De Voorjaarsexcursie start in Woudsend. Daar bezoeken we twee kerken.
Vervolgens gaat de tocht naar Sneek, waar eveneens twee kerken bezocht worden.
Woudsend
Dit dorp met rond de 1500 inwoners, ligt in het hart van het Friese merengebied en was tot in de 19e eeuw vrijwel alleen over water bereikbaar.
Dankzij de gunstige ligging aan belangrijke vaarverbindingen ontwikkelde het dorp zich tot een handels- en scheepvaartnederzetting en groeide het
in de loop van de 20e eeuw uit tot een watersportplaats. Woudsend heeft een lange lijst aan rijksmonumenten, waaronder de beide kerken die we
vandaag bezoeken, en het oude dorp is sinds 1980 beschermd dorpsgezicht.
De naam Woudsend wordt voor het eerst genoemd in 1337, het jaar waarin er een klooster van de orde van de Karmelieten gesticht wordt. Het was een
klein klooster met ongeveer 20 geestelijken die zich richtten op praktische zielzorg en onderwijs. In 1580 kwam met de reformatie een eind aan het
kloosterleven en alle bezittingen vervielen aan de staat. De prior bleef nog tot 1593 in het inmiddels tot een ruïne geworden klooster wonen, waarna
het werd afgebroken.
Het enige tastbare dat nu nog aan het klooster herinnert is een rode zandsteen die in 1916 werd opgegraven, met aan de voorkant een Petrusfiguur en
aan de achterkant Maria met het kindje Jezus. De steen bevindt zich momenteel in het Fries Museum.
Karmelkerk
Toen vanaf 1580 protestantse diensten gehouden werden in de kloosterkerk was deze reeds oud en vervallen. In 1660 kwam er daarom een nieuwe kerk,
maar die moest 177 jaar later ook alweer worden afgebroken. In 1837 werd de eerste steen gelegd van de huidige ‘waterstaatskerk’, die de naam van
het klooster bleef dragen. De neoclassicistische kruiskerk heeft een middenrisaliet met dorische zuilen en een zware houten bovenbouw met een
koepeltorentje. Het interieur is meerdere keren ingrijpend veranderd.
Het plantsoen voor de kerk, het Âld Tsjerkhôf, was tot 1933 het kerkhof van Woudsend.
Het orgel
Twee jaar nadat de nieuwe kerk in gebruik werd genomen werd een orgel geplaatst door orgelmaker J.C. Scheuer uit Zwolle. Scheuer bouwde in totaal vier
orgels in Friesland, waarvan de grootste in de Doopsgezinde kerk in Sneek staat. Vorig jaar tijdens de najaarsexcursie hebben we het Scheuer-orgel in
Holwert nog kunnen beluisteren.
In Woudsend kwam een tweeklaviers orgel met vrij pedaal. Vanwege de beperkte ruimte was er geen plaats voor een rugwerk en om die reden werd gekozen voor
een klein bovenwerk. Het brede front kan verklaard worden door de aanwezigheid van het vrij pedaal, dat te danken is aan de adviseur, de heer S.W. Velds,
organist van de Martinikerk te Sneek, die daar een warm voorstander van was.
Een eeuw later was een grondige restauratie van het orgel noodzakelijk. Firma Bakker & Timmenga, dat inmiddels gerund werd door Bernard Timmenga kwam met
een uitvoerig plan voor restauratie en ombouw van het orgel, waarbij het klavier van de achterkant van het orgel naar de zijkant zou verhuizen. Gezien het
hoge bedrag werd ook gevraagd om een offerte voor een geheel nieuw orgel. Ook orgelmaker J. de Koff & Zoon uit Utrecht werd om een offerte gevraagd, maar
uiteindelijk werd voor Bakker & Timmenga gekozen, die een nieuw orgel voor de kerk mochten bouwen voor het bedrag van 6300 gulden. Het hoofdwerk van het
Scheuer-orgel werd overgeplaatst naar Kollumerpomp, maar belandde later in de hervormde kerk te Gasselte. Het bovenwerk kwam terecht in de Witte Kerk te
Hemrik.
