Het Strumphler / Reil / Van Vulpenorgel in de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) te Harlingen
Maart 2007 nam de gereformeerde kerk (vrijgemaakt) te Harlingen een nieuw orgel in gebruik, nadat vanaf december 2006 de kerkdiensten
weer in het na brand herstelde en opnieuw ingerichte kerkgebouw plaatsvonden. Een goede reden om stil te staan bij dit orgel, de nieuwste
aanwinst in het Friese orgellandschap.
Opzet van het historisch overzicht
De bouwgeschiedenis van het orgel kent veel momenten. Veel verschillende kerken en plaatsen spelen een rol in het verhaal. Het gevaar
dreigt, dat die complicaties de helderheid van het verhaal afbreuk doen. Gekozen is daarom voor een splitsing in twee verhalen. Eerst de
geschiedenis van het orgel zoals het nu aangeboden is. Een verhaal vanaf 1953 tot heden. Daarna de historische achtergrond van het oudste
deel van het orgel, het hoofdwerkfront.
I. 1953 tot heden, Reil + Van Vulpen.
Het nu geplaatste orgel werd in eerste instantie in 1953 gebouwd door J. Reil te Heerde voor de christelijke gereformeerde Barnabaskerk te
Apeldoorn. Het was een orgel met Hoofdwerk, Rugwerk en vrij Pedaal. De dispositie was als volgt:
Een bijzonder element van dit orgel was de hoofdwerkkas, deze dateerde uit 1794 en was het werk van de Amsterdamse orgelmaker Johannes
Stephanus Strumphler. Deze orgelkas was in 1949 door J. Reil ingenomen uit de gereformeerde Noorderkerk te Drachten, waar toen een groot
(vrijwel) nieuw orgel werd gebouwd. Over de historische achtergrond van deze orgelkas gaat hieronder het tweede verhaal. De kas van het
Rugwerk werd in 1953 wat ontwerp betreft aangepast aan de oude hoofdwerk-kas. Er is regelmatig aan het Reilorgel verbouwd en veranderd.
Steeds gebeurde dit door de orgelmakers Reil. Achtereenvolgens: 1963 pedaaltorens toegevoegd aan het front, met velden om de pedaaltorens
met de hoofdwerkkas te verbinden, nieuwe windladen voor het pedaal, uitbreiding pedaaldispositie met twee stemmen (Gedekt 8' en Koraalbas 4'),
nieuwe frontpijpen aangebracht. De frontpijpen van 1953 waren van zink. 1982 onderkassen pedaaltorens gewijzigd, nieuwe speelmechanieken,
registermechanieken gewijzigd, Trompet 8' vernieuwd, Dulciaan 8' opnieuw geïntoneerd.
In deze vorm is het orgel door de orgelmakers Gebr. Van Vulpen ingekocht, toen de christelijk gereformeerde Barnabaskerk te Apeldoorn een
Van Vulpenorgel uit de Pauluskerk te Den Haag aankocht, dat daar door sluiting van de kerk te koop was aangeboden. De orgelmakers Van Vulpen
hebben toen besloten het orgel te herbouwen in een meer compacte vorm, en de klank geheel opnieuw op te zetten. Dit betekende:
• verwijdering van de pedaaltorens en verbindende velden van 1963
• ter wille van betere verhoudingen tussen Hoofdwerk en Rugwerk een verbreding van het oude Hoofdwerkfront met
gedeelde velden aan de buitenzijden, waardoor de kas ook meer breedte kreeg
• het maken van een nieuwe windlade voor Hoofdwerk en Pedaal gecombineerd, waarbij het Pedaal twee registers kreeg
als transmissies uit het Hoofdwerk (Bourdon 16' en Prestant 8') en één zelfstandige stem (Fagot 16')
• restauratie van de windlade van het Rugwerk
• aanpassing van de maatvoering en uitvoering van de klaviatuur
• nieuwe mechanieken voor Hoofdwerk en Pedaal
• nieuwe windvoorziening, bestaande uit windmachine en 1 spaanbalg
• nieuwe windkanalen
• nieuwe frontpijpen volgens plaatsingsschema van Strumphler
• nieuwe pijpen voor de prestantregister-families op Hoofdwerk en Rugwerk
• vanzelfsprekend ook een geheel nieuwe intonatie voor het totale orgel, afgestemd op de ruimte van de nieuwe bestemming.
II. Het tweede verhaal: de herkomst van de orgelkas van Strumphler.
De gereformeerde Noorderkerk te Drachten kocht in 1884 een tweedehands, oud orgel. Verkoper was de rooms-katholieke Sint-Nicolaasparochie
te Purmerend. Het orgel was in 1794 gebouwd door Johannes Stephanus Strumphler uit Amsterdam, een orgelmaker die in Westfalen geboren was.
