De orgelmakers Van Dam waren bijna anderhalve eeuw actief. Vier generaties leidden van 1779 tot 1927 het in Leeuwarden gevestigde bedrijf. De eerste en de derde generatie waren beide
heel lang 'aan de macht'. Het bewind van de tweede generatie duurde maar van 1820 tot 1846. Ook dat van de vierde generatie duurde niet zo lang.
In zijn boek over vijf eeuwen Friese orgelbouw stelt Jan Jongepier vast dat die tweede generatie 27 orgels bouwde, waarvan er 11 verloren zijn gegaan. In onze provincie kunnen we ze nog bewonderen
in Wierum, Engwierum, Lekkum, Peins, Dongjum, IJlst, Oosthem, Stiens, Jelsum, Franeker, Hemelum, Vrouwenparochie en Sint Jacobiparochie.
Het zijn fascinerende instrumenten. De broers Jacob (1787-1839) en Luitjen Jacob (1783-1846) slaan nieuwe wegen in en verlaten in een aantal opzichten de 18e-eeuwse patronen. Het begin van die ontwikkeling
is al zichtbaar en hoorbaar in de latere orgels van hun vader Lambertus (1744-1820). In het oog springend is bij tweeklaviers orgels het verdwijnen van het rugwerk ten gunste van het bovenwerk. Er verschijnen
ook nieuwe registers, zoals het Carillon. Een indrukwekkende prestatie leverden Jacob en Luitjen Jacob met de bouw van een drieklaviers orgel voor de Leeuwarder Galileërkerk (1832). Na de sloop van deze kerk
in 1940 bevond het orgel zich 15 jaar lang in opslag, waarna het een nieuw leven gegund werd in de Grote Kerk van Tholen. De klank van de 'tweede-generatie-orgels' laat zich niet zo gemakkelijk in algemene
termen beschrijven. Dat komt voor een deel doordat een aantal van die orgels een aanzienlijk percentage ouder pijpwerk bevat. Zo klinkt in Engwierum (1823) Müller mee en in Franeker (1842) onder meer Radeker.
Men hoort daar dus maar ten dele Van Dam II.
De niet zo eenduidige identiteit van deze orgels maakt restauratie ervan steeds weer tot een spannend avontuur. Deze restauraties helpen ons de klankwereld van Luitjen Jacob en Jacob beter te leren kennen.
Een openbaring is wat dat betreft de in december 2023 door Bakker & Timmenga voltooide restauratie van het Van Dam-orgel in de Bordenakerk van Vrouwenparochie.
Op 31 januari 1844 werd het opgeleverd met de volgende dispositie:
Bijna een eeuw lang, tot 1943, bleef het orgel ongewijzigd. Toen sloeg het 'vooruitgangsdenken' toe en is er grondig in het Van Dam-orgel ingegrepen door Valckx & Van Kouteren. De drie spaanbalgen werden
vervangen door een magazijnbalg. Op het hoofdwerk werden twee dispositiewijzigingen doorgevoerd: de Quint werd vervangen door een Violon 8' en de Trompet door een Mixtuur. Op de vrije plaats op het bovenwerk,
bestemd voor een Gemshoorn 2', verscheen een Aeoline 8'. De Viool de Gambe disc. werd een volledig register door combinatie met de bas van de Fluit dolce. In een voornamelijk uit plaatwerk opgetrokken aanbouw
achter het orgel werd een pneumatisch functionerend vrij pedaal gerealiseerd (Subbas 16', Gedekt 8'). C-d1 van de Bourdon 16' van het hoofdwerk werden daartoe van de hoofdwerklade verwijderd en kregen een plaats
op de pneumatische pedaallade. Als transmissie vanuit het pedaal konden ze hun rol in de manuaal-Bourdon blijven vervullen. Veel pijpwerk werd verschoven en van expressions voorzien. De afsluiters verdwenen en
er kwam een moderne tremulant. Er werden nieuwe registerknoppen vervaardigd met in de knoppen aangebrachte naamplaatjes in een modern lettertype. De oude registerstrips met gouden belettering verdwenen.
Een nieuw modern vormgegeven voetklavier werd gemaakt met een omvang C-d1. Uiteraard was toen ook een nieuwe orgelbank noodzakelijk.
In 1964 werkte de firma Pels aan het orgel. Pedaalwalsbord en pedaalkoppel werden vernieuwd.
Al spoedig bleek het resultaat van de werkzaamheden van Valckx & Van Kouteren zowel technisch als artistiek van twijfelachtige kwaliteit te zijn. Er traden veelvuldig storingen op en het klankbeeld van
het orgel was verward. In de jaren '80 vervaardigde Jan Jongepier een rapport waarin hij terugkeer naar de situatie van 1844 bepleitte als enige mogelijkheid om het orgel weer een identiteit te geven. Zijn
rapport is in grote trekken het uitgangspunt geweest van de restauratie die in 2023 onder advies van Theo Jellema door Bakker & Timmenga is uitgevoerd. Bijna alle ingrepen van 1943 zijn ongedaan gemaakt en
het Van Dam-orgel van 1844 is daarmee bijna volledig teruggekeerd. De werkzaamheden waren dan ook zeer omvangrijk.