Het nieuwe orgel bestond, evenals zijn voorganger, uit twee klavieren en een vrij pedaal. In 2016 werd het orgel grondig gerestaureerd door Bakker & Timmenga.
Bernard Timmenga beschouwde dit orgel in Woudsend als zijn mooiste instrument.
Sint-Michaëlkerk
De Sint-Michaëlkerk is de enige bewaard gebleven schuilkerk in Fryslân en de oudste rooms-katholieke kerk in de provincie. Nadat het klooster verdwenen
was bleef een deel van de boeren in de omgeving clandestien kerken in boerderijen, maar in 1648 werd Woudsend een statie met een vaste priester in een
eigen huis. Vanaf 1790 mochten katholieken (en ook doopsgezinden) weer eigen kerken bouwen, zij het onder strenge voorwaarden. In Woudsend kwam in 1792
een schuilkerk met o.a. de volgende beperkingen: geen toren, geen orgel, geen opvallende ramen, het gebouw moest ommuurd worden en de zuidzijde van de
muur moest door klimop aan het zicht onttrokken worden. Toen dankzij een liberale grondwet in 1848 de laatste beperkingen voor katholieken werden opgeheven,
verdwenen de meeste schuilkerken en werden er nieuwe gebouwd. In Woudsend is de schuilkerk echter bewaard gebleven. In 1933 werd de schuilkerk verlengd en
kwam er ook een toren met een klok. De kerk was in de eerste jaren eenvoudig ingericht, maar werd in de loop van de jaren verrijkt met schilderingen uit
verschillende periodes, acht neogotische heiligenbeelden van gips en twaalf gebrandschilderde ramen. Het altaar en de gemarmerde houten altaartombe met
elementen in Lodewijk XVI-stijl zijn nog uit de bouwtijd overgebleven.
Het orgel
Orgelmakers Albertus Gruisen & Zoonen bouwden in totaal twaalf eenklaviers orgels, maar van deze collectie is helaas niet veel overgebleven.
Een uitzondering hierop is het volkomen onaangetaste orgel van de hervormde kerk te Hichtum uit 1795. Het orgel in Woudsend, gebouwd in 1811,
neemt ook een bijzondere positie in: het is het enige schuilkerkorgel dat nog op de oorspronkelijke locatie staat. Dit is mede te danken aan
het feit dat de kerk niet is vervangen, maar vanuit de oude schuilkerk is uitgegroeid tot een volwaardige katholieke kerk. Het orgel onderging
in de 20e eeuw veel wijzigingen, ook in de dispositie. In 2011 werd het echter geheel gerestaureerd door orgelmakerij Pels & Van Leeuwen en kreeg
daarbij zijn oorspronkelijke dispositie weer terug.
Sneek
Al in de Romeinse tijd wordt het gebied waar nu Sneek ligt bewoond. In de 3e eeuw hebben de bewoners het gebied tijdelijk verlaten, maar vanaf de 8e
eeuw is het steeds bewoond geweest. Sneek is ontstaan op een zandige oeverwal in een veengebied. Op die zandophoging werd rond het jaar 1000 een houten
kerkje gebouwd en geleidelijk ontstond er een kleine nederzetting met de naam Ter Snake, wat ‘gelegen op een landtong’ betekent.
Toen in de 13e eeuw diverse vaarten en grachten in de omgeving van het dorp met elkaar verbonden werden, lag Sneek aan vaarroutes naar o.a. Stavoren,
Bolsward, Leeuwarden en Dokkum. Sneek groeide uit tot een handelsplaats.
In 1462 stichten de Kruisbroeders in Sneek het klooster Jeruzalem. De Kruisbroeders was een kloosterorde die na de kruistochten in de 12e en 13e eeuw in
Europa is ontstaan. Een jaar later, in 1463, werd ook een vrouwenklooster gesticht in Sneek, het Groendijk- of Olijfbergklooster. Het klooster was omgracht.
Op exact dezelfde locatie is nu de Joodse begraafplaats. In het klooster woonden vanaf ongeveer 1474 zusters van de derde orde van Sint Franciscus, de zgn.
Grauwe Begijnen.
