De najaarsexcursie van Stichting Organum Frisicum vindt dit jaar plaats op zaterdag 25 september en speelt zich helemaal af in Leeuwarden.
De excursie begint in het kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt De Morgenster. In deze kerk staat een uit 1895 daterend orgel
van de firma Bakker & Timmenga. Daarna wordt de rooms-katholieke Sint-Bonifatiuskerk bezocht. De kerk, een kruisbasiliek in neogotische stijl,
is in de jaren 1882-1884 gebouwd naar een ontwerp van P.J.H. Cuypers. In deze kerk bouwden de orgelmakers Adema in 1899 een bescheiden orgel.
In 1942 werd door de firma Verschueren met gebruikmaking van materiaal uit dit instrument een veel groter orgel gemaakt met elektro-pneumatische
tractuur. Op dit moment wordt door Adema’s Kerkorgelbouw gewerkt aan de bouw van een mechanisch orgel met 39 registers op twee klavieren en vrij
pedaal. Het pijpwerk uit 1899 zal hierin opnieuw een plaats krijgen. Daarnaast hoort u het in de kerk aanwezige koororgel, in 1887 gebouwd door
Aristide Cavaillé-Coll. De lunch zal worden genuttigd in de kosterij van de Grote Kerk, waarna de excursie wordt afgesloten in de Grote of
Jacobijnerkerk met een orgelbespeling op het in 1727 door Christian Müller gebouwde orgel. Maar naast de monumentale klanken van het Müller-orgel
beluistert u ook de subtiele zilveren tonen van het prachtige, zo’n 50 jaar geleden gebouwde Metzler-orgel.
De Morgenster
In 2004 nam de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt een nieuw kerkgebouw in gebruik: de Morgenster. Het gebouw, ontworpen door de Leeuwarder architect ir.
Klaas Klamer, kent in veel opzichten een ‘dubbelslag’: publiek en besloten, open en beschut. Een gebouw voor de gemeente/gemeenschap waarbij
functionaliteit en gebruik samengaan met een heldere ruimtelijke en herkenbare vorm. Een ‘stevig’ gebouw met gemetselde gevels en zelfs iets van een
toren, hoewel bescheiden van hoogte. Het bestaat uit twee bouwdelen: de ontmoetingsruimte/kerkzaal ligt in een waaiervorm tegen een tweelaags bouwblok
waarin zich een reeks kleinere zalen, toiletten en technische ruimten bevinden. De kerk is een ‘publiek’ gebouw, dat op verschillende manieren is vormgegeven.
Het is een ‘open’ kerk, gericht op de omgeving: de toren staat in de as van de Groningerstraatweg (op flinke afstand goed zichtbaar), een brede open
pui met deuren gericht op de rotonde voor de kerk (letterlijk laagdrempelig), langsrijdend zie je de voorganger voor de zaal staan. Als er ‘binnen’
een activiteit plaatsvindt, is dat buiten zichtbaar. De lichtkrant aan de gevel was/is de eerste aan een kerk die de boodschap van de kerk permanent
uitdragen kan. Voor de deur een kerkplein, de auto’s en fietsen staan ‘achterom’. De entree, ontmoetingsruimte en kerkzaal zijn één open ruimte, met
een doorlopende stenen ‘plein-vloer’ als ware het een overdekt plein. Op het ‘plein’ kan zich een diversiteit van activiteiten afspelen (multifunctioneel).
In de kerkzaal staan de stoelen in een kringopstelling, waarbij er verdeeld aandacht is voor elkaar en voor wat er in het centrum van de kring gebeurt.
Het middelpunt van de cirkels ligt buiten het gebouw, daarmee verwijzend naar datgene dat ‘buiten/boven’ ons gebeurt. Er komt veel daglicht de kerkzaal
binnen, zonder verblinding of afleidend uitzicht. Het plafond loopt trapsgewijs omhoog, waarmee een gradiënt van ‘beschutting’ naar ‘open’ ontstaat.
Op het ‘hoogtepunt’ van de kerkzaal is het orgel op een verhoogd vloerdeel herplaatst, dat zo over de lange diagonaal van de zaal het geluid kan laten
spreken.