Hij was een zeer actief orgelmaker. Naast kerkorgels bouwde hij ook veel huisorgels, de zogenaamde 'kabinetorgels'. Zijn grootste en meest
bekende werk was het orgel dat hij in 1796 opleverde in de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk te Amsterdam, dat grote bekendheid kreeg door
het organistschap van Jan Zwart. Het Purmerender Strumphlerorgel stond in 1794 opgesteld in de 18e-eeuwse rooms-katholieke schuilkerk. Het
werd in 1836 en in 1849 met enkele registers uitgebreid. In 1858 verhuisde het naar de nieuwgebouwde, neogotische rooms-katholieke kerk van
Purmerend. Toen deze kerk in 1884 een nieuw orgel van Ypma aanschafte, werd het orgel van Strumphler verkocht naar de gereformeerde Noorderkerk
van Drachten. Het bezat toen 10 stemmen op het Hoofdwerk en 4 stemmen op het Bovenmanuaal, het pedaal was aangehangen. Omstreeks l910 vond nog
een herstelling plaats door M. Eertman, daarna blijft alles bij het oude, tot 1949 aan toe. In 1949 bouwt J.Reil uit Heerde een drieklaviers
orgel in de gereformeerde Noorderkerk te Drachten. Het nieuwe orgel krijgt een nieuw front, maar de windladen en het pijpwerk van Strumphler
worden in het nieuwe orgel verwerkt. De oude orgelkas blijft dus over en verhuist naar de werkplaats van Reil, om vier jaar later in Apeldoorn
weer gebruikt te worden.
Nog een staartje van het verhaal
In 1978 kreeg de Noorderkerk van Drachten alweer een nieuw orgel. In een aangekochte orgelkas van L. van Dam & Zonen uit 1845 (aangekocht
uit de Lutherse kerk van Harlingen) bouwde de firma Pels & Van Leeuwen een nieuw orgel, waarin alle Strumphlerpijpen uit het vorige instrument
weer werden opgenomen. De oude windladen bleven echter ongebruikt. Toen de Noorderkerk gesloten werd, verhuisde het orgel van 1978 zonder
wijzigingen naar de nieuwe Gereformeerde kerk 'De Oase', waar het nu nog steeds staat. De oude windlade van het bovenklavier ging verloren,
de Strumphler-windlade van het Hoofdwerk werd gebruikt voor de reconstructie van het oudste Strumphlerorgel in ons land, het orgel van de
Lutherse Kerk te Weesp (1769).
Resumerend:
Van het uit 1794 daterende Strumphlerorgel uit de rooms-katholieke schuilkerk van Purmerend bleven dus op drie verschillende locaties onderdelen bewaard:
1. de frontzijde en enkele delen van de zijwanden in de gereformeerde kerk (vrijgemaakt) te Harlingen, waar ook nog twaalf eiken pijpen (C-H Holpijp 8'HW) aanwezig zijn,
2. de windlade in de Evangelisch Lutherse Kerk te Weesp,
3. het merendeel van het binnenpijpwerk in het kerkgebouw De Oase te Drachten.
Dispositie van het Harlinger orgel:
Manualen C-f³ Pedaal C-d¹ Manuaalkoppel 2 pedaalkoppels Tremulant Calcant (= schakelaar motor en licht) Toonhoogte 440 Hz. op a¹ Temperatuur volgens Young Winddruk 69 mm.
Pijpwerk uit 1794: C-H Holpijp 8' HW
Pijpwerk uit 1953: Holpijp 8' HW vanaf c, Trompet 8' HW, Roerfluit 8', Fluit 4', Fluit 2' en Dulciaan 8' RW
Pijpwerk Van Vulpen ca. 1965: Spitsfluit 4' HW vanaf c.
Overig pijpwerk is nieuw.
De Prestant 8' HW is dubbel vanaf klein a. C en Cis zijn open metalen binnenpijpen, vanaf D staat het register in het front.
Het orgel in de Augustinikerk van Augustinusga
Op zaterdagmiddag 18 november 2006 werd het orgel in de Augustinikerk van Augustinusga weer in gebruik genomen, na een restauratie van ongeveer een jaar.
De restauratie werd uitgevoerd door Orgelmakerij Bakker & Timmenga BV te Leeuwarden. Adviseur was Jan Jongepier uit Leeuwarden. De restauratie had een
lange voorbereiding. In 1997 werd door Jongepier als een rapport met restauratieplan opgesteld. Overleg met de overheid over subsidie, en geldwerving bij
fondsen hebben veel tijd in beslag genomen. Dank zij veel bijdragen kon uiteindelijk de opdracht gegeven worden.
Het orgel werd in 1883 gebouwd door Friedrich Leichel (1824-1890) uit Düsseldorf.
