Door al het geweld rondom Chopin, Schumann of Mahler, wordt Wilhelm Friedemann Bach lichtelijk vergeten. Geheel ten onrechte. Hoewel zijn
beroemde vader een grote schaduw heeft geworpen, gold Friedemann in zijn tijd als één van de grootste organisten en was zeer bekend door
zijn improvisaties. Daarom dit jaar ter gelegenheid van zijn 300e geboortejaar aandacht in de Friese Orgelkrant voor deze zoon van Johann
Sebastian Bach.
Clavier-Büchlein vor Wilhelm Friedemann Bach *
Wilhelm Friedemann Bach werd geboren op 22 november 1710 in Weimar, waar zijn beroemde vader toen hoforganist was van de hertog
van Saksen-Weimar. Hij was de eerste zoon van Johann Sebastian en na Catharina Dorothea het tweede kind. Friedemann is vernoemd naar de
advocaat dr. Paul Friedemann Meckbach, een oude vriend van zijn vader in Mühlhausen. Hij was samen met een dochter van dominee Eilmar,
Anna Dorothea Hagedorn, en Wilhelm Ferdinand Baron von Lyncker (kamerheer van de hertog), peetouder van Friedemann.
Friedemann groeide op in een omgeving met muziek van de hoogste kwaliteit. In huize Bach werd constant gemusiceerd en er liepen altijd
leerlingen van Sebastian rond. Dit blijkt ook wel uit het antwoord dat Sebastian gaf op de vraag waarom Friedemann en Carl Philipp Emanuel
zo goed waren: "Omdat ze vanaf hun vroegste jeugd de gelegenheid hadden in hun ouderlijk huis goede muziek te horen en geen andere.
Al zeer jong, nog vóór ze enig onderwijs hadden genoten, waren ze daarom reeds gewend aan het allerbeste in de kunst." Friedemann
kreeg zijn eerste lessen toen hij zeven jaar oud was. De familie Bach was toen net verhuisd naar het calvinistische hof van prins Leopold
van Anhalt-Köthen in Köthen, waar Sebastian was aangesteld als kapelmeester. Sebastian richtte zijn lessen aan Friedemann net zo in als hij
die zelf had gekregen van zijn oudste broer Johann Christoph. Er werd begonnen met het aanleren van een goede speeltechniek op het klavecimbel
en het orgel (inclusief pedaalspel) en verder werd er een begin gemaakt met het beheersen van verschillende genres en stijlen, zowel vrij
(prelude, toccata) als streng (fuga, ricercare) en met gebruikmaking van een thema of koraalmelodie. Voor het eerste muzikale onderwijs maakte
Sebastian het 'Clavier-Büchlein vor Wilhelm Friedemann Bach'. Sebastian begon hiermee op 22 januari 1720, toen Friedemann 9 jaar was, en gaf
het aan Friedemann op zijn tiende verjaardag. Het Clavier-Büchlein begint met drie bladzijden over sleutels, toonsoorten, versieringstekens,
vingerzettingen en een korte oefening in C-groot. Daarna een paar korte stukken in makkelijke toonsoorten, zoals praeambula, koraalzettingen
en dansen. Bach liet lege bladzijden vrij voor de eerste composities van Friedemann. Dan volgen stukken van Sebastian zelf, zoals vroege versies
van de preludes uit Das Wohltemperierter Klavier en vroege versies van de tweestemmige Inventionen en de driestemmige Sinfonias, als oefeningen
in fugatische stijl. Hier worden inmiddels ook al lastiger toonsoorten gebruikt als cis en es. Het Büchlein wordt afgesloten met suites van Telemann,
Johann Christoph Richter en Gottfried Heinrich Stölzel. Sebastian had hiermee uniek en vernieuwend lesmateriaal ontwikkeld en zou dit later als
proeve van zijn pedagogische kwaliteiten voorleggen aan de sollicitatiecommissie in Leipzig.
Sebastians invloed
Op 22 mei 1723 verhuisde de familie Bach naar Leipzig waar Sebastian was aangesteld als cantor van de Thomasschule. Dit kwam Sebastian goed
uit, omdat zijn positie in Köthen steeds minder interessant werd en zijn zonen nu in de gelegenheid waren om goed voortgezet en universitair
onderwijs te ontvangen. Omdat Sebastian zelf nooit een academische vorming had gehad, wilde hij ervoor zorgen dat zijn zoons die zeker wél
kregen. Sebastian schreef Friedemann, kort na aankomst in Leipzig, direct in voor toelating aan de universiteit over enkele jaren. Hij gaf
het bewijs van inschrijving met Kerstmis aan Friedemann ten geschenke.
