Het fenomeen van de imitatie-draperie of “kleeds verbeelding
Friese Orgelkrant 2025
Een argeloze bezoeker van historische kerken komt ze zo nu en dan tegen; de imitatie-draperie. Een gordijn achter of om het orgel. Soms dominant,
soms onopvallend. Een gordijn niet van stof gemaakt maar geschilderd op hout of rechtstreeks op de muur achter het orgel.
Een draperie is volgens Van Dale: een versiering van vrij afhangende of geplooide stof als bekleding van een wand. Daarbij is een
imitatie-draperie een nabootsing van een echt gordijn. Hiervoor wordt ook de term baldakijn gebruikt. Baldakijn staat voor 'troonhemel
uit kostbare stof'. De gordijnen van de imitatie-draperie zijn opgehangen aan het eveneens geschilderde baldakijn.
Nederland kent plusminus vijftig kerken waar een imitatie-draperie was of is. Van die vijftig zijn er inmiddels tien verdwenen; er
resteren nog ongeveer veertig.
Wat is de functie van zo'n imitatie-draperie? De naam zegt het al; het is een gordijnachtige versiering rond het orgel op een houten
schot, het gewelf of rechtstreeks op de muur. De meeste voorstellingen zijn weergegeven als opgehaalde gordijnen, vastgebonden
met koorden en kwasten, de zogenaamde embrasses, welke in woonhuizen van vermogende eigenaren typerend waren voor
hun woonstijl vanaf de achttiende eeuw. (*1)
Relatie orgel-imitatie-draperie
Ook wordt de term trompe-l'oeil gebruikt. De imitatie-draperie is geschilderd met de techniek van de trompe-l'oeil; een techniek
waarbij opzettelijk een optische illusie wordt gecreëerd. In Fryslân komt ook de benaming “orgelgordijn” of “kleedsverbeelding” (*2)
voor.
Sinds de reformatie zijn langzamerhand alle protestantse kerken voorzien van een orgel ter ondersteuning van de gemeentezang. De
kas van een orgel was vaak een pronkstuk. Vaak waren het gemeentebesturen die de orgels financierden. Voor hen was uiterlijk vertoon
van macht en status bij de bouw van het orgel een belangrijke component. Een uitbreiding van die pronkzucht vond plaats door
het aanbrengen van imitatie-draperieën. De dure gordijnen in huizen van rijke bezitters werden zo ook in de kerk zichtbaar waardoor
hun naam en de daad van hun schenking zouden blijven voortleven. (*3) Mogelijk koos men voor imitatie gordijnen omdat echte gordijnen
te duur waren en bovendien moeilijk te onderhouden omdat ze zo hoog hingen. Pas na de scheiding van kerk en Staat in 1798
komen de kerkvoogden in beeld. Vanaf dat jaar vond er een herziening van het eigendomsrecht van kerkgebouwen plaats waarbij
kerkgebouwen in het bezit kwamen van de kerkelijke organisatie. Beide partijen wilden graag dat hun schenking bekend zou blijven.
Vandaar de tekstborden op de orgelkas. Op het platteland, met name in Fryslân, was het vaak de landadel die het orgel schonk
en daarom op de orgelkas vereeuwigd wilde worden. De relatie tussen de gordijnen in de rijke interieurs van de landadel in de achttiende
eeuw en de daarvan afgeleide imitatie-draperieën lijkt daarmee aannemelijk. Dit omdat textiel vroeger een van de kostbaarste
elementen in het interieur betrof.
De orgelbouwer
Het orgelmeubel werd vaak tot ver in de negentiende eeuw niet gemaakt door de orgelbouwer maar, als gevolg van het gildewezen,
vaak door een gekwalificeerde schrijnwerker. Het basisontwerp van de orgelkas werd meestal wel gemaakt door de orgelmaker,
als hoofdaannemer; de schrijnwerker voltooide vervolgens het ontwerp en maakte het meubel in opdracht van het kerkbestuur
of de orgelmaker en ontwerper. De ornamentiek en het schilderwerk bleven tot lang in de negentiende eeuw voor de verantwoording
van de opdrachtgever. Gaandeweg ontstonden min of meer vaste combinaties tussen orgelbouwers en beeldhouwers, schilders,
schrijnwerkers en andere kunstenaars.