Van de kloosters is niets meer over; wel van de bekende Waterpoort, icoon van de stad. De Waterpoort werd dertig jaar na de kloosters gebouwd, rond 1492,
tegelijk met de stadswal rond de stad. De poort diende om de toegang tot de stad over water te kunnen afsluiten. Sinds 1613 heeft de poort geen militaire
functie meer en is toen verbouwd tot sierpoort. Vanaf dat moment heeft de Waterpoort in grote lijnen het uiterlijk wat ze nu nog steeds heeft.
Martinikerk
Terug naar de landtong waar het allemaal begon. Op de plek waar het eerste kerkje gebouwd werd rond het jaar 1000, staat nu nog steeds een kerk: de
Martinikerk. De kerk is genoemd naar de beschermheilige van de stad, de Heilige Maarten van Tours, in de volksmond meestal Sint Maarten genoemd. De
huidige kerk dateert van 1498. Het Romaanse westfront had oorspronkelijk drie torens. In 1681 stortte het front in, inclusief de middelste toren. De
andere twee torens werden afgebroken. De zwaar beschadigde kerk werd weer opgebouwd, maar de torens niet. De plaatsen waar de torens stonden zijn op
het oude kerkhof zichtbaar gemaakt door een verhoogde plek.
In 1580 ging de kerk over in protestantse handen. Het interieur versoberde: altaren en beelden gingen eruit, het orgel mocht niet meer gebruikt worden.
In de 17e eeuw is de kerk wel weer wat ‘aangekleed’ met schilderstukken en tekstborden en ook het orgel werd weer gebruik voor het begeleiden van de
gemeentezang. Maar tijdens de Bataafse omwenteling (1795), onderdeel van de Bataafse Revolutie (1794-1799) werden de gebrandschilderde ramen vervangen
door helder glas en de ‘voorname’ rouwborden en familiewapens op de banken werden verwijderd.
Bijzonder is het carillon van de Martinikerk. Het is het omvangrijkste van Friesland, meer dan 4 octaven. De geschiedenis van het carillon gaat terug
tot de tweede helft van de 16e eeuw. Toen hing er in een dakruiter op de Martinikerk een kleine voorslag, die automatisch d.m.v. een speeltrommel de
uurslag aankondigde. Deze voorslag bestond uit negen klokjes. Rond 1712 werden het veertien klokken, in 1771 zesentwintig, nu in een koepel op de kerk,
in 1955 drie octaven en in 1970 vier octaven. In 1998 vond er een uitgebreide renovatie plaats waarbij de beiaard met 1 basklok en twee kleine
discantklokjes werd uitgebreid tot 50 klokken. Het carillon is in Es gestemd in evenredig zwevende temperatuur.
Bob van der Linde, organist van de Martinikerk, is sinds zomer 2023 tevens stadsbeiaardier van Sneek.
Het orgel
In de Martinikerk werd in de jaren 1710-1711 op de scheiding tussen het schip en het koor van de kerk op een nieuwe galerij een orgel gebouwd door de
beroemde orgelmaker Arp Schnitger. Het orgel had een hoofdwerk, rugwerk, borstwerk en een vrij pedaal. Het was in die tijd een van de grootste en
modernste orgels in Friesland.
Voor orgelliefhebbers en orgelkenners is een Schnitger-orgel niet alleen een begrip, het roept ook direct een bepaald orgeltype en klankbeeld op.
Wat de verschijningsvorm betreft klopt het Schnitgerbeeld in Sneek. Wat de klank betreft is dat lange tijd wel wat anders geweest. Pas bij een groot
onderhoud in 2011 is het Arp Schnitger-concept enigszins teruggebracht.
Na de bouw van het orgel is in de loop der jaren de dispositie flink gewijzigd. In 1898 werd het orgel verbouwd door de orgelmakers Van Dam. Pijpwerk en
laden van rugwerk en borstwerk werden verwijderd. Er kwam een groot bovenwerk in een zwelkast voor in de plaats. Die zwelkast had twee posities: open of
dicht. Het wekte wel de suggestie dat het orgel een drieklaviersinstrument was. Ook de windvoorziening werd vernieuwd. Het uitgangspunt bij deze verbouwing
was het orgel zoveel mogelijk geschikt te maken voor de moderne concertpraktijk, zoals bv. samenwerking met solisten. Het klonk meer als een ‘symfonisch’
orgel of romantisch orgel dan een Schnitger-orgel.