Friedemann was twaalf jaar ten tijde van de verhuizing en kwam in de 'tertia', de vierde klas van de Thomasschule. Friedemann was heel intelligent
en al goed geschoold in Grieks en Latijn. Ook hier hield Sebastian zich intensief bezig met de (muzikale) opleiding van Friedemann en schreef
voor hem de zes Triosonates (BWV 525-530). Dat deze werken behoren tot het beste wat Sebastian voor orgel geschreven heeft, geeft aan hoeveel
tijd en zorg hij besteedde aan zijn oudste zoon. Friedemann kreeg van zijn vader een uiterst gedegen muzikale opleiding, maar Sebastian was nog
niet tevreden wat betreft zijn geliefde 'Friede' (de huiselijke naam van de oudste jongen). Het leek hem een essentieel onderdeel van de muzikale
opleiding dat Friedemann bij een uitstekend violist ging studeren en daarom zond hij hem in 1726 naar Merseburg om bijna een jaar te studeren en
te werken bij Johann Gottlieb Graun, leerling van Tartini en latere collega van Carl Philipp Emanuel in Berlijn. Toch bleef Friedemann's belangstelling
vooral gericht op toetsinstrumenten. Na terugkomst uit Merseburg studeerde Friedemann verder aan de Thomasschule en deed in 1729 examen. Na
zijn examen ging Friedemann naar de universiteit en studeerde daar gedurende vier jaar rechten, filosofie en wiskunde. In 1729 reisde Friedemann
overigens ook naar Halle om daar Georg Friedrich Händel te ontmoeten. Sebastian wilde heel graag Händel ontmoeten, maar was toen helaas ziek zodat
hij Friedemann in zijn plaats stuurde om Händel uit te nodigen naar Leipzig te komen, hetgeen deze weigerde.
Op eigen benen
Aan het eind van zijn studie aan de universiteit blijkt weer de dominante rol van zijn vader. Sebastian schreef op 7 juni 1733 eigenhandig de
sollicitatiebrief toen Friedemann meedong naar de organistenpost in de Sophienkirche van Dresden. Sebastian ondertekende deze brief zelfs met
zijn eigen handtekening en dezelfde dag stuurde hij ook nog een aanbevelingsbrief naar het kerkenraadslid dat belast was met de aanstelling van
de nieuwe organist. Hij maakte zelfs een nette kopie van het Preludium en Fuga in G (BWV 541) voor Friedemann om bij de sollicitatie voor te
spelen. De positie in Dresden was niet een heel belangrijke, maar had een aantal voordelen. Friedemann was verplicht elke maandagochtend om
acht uur te spelen en iedere zondag en feestdag een morgen- en avonddienst. Hij hield dus genoeg tijd over om zijn studie voort te zetten.
En Friedemann had nu de beschikking over het beste orgel van de stad, een orgel van Gottfried Silbermann met 30 registers. Friedemann had
thuis ook al les gegeven aan leerlingen van zijn vader en had in Dresden ook veel (eigen) leerlingen, waaronder Theophilus Goldberg (wiens
naam voortleeft in de bekende Goldberg-variaties die hij voorspeelde aan zijn beschermheer graaf Keyserlingk).
Vanwege de invloed van zijn vader kon Friedemann gemakkelijk contacten leggen met de Dresdener elite en nadat zijn vader in 1736 benoemd was
tot 'Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch hofcomponist' had hij ook een ingang bij de muziekminnende aristocraten van het hof.
Desondanks was het leven in Dresden een cultuurschok voor de instabiele en kwetsbare Friedemann. Thuis was hij streng en sober opgevoed
en dat stond in schril contrast met het uitbundige leven aan het keurvorstelijk-Saksische hof waar met geld gesmeten werd. Friedemann
bleef evenwel altijd een buitenstaander in Dresden. De keurvorst was katholiek teneinde ook koning van Polen te kunnen zijn en daardoor
had een protestantse organist weinig te melden. In 1742 ging ook de post van organist in de Frauenkirche, waar net een nieuw Silbermannorgel
was gebouwd, ging aan zijn neus voorbij. Deze werd ingenomen door Gottfried August Homilius (een leerling van zijn vader). Met het componeren
van wereldse muziek was Friedemann evenmin succesvol. Aan het hof heerste de Italiaanse stijl en de muziek van Friedemann werd te gecompliceerd
en te Duits bevonden. Hij begon dan ook uit te zien naar een andere betrekking en die gelegenheid deed zich in 1746 voor, toen hij
zesendertig jaar was. In de Liebfrauenkirche te Halle kwam de positie van organist vrij en dit was een aanmerkelijk betere positie dan
in Dresden.