Leidt zo'n imitatie-draperie de aandacht niet juist af van het orgel? Of versterkt ze die juist? De meeste orgels zijn na de reformatie
geplaatst op een galerij tegen de westwand van de kerk. Moet zo'n orgelkast schitteren ter meerdere eer en glorie van de schenker
dan zou zo'n imitatie-draperie kunnen afleiden. Toch moet de komst van de imitatiedraperie in die richting worden gezocht. Zij
komt hoofdzakelijk voor in van oorsprong protestantse provincies met een rijke landadel zoals in Groningen (5) en Fryslân (20).
Wilde de rijke gever naast zijn gift, het orgel, ook laten zien dat hij thuis een duur interieur bezat waarmee hij graag wilde pronken?
In de achttiende eeuw was textiel kostbaar. Wie het breed had liet het breed hangen. (*4) Misschien is er zelfs een soort parallel
te trekken met een toneelstuk? Het gordijn wordt opgetrokken; het concert kan beginnen.
In de katholieke provincies, en elders waar de katholieken slechts gedoogd werden met schuilkerken, was soberheid het uitgangspunt
en zien we nauwelijks vergelijkbare kostbare schenkingen, enkele uitzonderingen daargelaten zoals in Onse Lieve Heer
op Solder te Amsterdam. Het orgel in katholieke kerken was slechts bedoeld als ondersteuning van het zangkoor dat op de galerij
de zang tijdens de mis verzorgde en had daardoor een veel minder belangrijke status. De protestantse kerken van Heesbeen (gemeente
Heusden) en 's-Gravenmoer vormen de uitzonderingen in het voorheen katholieke Brabant.
De datering
Globaal is het fenomeen imitatie-draperie te dateren in de periode 1775 tot 1850. Er lijkt een causaal verband te bestaan tussen de
komst van het orgel en de bouw van de imitatie-draperie. Uit archieven (in Fryslân) (*5) is die relatie af te leiden. Pas na het midden
van de achttiende eeuw komt de imitatiedraperie in de mode met haar hoogtepunt rond 1800. Toen vond de scheiding van kerk
en staat plaats waarbij veel kerken een orgel kregen ter ondersteuning van de gemeentezang. Tegelijkertijd werd aan het einde van
de achttiende eeuw de draperie in het interieur, met name beïnvloedt door Daniel Marot, populair en in het laatste decennium van de
achttiende eeuw rijker en gecompliceerder. (*6)
Hieraan vooraf ging een periode waarin geschilderde schijnarchitectuur opkwam. De kerk van Bodegraven (ZH) is hiervan een
goed voorbeeld. Daar werd ter weerszijden van het orgel uit 1772 renaissancistische architectuur geschilderd. Uiteraard zijn ook bij
deze datering uitzonderingen aan te wijzen zoals bij de kerk van Loppersum (Gr). Het orgel uit 1562 werd in 1665 gerestaureerd en
verbouwd waarbij “de hoeken van het balkon geen zuilen kregen maar draagpalen met daar om heen een zwaar grenen beschot in
gordijnvorm dat vervolgens als een trompel'oeil in imitatie-gordijnvorm was geschilderd.” (*7)
In tegenstelling tot de veronderstelling dat de orgels en de imitatie-draperieën omstreeks dezelfde tijd ontstonden is het feit
dat in sommige kerken op de westwand een imitatie-draperie werd aangebracht, waarna pas na korte of lange tijd het orgel werd gebouwd
zoals in de kerken van Voorburg (ZH) en Goingarijp (Fr). Dat laatste kerkje werd gebouwd in 1770 terwijl het orgel pas in de
jaren zeventig van de twintigste eeuw werd geplaatst! Een bijzonder voorbeeld hiervan is te zien in de kerk van Heesbeen (NB) waar
op het houten schot een compleet orgelfront is geschilderd met daar omheen een imitatie-draperie. Het orgel dat dit geschilderde
orgelfront grotendeels onzichtbaar maakt is ongeveer dertig jaar later aangebracht. In die situatie ontbreekt de relatie met de bouw
van het orgel. Dit zou er op kunnen duiden dat de imitatie-draperie omstreeks die tijd zo populair was dat ze zelfs zonder orgel ter versiering
werd aangebracht.