De ‘dubbelslag’ die het gebouw kenmerkt, geldt in zekere zin ook voor het orgel. Treft men achter een orgelfront soms iets anders aan dan men zou verwachten,
in dit geval geldt dat voor zowel het orgel als het orgelfront. Het orgel is 110 jaar ouder dan het gebouw. Het werd in 1894 gebouwd door Bakker & Timmenga
voor de gereformeerde Noorderkerk in het centrum van Leeuwarden. Het front werd ontworpen door de Leeuwarder architect W.C. de Groot, die zich daarbij liet
inspireren door het in 1891 voltooide orgel voor het Concertgebouw in Amsterdam. Dat is overigens ook de enige verwantschap tussen beide instrumenten.
In 1964 verwierf de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt het kerkgebouw. Het orgel stond inmiddels niet meer op zijn oorspronkelijke plaats – de westelijke galerij
– maar was in 1936 door de fa. Valckx & Van Kouteren in een nis aan de noordzijde geplaatst. Aan die situatie kwam gelukkig in 1972 een eind. Als onderdeel
van een algehele restauratie door Bakker & Timmenga werd het instrument weer op de galerij geplaatst. Ook de oorspronkelijke dispositie werd hersteld, waarbij
de restaurateurs twee oude registers uit hun eigen opslag gebruikten, waaronder de Viola di Gamba 8 vt van L. van Dam en Zonen (1859). Achter een front uit
1894 gaat nu deels pijpwerk van oudere datum schuil.
Aan het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw werd de Noorderkerk getransformeerd tot auditorium voor de Fryske Akademy. Het orgel werd overgeplaatst
naar de Morgenster, waar het nog elke zondag wordt gebruikt in de erediensten.
De Sint-Bonifatiuskerk is een monumentale kerk van allure. Met de Bonifatiuskerk heeft Leeuwarden een parel binnen haar stadsgrachten. Een waarlijk
monumentale neogotische kerk die zijn weerga in het noorden van ons land niet kent. De kerk, maar vooral de toren, maakt duidelijk deel uit van het
stadsbeeld en de skyline van Leeuwarden. De Bonifatiustoren is met zijn 85 meter hoogte meteen de hoogste kerktoren van Friesland. De kerk is 75 meter
lang en 32 meter breed. De grondvorm is een duidelijk Latijns kruis. Het middenschip heeft drie ongelijke beuken. De kerk valt vooral op door de
glas-in-loodramen. In totaal zijn er 34 ramen. Er zijn vier roosvensters. De ramen zijn tussen 1887 en 1920 aangebracht. De ramen vertellen ons drie
geloofslijnen: het oude en het nieuwe verbond, Gods reddend werk en de vooraankondiging van Jezus’ geboorte en Jezus’ verrijzenis.
Het koor is een bijzondere vorm ter completering van het Latijnse kruis, ontworpen naar het idee van de Dom van Trondheim. Het heeft een absis met vier
raampartijen, deze ramen zijn ontworpen door A.F.H. Nicolas, van de bekende glazeniersfamilie uit Roermond.
Sloopplannen
De kerk – daar is inmiddels iedereen wel van overtuigd – is een meesterwerk van de neogotiek. Men kan het zich dan ook amper meer voorstellen dat vijftig
jaar geleden er plannen lagen om de kerk af te breken. Het zou mooi zijn als er op het terrein van de Bonifatiuskerk nieuwbouw van het St. Jozef-pension
gebouwd kon worden, alsmede bejaardenwoningen. Een supermarkt zou ook positief zijn, dit om een gunstige exploitatie te kunnen voeren. In 1969 waren de
parochianen wel zover dat ze een praktischer kerk wensten, kleiner en met meer opbrengst dan een dure exploitatie die amper nog op te brengen was. Dus
deze mooie plannen werden besproken met de parochianen. Ze stemden er mee in! In de stad werd geschrokken gereageerd.
De jeugdgemeenteraad van Leeuwarden zette het op zijn agenda en er ontstond toen een actiecomité Behoud Bonifatiustoren. Deze bestond aanvankelijk uit
leden van de jeugdgemeenteraad en wat opviel: het waren niet-katholieken die voor behoud van de kerk ten strijde trokken. Dit comité heeft bewonderenswaardig
veel positief werk verricht. Na veel overleg werd overeengekomen dat het kerkbestuur de toren wel wilde overdragen aan het comité. Het comité bedacht tal
van acties om aan geld te komen. De gemeente gaf geen goedkeuring aan de nieuwbouwplannen. Het bestemmingsplan stond het ook niet toe.