Hallesche Bach
In 1746 werd Friedemann als organist in Halle aangesteld. Deze positie was veel uitgebreider dan die in Dresden. Hij was nu ook
verantwoordelijk voor de vocale en instrumentale muziek in de kerk en moest daar ook voor componeren. Hij werd tevens aangesteld
als Director Musices, waarbij hij de beschikking had over een groot koor en een behoorlijke groep instrumentalisten, gevormd uit
de stadsmuzikanten en het Collegium Musicum. Friedemann werd aangesteld zonder het gebruikelijke proefspel te geven, wat nog nooit
eerder voorgekomen was. Waarschijnlijk heeft zijn vader, die nog contacten had in Halle sinds zijn sollicitatie in 1713, enige invloed
doen gelden. En wellicht heeft zelfs Frederik de Grote van Pruisen zijn macht gebruikt om Friedemann aangesteld te krijgen.
Friedemann had in Halle een groot nieuw orgel van Christoph Cuntzius met 65 registers, drie manualen en pedaal. Zijn vader had het
orgel getest in 1716, samen met Johann Kuhnau en Christian Friedrich Rolle. In de Necrologie merkt Carl Philipp Emanuel op: "Ondanks
al zijn kennis van het orgel heeft hij (Johann Sebastian) nooit het geluk gehad, zoals hij vaak met spijt te kennen gaf, een werkelijk
groot en fraai orgel voortdurend tot zijn beschikking te hebben." Omdat zíjn aanstelling, waarschijnlijk om financiële redenen, niet
doorging, zal Sebastian met plaatsvervangend genoegen de benoeming van zijn oudste zoon ervaren hebben. Het leven in Halle vereiste veel
van Friedemann's aanpassingsvermogen. In Halle geen weelderig hofleven en opera. Integendeel, Halle was de afgelopen vijftig jaar het
middelpunt geweest van het Piëtisme, wat de nadruk legde op een ascetisch leven en de genietingen van het leven afkeurde. Muziek was
alleen toegestaan als een middel om 'de gemeente te inspireren voor en te verfrissen tijdens de godsdienstoefening' (zoals het in
het contract van Friedemann stond). Het muzikale klimaat was dus niet heel gunstig voor Friedemann en hij kon zich niets permitteren
dat niet van een voorbeeldig fatsoen getuigde. Friedemann werd heen en weer geslingerd tussen het Piëtisme en de Verlichting, te Halle
gepredikt door Christian Wolff. Hij verloor hier zijn diep-christelijke geloof en dat is te horen in zijn religieuze composities, die
niet het niveau halen van zijn instrumentale werken. Friedemann kon in Halle opnieuw niet deel uit maken van een leidende groep en
kon geen kracht putten uit zijn eenzaamheid. In 1750 overleed zijn vader, die de stabiliserende factor was geweest in het leven van
Friedemann. Friedemann besloot toen, op eenenveertigjarige leeftijd, met de dochter van een belastingambtenaar te trouwen. Samen met
Dorothea Elisabeth Georgi kreeg hij drie kinderen, waarvan slecht één de kinderjaren overleefde.
Nadat hij een aantal malen in conflict met het kerkbestuur raakte begon Friedemann tevergeefs te solliciteren naar andere posten.
In 1762 werd hij uitgenodigd om de functie van Kapelmeester te Darmstadt in te vullen. Dit was een heel goede betrekking en Friedemann
accepteerde deze van harte. Maar hij was koppig en wenste op tweeënvijftigjarige leeftijd niet meer opgejaagd te worden en nam teveel
tijd voor de verhuizing. Friedemann verloor daarom de betrekking, maar mocht de titel van 'Hofkapelmeester van Hessen-Darmstadt' behouden.
Deze is nog terug te vinden op het titelblad van zijn Klavecimbelconcert in e-klein (F 43). Om onduidelijke redenen legde Friedemann in
1764 zijn functie te Halle neer en staakte per direct al zijn werkzaamheden. Hij besloot om verder te gaan als freelance-musicus, wat
bestond uit lesgeven en concerteren op het orgel, meestal als improvisator. Friedemann was een groot improvisator en Carl Philipp Emanuel
vertelt dan ook dat "hij onze vader beter vervangen [kon] dan wij allemaal bij elkaar". Anderzijds schrijft Johann Friedrich
Reichardt: "Zijn improvisaties werkten op den duur vermoeiend, zoals al zijn moeizame composities die het harde, duistere karakter
van de meester kenmerken".
Berlijnse opleving en neergangh
Na zes jaar verlaat Friedemann Halle en begint een rondreizend leven. Overal waar hij komt ontvangt hij lof en eerbied, maar hij was
te oud, te excentriek en te beroemd om nog ergens een bescheiden aanstelling te kunnen krijgen. Hij verblijft een aantal jaren in
Braunschweig, zonder een baan te krijgen. Ook in Göttingen, waar hij Johann Nicolaus Forkel (de allereerste Bach-biograaf) bezocht,
vindt hij geen succes. Friedemann kan maar ternauwernood in zijn levensonderhoud voorzien met concerteren, componeren en het verkopen
van manuscripten van zijn vader.
