgel
Al in de 17e eeuw moet de kerk van Mantgum een orgel rijk zijn geweest. In 1710 bouwt Jan Harmens Camp uit Berlikum een nieuw orgel, waarbij hij materiaal uit dat eerdere orgel gebruikt. Dit instrument had 12 registers, verdeeld over een Hoofdwerk en een Rugwerk. In 1813 wordt het orgel gewijzigd en uitgebreid door Jan Reinders Radersma uit Wiuwert. In 1845 wordt het orgel vervangen door een nieuw tweeklaviers instrument van Luitjen Jacob van Dam uit Leeuwarden, waarin nog wel wat materiaal van Harmens verwerkt wordt. Na de verbouwingen in de kerk willen de kerkvoogden ook weer een nieuw orgel. Het nog maar 34 jaar oude Van Dam-orgel wordt vervangen door een groter exemplaar (met vrij pedaal) door dezelfde firma. Het oude orgel krijgt een tweede leven in de Evangelisch-Lutherse Kerk van Harlingen. De drie beelden (Geloof, Hoop en Liefde) die op het oude orgel stonden blijven wel in Mantgum en krijgen een plek op het nieuwe orgel. Het instrument wordt op 21 december 1879 in gebruik genomen door K. Suringbroek, de organist van de Grote Kerk in Leeuwarden. Dit orgel wordt in de loop der tijd wel gerepareerd, maar ondergaat geen ingrijpende wijzigingen. In 2022 is echter, na 140 jaar, een restauratie noodzakelijk. Deze wordt uitgevoerd door de fa. Bakker & Timmenga uit Leeuwarden, onder advies van Theo Jellema. Bij deze gelegenheid konden ook de in 1879 gereserveerde registers worden geplaatst. De Salicet 4' van het Bovenwerk wordt gekopieerd naar het voorbeeld van het Van Dam-orgel van Wergea (1871) en de Bazuin 16' van het Pedaal naar het Van Damorgel van Assen (1896).


Dispositie:

Hoofdwerk (C-g3): Bourdon 16', Prestant 8', Violon 8' (D), Holpijp 8', Octaaf 4', Roerfluit 4', Quint Prestant 3', Octaaf 2', Cornet III sterk (D), Trompet 8' (B/D)

Bovenwerk (C-g3): Salicionaal 8', Viola di Gamba 8', Fluit Does 8', Salicet 4' (2022), Flûte Travers 4', Gemshoorn 2', Clarinet 8', Tremulant

Pedaal (C-d1): Subbas 16', Prestant 8', Gedekt 8', Octaaf 4', Bazuin 16' (2022)

Koppels: Manuaalkoppel, Koppel Pedaal-Hoofdwerk



PETER VAN DER ZWAAG
THEO JELLEMA (orgelbeschrijving Boazum)



kopieer link naar clipboard