Bij verschillende restauraties werd het principe van het Van Dam-concept gehandhaafd. In 1925 werd het tot dan aanwezige Schnitger-pedaal verwijderd en
vervangen door een pneumatische pedaallade met zinken pijpwerk. Ook in de jaren 1986-1988 werd bij de restauratie het Van Dam-concept uit 1898 nog
gerespecteerd. Wel werden er nieuwe laden en pijpwerk in Schnitger-factuur gemaakt voor het rugwerk en het pedaal. De restauratie werd uitgevoerd door
de firma Bakker & Timmenga te Leeuwarden.
In 2011 is door dezelfde firma groot onderhoud aan het orgel gepleegd. Het hoofdwerkplenum is zo veel als mogelijk in Schnitger-stijl teruggebracht,
waarbij o.a. de oude discant van de Prestant 8’ weer opnieuw is aangesloten. Dit register is momenteel één van de weinige origineel bewaard gebleven
frontprestanten van Arp Schnitger! Verspreid over 11 registers bleven ongeveer 550 pijpen van Schnitger bewaard waaronder alle frontpijpen.
Bij de verbouwing van de kerk in 2023 is er ook onderhoud aan het orgel gepleegd. Orgelbouwer Bakker & Timmenga heeft dit onderhoud uitgevoerd. Het
folie op de zinken pijpen in de pedaaltorens is daarbij vervangen. Ook zijn enkele gecorrodeerde conducten van het pedaal vervangen.
Koororgel
In 2022-2023 is de Martinikerk verbouwd. Er is een ellipsvormige groene aanbouw gerealiseerd met een centrale ontmoetingsruimte en een aantal zalen. Ook
aan de binnenzijde van de kerk is één en ander verbouwd en toegevoegd. Zo is er nu een groter podium dat meer geschikt is voor muziekuitvoeringen. En het
koororgel heeft een gunstiger plek gekregen in de kerk waardoor het beter ingezet kan worden waarvoor het bedoeld is.
Het koororgel werd in 1985 in gebruik genomen. Het is gebouwd door J.L. van den Heuvel uit Dordrecht naar een ontwerp van de beroemde Franse orgelbouwer
Cavaillé-Coll. Cavaillé-Coll publiceerde in 1889 (voor de wereldtentoonstelling in Parijs) ‘Orgues de tous modèles’. Het orgel dat onder nummer 8 in deze
lijst staat is voor Van den Heuvel het voorbeeld geweest voor het koororgel in Sneek. Bij Cavaillé-Coll was het een klein eenklaviers orgel met zes stemmen.
Door Van den Heuvel zijn enkele wijzigingen aangebracht t.o.v. het originele ontwerp. Er werden een Montre 8' alsmede een Soubasse 16' voor het Pédale
toegevoegd (laatstgenoemde werd geplaatst in 1996). Het gehele binnenwerk staat in een ‘Boite Expressif’ (zwelkast) opgesteld, zoals ook Cavaillé-Coll dat
bij kleinere instrumenten vaak deed.
Een leuke connectie tussen Cavaillé-Coll en Sneek is dat zijn werkplaatsvoorman Piet Veerkamp (1849-1923) geboren en getogen was in Sneek.
Alle materialen en onderdelen zijn nauwkeurig uitgevoerd in de stijl van Cavaillé-Coll. De kas is van massief (gerookt) eikenhout en voorzien van een waslaag.
De mechanieken zijn niet ingevoerd. De balg voor de windvoorziening is uitgevoerd met een dubbele vouw en voorzien van een harmonicakanaal vanaf het bovenblad
naar de onderkant van de windlade. Het pijpwerk wordt gekarakteriseerd door een hoog tingehalte.
Hoewel het orgel in november 1985 werd opgeleverd, is het pas op 27 mei 1986 officieel in gebruik genomen door organist en adviseur Dirk S. Donker.