Hoe verder? De kerk stond niet eens op de monumentenlijst en het parochiebestuur kon wel een sloopvergunning aanvragen. De gemeenteraad bemoeide zich er
mee en op 27 september 1971 droeg de raad het college op om het Bonifatiuscomplex voor de stad te behouden. Het was inmiddels een openbare discussie in de
stad geworden, waarbij ook nog zo’n 2000 handtekeningen aan B&W werden overhandigd, dit alles tot behoud van toren en kerk.
De partijen gingen opnieuw om tafel. Op 29 oktober 1971 werd een stichting tot behoud van de Bonifatiustoren opgericht. De naamgeving was misleidend, want
het ging om toren én kerk. Het ging daarbij ook om de pastorie, maar die kwam later bij de stichting. Pastorie en zalen, nu het Titus Brandsma-huis, werden
vrijwel meteen verhuurd aan de nieuwe lerarenopleiding Ubbo Emmius, die daar haar bibliotheek vestigde met enkele leslokalen.
Storm
Het was nu zaak om veel geld bijeen te krijgen voor een algehele restauratie, maar daartoe moesten eerst de kerk en toren op de rijksmonumentenlijst.
Op 2 en 3 januari 1976 raasde een zeer zware storm over Europa, die wel zestig slachtoffers eiste. (Later Capella-orkaan genoemd.) In Leeuwarden werd de
Bonifatiustoren het slachtoffer. De houten spits waaide om en viel in zijn geheel op de pastorie. Kerk en pastorie waren niet meer te gebruiken.
Een halfjaar later werden kerk én toren op de lijst van beschermde monumenten geplaatst. Na deze stormramp is de kerk hersteld en zijn de daken van de
kerk en de toren in 1980 van nieuwe leien voorzien. De geheel nieuwe torenspits, maar gebouwd volgens het oorspronkelijke ontwerp, werd na vier jaren
weer geplaatst.
Kerk en toren en het Brandsmahuis zijn nog altijd in bezit van de Stichting tot Behoud van de Bonifatiustoren. De parochie huurt de kerk voor de missen
en de activiteiten. Verder is de kerk te bezichtigen en zijn er rondleidingen. De kunstschatten die de kerk herbergt zijn te bewonderen, zoals de monstrans,
de altaarlezenaar, het altaarkruis en de bijzondere sacristie.
Vier parochies
Leeuwarden beschikte heel lang over diverse rooms-katholieke kerken. Na de reformatie bleef hier een hechte katholieke gemeenschap: er waren vier kerken.
Het had ook te maken met de machtige familie Cammingha die katholiek bleef. Ze bezaten in de stad een espel (wijk), waar de katholieken getolereerd werden.
In begin 19e eeuw bestonden er nog vier kerken, namelijk de Sint-Dominicuskerk, op de hoek van de Speelmansstraat en Bontepapesteeg, de Sint-Antoniuskerk
in de Bontepapesteeg en dan de Sint-Willibrorduskerk tegenover de Korenmarkt en de vierde was de Sint-Bonifatiuskerk aan de Vleesmarkt, nu Nieuwestad.
De vier kerken behoorden aan verschillende orden, vandaar dat er maar liefst vier parochies waren. In de Franse tijd kwam er al vrijheid voor kerken, maar
na 1848, met de liberale grondwet, was er echt sprake van vrijheid van godsdienst en konden de katholieken uit hun tot dan toe bescheiden kerken treden.
In 1853 werd Nederland ingedeeld in bisdommen, er was toen nog even sprake van dat Leeuwarden het bisdom voor het Noorden zou worden. De kansen voor
Groningen waren echter groter. Het ging allemaal niet door. Het Noorden maakte tot 1956 deel uit van het aartsbisdom Utrecht, toen werd het bisdom Groningen
gesticht. In 2005 werd de naam veranderd in bisdom Groningen-Leeuwarden.