Helaas zijn de imitatie-draperieën niet gesigneerd of gedateerd. Bijkomende complicatie om een imitatie-draperie aan de komst van
een orgel te koppelen, is het feit dat diverse kerken in de loop van de tijd een nieuw orgel aanschaften waardoor het onduidelijk wordt
of de draperie bij het eerste of het tweede orgel is aangebracht. Verfstoffen, en de mode in gordijnen, kunnen echter wel een middel
zijn om te dateren.
Uit het reeds vermelde uitgebreide archiefonderzoek van S. ten Hoeve onder 19 Friese kerken is bij ongeveer de helft een relatie af te
leiden tussen de komst van het orgel en dat van de imitatie-draperie. Bij de kerk van Breukelen is de imitatie-draperie in 1787 gemaakt;
tegelijk met de bouw van het orgel. (*8)
De makers
Uitgaande van de inventarisatie van veertig kerken met een orgel en een imitatie-draperie blijkt dat daarvoor in totaal slechts
zestien orgelbouwers werkzaam zijn geweest. (*9) Deze orgelbouwers zijn te verdelen in vier groepen: de Friese school (Van Dam en Van Gruisen),
de Groningse school (Hinsz), de Gelderse school (Scheuer en Knol) en de Brabantse school (Van Oeckelen uit Breda). Tussen deze
orgelbouwers bestond onderling contact.
Sommige orgelbouwers zoals Albert van Gruisen hadden een relatie met de meester-timmerman Andreas Hendriks Grendel (1753-1812) die
de imitatie-draperieën voor hem verzorgde. In de kerk van Jorwert (Fr) bouwde hij in 1799 een orgel waarbij de
Leeuwarder decoratie-schilder A. Grendel voor 28 gulden de imitatie-draperie verzorgde. (*10) Door de archiefstudie van
S. ten Hoeve is er meer bekend geworden over de schilders van de imitatie-draperieën in Fryslân. Dezelfde A. Grendel schilderde
in 1807 ook de imitatie-draperie in de kerk van Hilaard. In Abbega vermeldt een kerkvoogdijrekening
van 1824: “fl. 8,35 betaalt aan J. H. Oppedijk wegens het verwen van een kleed over het orgel alhier”. De kerk van
Boksum kreeg in 1810 een “kleedsverbeelding”, geschilderd door Wytze Douwes voor de somma van fl. 35 gulden. Buiten Fryslân
is alleen de schilder van de imitatie-draperie in de kerk van Breukelen bekend; Paulus van Nieuwkerk. (*11) Hij ontving voor dit
werk fl. 199 en vijf stuiver. De magistrale uitvoering wijst op een zeer vakkundig schilder en een rijke mecenas, waarschijnlijk
dezelfde als degene die in dat jaar het orgel schonk; de Amsterdamse koopman Claude van Noordwijk.
De situering van de imitatiedraperie
Uitgaande van de veronderstelling dat een imitatie-draperie is aangebracht om de luister van de schenker van het orgel te accentueren
is de locatie van groot belang. Bij die locatie zijn er een drietal vormen te onderscheiden. In sommige gevallen is de
imitatie-draperie aangebracht, gelijk met de voorkant van het orgel zoals in de kerken van Raerd (Fr), Wiuwert (Fr), Blessum (Fr),
Boksum (Fr) en Hasselt (Ov). Daarbij lijkt het orgel bijna door een hemelse sfeer te zijn omgeven. Uiteraard is dit de meest opvallende
plaats. Orgelfront en draperie vormen bijna één geheel. Het zicht op het orgel wordt door de dominante situering van de imitatiedraperie
bijna geweld aangedaan. In veel gevallen is de orgelkas tegen een houten wand geplaatst. Op deze wand werd soms de imitatie-draperie geschilderd.