Tirasse (= pedaalkoppel)
Expressiontrede
Winddruk: 90 mm WK
Al het pijpwerk van het manuaal, uitgezonderd de Montre, is in een zwelkast geplaatst.
Sint-Martinuskerk
In één zin: De Sint-Martinuskerk in Sneek is de rooms-katholieke, driebeukige, neogotische, pseudo-basilikale kruiskerk, ontworpen door architect Pierre
Cuypers, en gewijd aan Martinus van Tours.
Het gebouw, dat in 1872 in gebruik is genomen, is onvoltooid gebleven: een dominerende toren aan de westzijde ontbreekt.
De mooie gebrandschilderde ramen zijn gemaakt door het bekende atelier F. Nicolas en Zonen. Cuypers werkte veel samen met dit glasatelier, wat uitgroeide
tot de grootste onderneming op dit gebied.
De Sint-Martinuskerk van Sneek is in haar architectonische vormentaal en haar aankleding geënt op de 13e eeuwse Franse gotiek, met referenties aan de
laat-romaanse architectuur van Rijn- en Maasland. Maar er is ook aangesloten bij de inheemse architectuur van de noordelijke provincies, bv. in de brede
bundelpijlers en in de baksteenpolychromie en gebakken profielstenen. De venstergroepen zijn weer Engels geïnspireerd. Kortom, hier is sprake van een
‘virtuoos eclecticisme’.
In de verdere architectuurgeschiedenis heeft de kerk een rol gespeeld door middel van de architect Nicolaas Molenaar, geboren in Sneek in 1850. Als jonge
opzichter was hij nogal onder de indruk gekomen van het project in zijn geboortestad. In het werk van Molenaar keren steeds motieven terug die refereren
aan zijn sensationele jeugdervaringen in de bouwonderneming van zijn leermeester Cuypers in Sneek. (De meeste kerken van Molenaar zijn inmiddels verdwenen.)
Sint-Martinuskerk
Het orgel, gebouwd door Maarschalkerweerd en opgeleverd in 1891, bevindt zich boven de ingang van de kerk. Voor de orgelkas staat de losstaande speeltafel.
Een Barkermachine helpt de bespeler van het orgel bij het openen van de ventielen in de windlade. Het orgel heeft 27 registers, verdeeld over Hoofdwerk,
Zwelwerk en Pedaal. Zes van de 27 registers zijn tongwerken.
De bouw van het orgel werd mogelijk dank zij een legaat van een parochiaan. Van het onvoorstelbaar grote bedrag dat de kerk werd geschonken werd o.a. het
orgel gebouwd voor ƒ11.500. Het orgelfront is vlak, in een terughoudende neogotische vorm uitgevoerd. Vermoedelijk was dat omdat de kerk op het moment van
oplevering van het orgel nog niet voltooid was; de eerste travee en een hoge toren moesten nog gebouwd worden. De westgevel van de kerk was slechts een
voorlopige, evenals de ‘koor- en orgelzolder’. Nog steeds staat de voorlopige westgevel er en ook het orgel staat waarschijnlijk nog in een voorlopige
‘simpele’ orgelkas.
In het concept van het orgel zijn vooral Franse invloeden te herkennen (speeltafel, Barkermachine), maar het klankbeeld is Maarschalkerweerd.
Sinds 1940 werden er verschillende plannen ontwikkeld om het orgel te veranderen en in 1963 heeft de kerk zelfs geprobeerd het orgel te verkopen. In 1968
is het orgel gerepareerd door Vermeulen uit Alkmaar In 1965-1967 restaureerde Flentrop Orgelbouw uit Zaandam het. Frits Haaze, organist van de kerk, schrijft
dat het klankbeeld nu heel interessant is, met bv. een boventoonrijke Prestant 8’ en Octaaf 4’ als basis voor de Mixtuur; met een wat rondere klank van
Quint 3’ en Octaaf 2’, die mooi aansluit bij de Cornet.
Jan Jongepier noemt in zijn boek ‘Vijf eeuwen Friese orgelbouw’ het orgel een monumentaal instrument, het belangrijkste romantische orgel van Noord Nederland.