Vanaf ongeveer 1870 was deze orgelmaker in Nederland regelmatig actief. In Friesland leverde hij vier orgels: Pingjum (1878), Augustinusga en Kootstertille
(beide 1883) en Arum (1885), alle Hervormde kerken. In 1886 vestigde Leichel zich in Lochem, waar de firma na zijn dood door zijn zoon werd voortgezet tot
diens overlijden in 1935 toe. Het orgel van Augustinusga heeft ongeveer 2500 gulden gekost. De kerkvoogden konden dat betalen omdat kort daarvoor het schoolhuis
en de school aan de gemeente Achtkarspelen waren verkocht. Het orgel onderging veel herstellingen. In 1908 en 1912 werkte de firma Bakker & Timmenga aan het
orgel. Een grote ingreep hield verband met de kerkrestauratie van 1954-'57. In 1954 werd het orgel daarvoor gedemonteerd en in 1957 weer opgebouwd. De firma
Vaas en Bron uit Leeuwarden voerden dit werk uit. Het orgel werd meer naar achteren op de galerij geplaatst, en verschillende ornamenten van het front (vleugels,
bekroningen) werden verwijderd. De oorspronkelijke magazijnbalg verdween en werd vervangen door twee kleinere balgen. Het pedaalklavier werd vernieuwd. Tien jaar
later restaureerde S. Haarsma het orgel. Daarbij werden de windladen danig onder handen genomen waarbij moderne materialen en constructies werden toegepast. Bij
de nu uitgevoerde restauratie is het gehele orgel gedemonteerd en (op de orgelkast na) naar de werkplaats in Leeuwarden vervoerd. Alle onderdelen zijn ontleed en
hersteld, waarbij de oorspronkelijke constructie en het oorspronkelijk materiaalgebruik is aangehouden. Er is weer een magazijnbalg aangebracht, die achter het
orgel is opgesteld. Ook is een stemvloer achter de orgelkast aangelegd, waardoor het binnenwerk meer toegankelijk is geworden voor het reguliere onderhoud. Het
register Ventiel is naar gevonden aanwijzingen gereconstrueerd. Tijdens het werk zijn de in 1957 verwijderde ornamenten, die al die tijd op verschillende locaties
bewaard waren, weer tevoorschijn gekomen. Ze zijn hersteld en herplaatst. Schilder Klaas de Graaf uit Burdaard heeft de beschadigingen van de kas in de bestaande
kleur bijgewerkt, en heeft ook de vleugelstukken weer van bladgoud-accenten voorzien. Daarmee is niet alleen het inwendige, maar ook het uiterlijk van het orgel
weer geheel in oorspronkelijke staat herboren. De restauratie heeft, met bijkomende werkzaamheden, in totaal ongeveer 130.000 Euro gekost. De dispositie van het
orgel is:
Opmerkelijke overeenkomst bij verplaatsing van twee Van Damorgels
Twee Friese Van Dam-orgels werden in 2006 binnen het kerkgebouw verplaatst. In beide gevallen betekende dit dat een latere retouchering, die het instrument geen
goed deed, ongedaan werd gemaakt. Bij het orgel in de Hervormde kerk van Oudwoude, gebouwd in 1856, werd het orgel rond 1911 benadeeld omdat de orgelgalerij naar
voren werd vergroot. De kerkgangers kwamen zodoende vóór het orgel te zitten. De diepe galerij die voor het orgel uitstak devalueerde het zicht op het orgelfront.
Het unieke front zelf, het eerste voorbeeld van dit veel toegepaste type, werd bovendien nogal gekortwiekt door het verwijderen van een deel van de ornamentiek.
In 2006 werden in het kerkinterieur veranderingen aangebracht. De diepe galerij werd weliswaar gehandhaafd, maar het orgel werd naar voren verplaatst waardoor het
nu weer normaal in de balustrade staat. De vrijgekomen ruimte achter het orgel werd benut voor het maken van een zaalruimte. Tijdens het werk werd een van de
vleugelstukken teruggevonden. Besloten is, het ontbrekende stuk te laten bijsnijden en dan de vleugelstukken weer aan te brengen. Daarmee heeft Oudwoude dan weer
een compleet en toonbaar Van Dam-front terug! De verplaatsing werd uitgevoerd door de firma Hendriksen & Reitsma uit Nunspeet, die het orgel indertijd ook gerestaureerd
had.
In de R.K. kerk van Dronrijp werd in 1882 een orgel gemaakt door L. van Dam & Zonen. Toen de kerk in 1939 een nieuwe torenpartij kreeg werd het orgel op de nieuwe
zangerstribune een kwartslag gedraaid opgesteld. Tegen de zijwand van de kas, die naar de kerk gekeerd was, maakte de firma L. Verschueren een loos front van zinken
pijpen. Het orgel onderging verder geen wijzigingen. In het kader van de in 2006 uitgevoerde kerkrestauratie is besloten de opstelling van 1939 te corrigeren. Daarbij
is het orgel weer een kwartslag gedraaid, waardoor het prachtig uitgevoerde front weer naar de kerkzijde gekeerd is. De beschadiging van de bovenlijst van de linker
zijwand, veroorzaakt door het in 1939 tegen deze zijwand opgestelde loze front, is weer hersteld.
Een wel heel opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij deze twee verplaatsingen die in 2006 werden uitgevoerd: ook in Dronrijp was nog één vleugelstuk in opslag
bewaard gebleven. Het kerkbestuur heeft ook hier besloten, het ontbrekende vleugelstuk bij te laten maken. Daarmee zijn twee unieke Van Dam-fronten weer in oude glorie
hersteld, en op de oorspronkelijk bedoelde wijze weer zichtbaar geworden.