Hierdoor is het effect minder dan bij de eerste optie. Een derde optie is dat die houten wand nog teruggeplaatst is ten opzichte van de achterwand
van de orgelkas. Daardoor is het effect van de imitatie-draperie het meest minimaal. Zo is de wand in 's-Gravenmoer vier meter achter de
orgelbalustrade geplaatst; tegen de oostmuur van de toren en geflankeerd door een houten wand. Wel is hier het effect vergroot door de draperie
volledig ter weerszijden van het orgel een zo maximaal mogelijke lengte te geven terwijl de draperie in het midden met een zogenaamde kap (baldakijn)
tegen het gewelf van de kerk is aangedrukt om zo nog enigszins boven de versieringen van de pedaaltorens uit te komen. De kijker moet ongeveer op
het koor staan om het effect optimaal te kunnen waarnemen. Uiteraard is er een relatie tussen de breedte van de orgelkas ten opzichte van de breedte
van het schip van de kerk en het zicht op de imitatie-draperie. Hoe breder de orgelkas hoe minder ruimte er resteert voor de imitatie-
draperie en omgekeerd. In de kerk van Voorburg (ZH) is achter het orgel een Tiengebodenbord geschilderd op de oostwand van de toren. Dit
Tiengebodenbord is net zo hoog als de orgelkas. Vermoedelijk is het al aangebracht voordat in 1800 het eerste orgel werd geplaatst. Overhoeks,
ter weerszijden van het Tiengebodenbord, zijn schotten aangebracht waarop de imitatie-draperie is geschilderd. Deze opstelling is zeer
vergelijkbaar met die van Baarland (Zld) waar op een schot, halverwege de kerk, een Tiengebodenbord is geschilderd, geflankeerd door imitatie-draperieën.
Boven de Tiengebodenschildering is een medaillon met tekst aangebracht vergelijkbaar met dat van Voorburg. Uitzonderlijk is de situatie in Baarland
omdat hier de imitatie-draperie niet het orgel omlijst maar de preekstoel.
Imitatie-draperie op steen (stucwerk)
De schilderingen op steen/stucwerk zijn van oudere oorsprong omdat dit als een vervolg kan worden gezien van de middeleeuwse
beschildering op de wanden en het gewelf van de kerk. Veel middeleeuwse kerken zijn in de periode tot de reformatie voorzien van
gewelf- en wandschilderingen. Vaak ging het om heiligen of sjabloonschilderingen. Dat in het verlengde van deze traditie ook
de wand achter het orgel werd beschilderd ligt voor de hand. De oude Bavokerk in Haarlem bezat oorspronkelijk een koororgel
tegen de noordwand. Dit orgel uit 1436 was geplaatst tussen de eerste en de derde zuil aan de noordzijde van de hoofdbeuk van het
koor. Achter dit orgel was een zwarte contourschildering aanwezig die de vorm van de orgelkas volgde. Daarvan resteert nu alleen
nog het deel achter de voormalige bastoren. Ook de Oude Kerk in Amsterdam kende zo'n zwarte achterwand. De draperieschildering
op de achterwand van het orgel in Raerd is een reconstructie van de draperieschildering die er voor 1909 ook al op zat. De wand was
niet egaal zwart. In 1909 is de schildering op het gewelf witgekalkt en de achtermuur opnieuw bepleisterd, waardoor de schildering
verdween. Op foto's uit 1909 was echter wel duidelijk zichtbaar dat er een schildering gezeten had. Nadat deze foto's voor een boekje
gescand waren, bleken juist op de scan de contouren van de gordijnen en kwasten goed zichtbaar. Die scan heeft gediend als
voorbeeld voor de reconstructie, enkele maanden na de oplevering van de kerk. Hier lijkt een verwantschap met moderne theaters
aanwezig waar ook de meeste wanden zwart zijn geschilderd om niet af te leiden van de voorstelling. “Dat zwart schilderen
was eveneens bedoeld om het orgel beter te laten afsteken tegen de wand. Vooral bij de tinnen frontpijpen en het bladgoud, wellicht
ook vanwege de polychromie. Het orgel lijkt dan bovendien nog groter en vormt een geheel met de zwarte muur er achter.” (*12)
De Catharinakerk in Roden (Dr.) heeft zo'n op stucwerk geschilderde wand gekend. Bij de totale ontpleistering van de kerk in 1930 is
deze imitatie-draperie verdwenen. (*13) Ook in de kerk van Elburg (Gld) is de imitatie-draperie rechtstreeks op de muur aangebracht.