De in 1943 verlegde windkanalen werden met inbegrip van afsluiters en tremulant gereconstrueerd. Windladen en mechanieken werden gerestaureerd. Door Valckx & Van Kouteren verplaatste pijpen herkregen
hun oorspronkelijke positie, expressions werden dichtgemaakt en latere intonatie-ingrepen werden zoveel mogelijk geëlimineerd; Van Dam-steminrichtingen werden gerehabiliteerd. Op het hoofdwerk werd de
Violon uit 1943 vervangen door een nieuwe naar Van Dam-voorbeeld gemaakte Quint 3'. De Aeoline die Valckx op de vrije plaats in het bovenwerk had gezet werd verwijderd ten gunste van een Gemshoorn 2',
die Van Dam had bedoeld en die naar historisch voorbeeld kon worden gemaakt. Ontbrekende pijpen in bestaande registers zijn bijgemaakt.
Een bijzonder verhaal is de terugkeer in de dispositie van een Trompet op het hoofdwerk. Ruim voordat aan de restauratie van het orgel van Vrouwenparochie werd begonnen, werd ik benaderd door de
orgelbouwer Loek van Nes met de vraag of er een goede bestemming zou zijn voor tongen, lepels, koppen en stemkrukken van een Van Dam-trompet. Ik moest op zijn vraag het antwoord schuldig blijven,
maar toen in 2022 de restauratie van 'Vrouwbuurt' actueel werd, besefte ik dat ik me had moeten realiseren dat in 1943 het Vrouwbuurtster Trompet-register verdwenen was. Navraag bij Van Nes leerde
dat de Trompet-onderdelen inmiddels in bezit waren van de orgelmaker Sander Booij. Deels uit zijn herinnering, deels door recente naspeuringen kon Van Nes ook vertellen waar de Trompet-onderdelen
vandaan kwamen en welke zwerftocht ze gemaakt hadden. Het bleek dat het ging om de Trompet van het orgel dat Van Dam in 1852 bouwde voor het orgel in de kerk van de afgescheidenen in Sneek. Dat orgel
kwam in 1938 terecht in de Onze-Lieve-Vrouw-van-Goede-Raadkerk in Utrecht. Toen deze kerk in 1990 gesloten werd, kwam het orgel in opslag bij de firma Elbertse in Soest. Het Trompetregister werd via
Elbertse bezit van Loek van Nes, die het later overdeed aan Sander Booij. Alhoewel bekend is dat de oorspronkelijke Trompet van Vrouwenparochie cilindrische metalen bekers heeft gehad terwijl de Sneker
Trompet rechthoekige houten stevels had, hebben orgelbouwer en adviseur met beide handen de kans aangegrepen om Van Dam-onderdelen die zoveel jaren op een bestemming hebben gewacht, weer een plaats te
geven in een Van Dam-orgel. Er zijn prachtige houten stevels bijgemaakt en ze bleken nét in het orgel te passen.
De manuaalkoppel werd teruggebracht in de unieke positie en uitvoering van 1844: een klein 'registerknopje' midden onder het ondermanuaal. Naar Van Dam-voorbeeld werden een nieuw voetklavier (omvang C-g0),
nieuwe registerknoppen, nieuwe registerstrips met opschriften in goudverf en een nieuwe orgelbank gemaakt. Het spreekt vanzelf dat ‘voorbeeldorgels’ van Van Dam werden bezocht, die zowel voor vormgeving
als klankgeving richtinggevend waren. Het waren de orgels van Sint-Jacobiparochie (1845) en Hemelum (1843).
Het uitgangspunt ‘terug naar 1844’ is niet helemaal zonder compromissen ten uitvoer gebracht.
De magazijnbalg uit 1943 (die toen de oorspronkelijke drie spaanbalgen verving) is gebleven. Dat geldt ook voor de uitbreiding van de Viool de Gambe discant met de bas van de Fluit dolce. Ook is de
originele kleur van het orgel niet teruggekeerd. Uit sporen in de orgelkas blijkt dat die imitatie-mahonie is geweest. Later is daarvoor een donker imitatie-eiken in de plaats gekomen. Dat heeft in het
kader van de restauratie van het kerkinterieur enige jaren geleden moeten wijken voor ivoorwit. De kerkrentmeesters hebben ervan afgezien om binnen een zo kort tijdsbestek de kas alweer opnieuw te
schilderen; het ivoorwit is dus gebleven.
De restauratie is uitgevoerd door Bakker & Timmenga (Leeuwarden) met medewerking van de orgelmaker Henk Heideveld (Beilen) voor de restauratie van de bovenwerklade en van de firma Reil (Heerde) voor
een deel van de pijpwerkreconstructie en de intonatie. De beschrifting van de strips met de registernamen werd uitgevoerd door L.K. van der Meer (Mantgum). Adviseur was Theo Jellema. Het orgel is officieel
in gebruik genomen op 2 maart 2024. Aan deze restauratie werd financieel bijgedragen door Stichting Organum Frisicum.