In 1774 verhuisde hij naar Berlijn waar hij aanvankelijk veel succes oogstte en de gunst genoot van de zuster van de koning, prinses
Anna Amalia. Maar dit was, weer om onduidelijke redenen, van korte duur. Hij kwam weer in grote financiële moeilijkheden
en presteerde het zelfs om werken van zijn vader onder zijn eigen naam uit te geven. Het ging snel bergafwaarts met Friedemann.
Hij was stevig aan de drank en moest financieel worden bijgestaan door vrienden en bewonderaars. Hij verkocht zijn vaders erfenis stukje
bij beetje. Zo bood hij Forkel op een keer de complete partituren van een cantatecyclus aan voor 20 Louis d'or, maar die
had er geen geld voor. Hij verkocht ook de partituur van de Mattheüs-Passion, die in handen kwam van de familie Mendelssohn. Tenslotte
vroeg Friedemann in 1778 zelfs aan Johann Joachim Eschenburg om de restanten van zijn erfdeel te veilen. Friedemann had niet de vechtersgeest
van zijn vader. Door de vele mislukkingen en het gebrek aan waardering voor zijn composities trok hij zich steeds meer terug in zijn eigen
wereld. Toen hij in 1784 in volkomen armoede stierf, berichtte slecht één krant over zijn overlijden.
Composities
Door het intensieve onderwijs van zijn vader nam Friedemann de smaak en de meningen van hem over en daardoor werden zijn werken door
tijdgenoten bestempeld als ouderwets en gecompliceerd, ondanks dat hij wel beïnvloed werd door de 'Empfindsamkeit'. Door zijn tegenslagen
en moeilijke persoonlijkheid vertonen reeds zijn vroege werken een subjectief en zeer emotioneel karakter, en dit nam toe gedurende zijn
leven. Zijn latere werken geven uitdrukking aan een hartstocht, melancholie en gevoelsdiepte waar weinig tijdgenoten aan konden tippen.
Omdat Friedemann in de eerste plaats een improvisator was, zijn er naar verhouding weinig composities van zijn hand. Friedemann heeft zeven
koraalpreludes (F 38) geschreven, die echter van weinig betekenis zijn en niet vergeleken kunnen worden met die van zijn vader. Van meer belang
zijn de twee fuga's met pedaalpartij, de stevige maar ouderwetse Fuga in g-klein (F 37) en de Tripelfuga in F-groot (F 36). In het laatstgenoemde
werk wordt het uitgebreide thema intelligent behandeld en doorwrocht uitgewerkt. De acht driestemmige fuga's (F 31) die hij te Berlijn componeerde
en opdroeg aan prinses Amalia van Pruisen zijn korte, plezierige en ongecompliceerde werken, maar zeer aantrekkelijk en gevarieerd. En niet te
vergeten is ook het magistrale Praeludium en Fuga in f-klein (BWV 534) van zijn hand, dat tot voor kort nog aan zijn vader werd toegeschreven.
Andere belangrijke werken van Friedemann zijn de 12 polonaises (F 12), de Sonate voor 2 klavecimbels (F 10), de sonates voor 2 fluiten (F 54,
55, 57, 59), de symfonie in D (F 64) en de cantates 'Gott fähret auf' (F 75) en 'Lasset uns ablegen' (F 80).
Teleurgestelde romanticus
Friedemann is zeker de meest raadselachtige van de zonen van Johann Sebastian. Het is door gebrek aan duidelijke bewijsgronden nog steeds
onmogelijk om vele van zijn beslissingen te verklaren. Het is tekenend dat de enige twee vaste betrekkingen die hij vervulde, verkregen waren
door tussenkomst van zijn vader. Vanaf het moment dat de raad en hulp van zijn vader niet langer aanwezig waren, had Friedemann weinig succes
in zijn ondernemingen. Karl Geiringer schrijft hierover: "Het onvermogen van de oudere Friedemann zich aan te passen aan gegeven
levensomstandigheden, zijn gebrek aan maatschappelijke voorkomendheid, zijn tegenzin om 'op bevel te componeren', of zelfs maar te improviseren,
en anderzijds het betrekkelijk geringe aantal werken dat hij schreef, waaronder composities voor klavier een zo belangrijk aandeel innemen: dit
alles kan beter begrepen worden bij een kunstenaar die zestig of honderd jaar later leefde. Friedemann is de teleurgestelde romanticus onder de
zonen van Bach, een man die ouderwets leek voor zijn tijdgenoten terwijl hij in vele opzichten zijn tijd ver vooruit was."
* ook wel geschreven als: Klavierbüchlein für Wilhelm Friedemann Bach