De kleuren van de imitatie-draperie
In de tweede helft van de zeventiende eeuw en in de achttiende eeuw kreeg de kleur in het kerkinterieur een verlangde deftigheid
waarbij Berlijns blauw (ultramarijn blauw en Pruisisch blauw) (*14), olijfgroen of mahonierood in de mode kwamen. (*15) De kleuren
van de orgelkas en de draperie zijn hier nauw aan verwant. Dat de imitatie-draperie rond 1800 op grote schaal werd toegepast
hangt wellicht samen met de komst van de imitatie schildertechnieken. In de periode van 1780 tot 1786 ging men over tot antique
werk. (*16) Behalve de meest voorkomende kleuren blauw en groen zijn op sommige plaatsen andere kleuren aangetroffen. Onder
de blauwe kleur van de imitatie-draperie in Raerd (Fr) kwam bij de laatste restauratie een rode kleur tevoorschijn. Hier lijkt een
relatie aanwezig met de oorspronkelijk rode kleur van het orgel. (*17) Bij de laatste restauratie zijn de kleuren aangevuld om de
plooien te accentueren.
Vormgeving
Bijna alle onderzochte kerken bleken een geschilderd gordijn te bezitten in min of meer dezelfde uitmonstering. Het verschil in kwaliteit
zal te maken hebben gehad met de kwaliteit van de schilder. Ook kan uiteraard van een stadse imitatie-draperie, zoals in Enkhuizen,
een grotere kwaliteit worden verwacht dan van dat in een kerk op het platteland. Zo is voor de imitatie-draperie in de kerk
van Hornhuizen (Gr) vermoedelijk de plaatselijke schilder ingeroepen. De kwaliteit van die schildering steekt schril af bij de overige.
Ook is zichtbaar dat in steden en kerken in een rijke omgeving zoals die van Breukelen (Utr) een kwalitatief meer begaafd schilder
bezig is geweest. Hoewel er ook op dorpen imitatie-draperieën zijn vervaardigd, zoals in Raard, die wat kwaliteit betreft nauwelijks onder
doen voor een stedelijke schilder.
De kerk van Dronryp bezat voorheen een vergelijkbare combinatie als de kerk van Bodegraven, een imitatie-draperie en een
architectuurschildering. Op een foto van ca. 1900 is te zien dat de wand achter het orgel een monumentale beschildering had, mogelijk
uit 1843 maar wellicht uit 1820 toen de orgelkast voor het eerst werd geschilderd. In 1843 ontving J.K. Wassenaar fl. 244,54 voor
“verwen, vergulden etc. van het orgel”. De beschildering kan toen ook wel een vernieuwing hebben ondergaan. Het bovenste deel
van de wand is beschilderd met een draperie. Daaronder is een neoclassicistische wand met nissen en Korintische pilasters
geschilderd in trompe-l'oeil en in grisaille, om beeldhouwwerk te suggereren. In de nissen zijn allegorische vrouwenfiguren te zien:
links een vrouw met lier en rechts een vrouw met een muziekblad. Bij de ingrijpende wijzigingen aan het orgel in 1917-1918 zijn de
beschilderingen verdwenen. (*18)
Twee imitatie-draperieën in Fryslân
Fryslân is in Nederland de provincie met de meeste imitatie-draperieën. Ongeveer twintig kerken bezitten, of hebben een imitatiedraperie
gehad. Nog aanwezig: Blessum, Boksum, Goingarijp, Hilaard, Hemelum, Jouswier, Lytsewierrum, Raerd, Sibrandabuorren, Wiewert.
Verdwenen: Abbega, Boazum, Dronryp, Huizum, Jorwert, Morra (?), Sint Nicolaasga, Vrouwenparochie, Weidum.
De Mariakerk van Blessum
Het orgel is gebouwd in 1659 en daarmee een van de oudste van Fryslân. Ide Carsten bouwde de orgelkas terwijl het orgel
zelf vermoedelijk is gemaakt is door Willem Meinderts, orgelmaker uit Berlikum. In 1809 voerde Albertus van Gruisen werkzaamheden
uit aan het orgel. Daarbij is vermoedelijk de imitatie-draperie aangebracht. De draperie is aansluitend met de voorkant van het
orgel geplaatst op de toen nieuw gebouwde galerij. In de kerkvoogdijrekeningen wordt in 1810 vermeld: “een kleedsverbeelding”. (*19)
Het betreft een blauw rondlopend kleed. Twee engelen houden aan weerszijden van het orgel de draperie omhoog. De vele muziekinstrumenten
en de hoogte van het orgel, tot aan het plafond, reduceren de zeggingskracht van de imitatie-draperie enigszins.
De Sint-Margryttsjerke van Boksum
Het orgel is vermoedelijk gebouwd in 1675-1676 door Jan Harmens Camp, afkomstig uit Berlikum. De oudste kleurlaag was beitsrood.
De orgelkas heeft nu een rood-bruine kleur. In 1810 maakte Wytse Douwes de imitatie-draperie. (*20)
De kleur van de imitatie-draperie is blauw; met wit worden de plooien geaccentueerd. In het midden vier kleinere delen, die opgehaald
worden door embrasses. De zijvleugels zijn in verhouding groot, zij worden in het midden vastgehouden met één koord en
een rozet. Aan de koorden hangen kwasten, de zogenaamde embrasses. Het rozet is aan de onderzijde rood afgewerkt. De draperie is
aan de onderzijde goudkleurig afgewerkt, in overeenstemming met de gouden franje die rond loopt. De verticale zijwangen zijn aan
een eiken korbeel bevestigd. De trekbalk is voorbij de draperie afgezaagd om zicht op het orgel te creëren. De imitatie-draperie
hangt gelijk met de voorzijde van het rugwerk waardoor dit onderdeel wordt geaccentueerd. Hierdoor komt de hoofdkas van het
orgel wat in de 'schaduw' te staan.
De wand achter het orgel is zwart geschilderd om het orgel naar voren te laten springen. In deze kerk is dat slechts ten dele
gelukt omdat de imitatie-draperie het orgel grotendeels omsluit.
JAAP VAN DER VEEN
Eindnoten:
1. C. Willemijn Fock e.a., Het Nederlandse interieur in beeld, 1600-1900, Zwolle, 2001, p.251
2. Kleedsverbeelding is een term uit een kasboek uit het Friese Boksum waarin de kosten van de draperie werden weergegeven.
3. C.A. van Swigchem, T. Brouwer, W. van Os, Een huis voor het woord, 's-Gravenhage, 1984, p.145
4. Hermanni, Wand- en plafondafwerking in het Nederlandse Interieur, lezing 13 mei 2014
5. S. ten Hoeve, Orgelgordijnen in Friese kerken, Friese Orgelkrant 2016, p. 17-20
6. C. Willemijn Focke, p. 278
7. S. Tuinstra, Orgel-Loppersum-weer-in-gebruik-na-restauratie-en-reconstructie, Orgelnieuws, 2019
8. Onder redactie van M. de Beyer, A. Reinstra, P. Verhoeven, Kerkinterieurs in Nederland, WBOOKS, 2016, p.191
9. Zie bijlage 1
10. S. ten Hoeve, Orgelgordijnen in Friese kerken, Friese orgelkrant 2016, Stichting Organum Frisicum
11. F.J. ter Beek, De Hervormde kerk te Breukelen in Jaarboekje Niftarlake 1985, p.24-44, uit kerkelijk archief A1a en B58b, 1787
12. R. van Straten, vriendelijke mededeling
13. Archief Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
14. J. Jongepier, p. 53
15. C.A. van Swighem, p. 141
16. L. Simis, H. Janse, Schilder- en verfkunst, Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, 1992, RV bijdrage 13, p. 78
17. W. Hansma, De Laurentiuskerk van Raerd, Gorredijk 2012, p. 59
18. S. ten Hoeve, Orgelgordijnen in Friese kerken, Friese Orgelkrant 2016, p. 17-20
19. J. Jongepier, Het orgel van Blessum gerestaureerd, Keppelstok nr. 54, juni 1997, p.63
20. A. van Beek, De restauratie van het orgel in de Sint Margarethakerk te Boksum 2011-2013, uitgave Stichting Alde Fryske Tsjerken, 2013, p.2