Er kwam alle ruimte om een geheel nieuwe en ruime en opvallende rooms-katholieke kerk te bouwen en dat werd de nieuwe Sint-Bonifatiuskerk aan de Voorstreek,
dat wil zeggen op het voormalige bezit van de Cammingha’s. De parochie kon in 1881 een gebied aankopen van het Amelandhuis, oorspronkelijk het huis van de
Cammingha’s, die Vrijheren van Ameland waren. Dat stond aan de Voorstreek. Een stuk van de tuin was beschikbaar. Op 26 april 1882 werd de kerk aanbesteed
voor de somma van fl. 261.500,- en werd er met de bouw van het complex begonnen. De bouw ging vrij snel, want op 19 november 1884 werd de parochiekerk
plechtig ingewijd. In 1894 kwamen er drie klokken én het Angelusklokje in de toren, die in april 1943 werden weggehaald voor de Duitse oorlogsindustrie.
De klokken zijn niet teruggekeerd. In 1948 werden vier nieuwe klokken, inclusief weer een angelusklok, geplaatst.
In rk-Leeuwarden is al jarenlang sprake van terugloop van het aantal parochianen. Diverse rk-kerken zijn na de oorlog gesloten. Of er op termijn sprake
kan blijven van de twee kerken, die er nu zijn – de Sint-Dominicuskerk en de Sint-Bonifatiuskerk – is nog maar zeer de vraag. De stichting blijft daarom
alert en heeft zorgen over de exploitatie. Donateurs en giften blijven welkom!
Kerk en toren zijn echter ondertussen van onschatbare waarde voor het totaal aan erfgoed van de stad Leeuwarden.
Orgelgeschiedenis
Het eerste orgel in de huidige Sint-Bonifatiuskerk was een instrument van Van Dam uit 1835. Dit was gebouwd voor de vorige Bonifatiuskerk uit 1806 en in
1884 door C.B. Adema en Zonen overgeplaatst. In 1899 kregen zij de opdracht voor de bouw van een geheel nieuw instrument met 17 registers en aangehangen
pedaal.
Na het overlijden van Sybrand Adema begin januari 1941 – hij was er 54 jaar organist geweest – volgde een volledige ombouw door Verschueren Orgelbouw en
werd het aangepast aan de smaak van de tijd. Het kreeg een elektropneumatische tractuur en een neo-klassieker klankbeeld. Van het Adema-orgel werden 13
registers hergebruikt. Adviseur bij de bouw was dr. E. Bruning en het orgel werd ingespeeld door Jacques Bos op 20 december 1942. In de daaropvolgende
decennia werd het orgel diverse malen gewijzigd en uitgebreid.
Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw begon de tractuur meer en meer kuren te vertonen en werd het bijkans onbespeelbaar. Jan Jongepier werd aangetrokken
als adviseur en kwam met een plan voor een restauratie/reconstructie naar Adema in een nieuwe neogotische orgelkas die in het noordertransept zou worden
geplaatst. Dit plan bleek echter niet haalbaar en uiteindelijk is besloten, nu onder advies van Ton van Eck, tot het handhaven van het huidige orgelfront
van Verschueren op de galerij boven de ingang. Achter dit front, dat wel ruim een meter naar voren zal worden gehaald voor een betere geluidsweergave, zal
een fors nieuw instrument worden gebouwd. Het zal geheel in de stijl van Adema staan met mechanische tractuur en sleepladen, waarbij een gedeelte van het
pijpwerk van Verschueren hergebruikt zal worden. In 2018 werd door Adema’s Kerkorgelbouw begonnen met de werkzaamheden. Helaas zorgde de coronacrisis voor
de nodige vertraging, maar na de zomer zal het worden ingewijd en feestelijk in gebruik worden genomen.
In 1984 kocht de stichting Bonifatiustoren een orgel aan van de befaamde orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll (1811-1899), het enige in de provincie Fryslân.
Het werd gebouwd in 1886 voor het Sint-Willibrordus College in Katwijk aan de Rijn. In 1924 werd door de firma Pels de Doublette 2 vt vervangen voor een
Fugara 8 vt. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het orgel in bezit van de firma Pels in Alkmaar en die gebruikte het voor de verhuur. In die hoedanigheid heeft
het ook een tijd als koororgel gefunctioneerd in de Jacobijnerkerk van Leeuwarden.
In 1972 kocht de Leeuwarder Tjibbe Heidinga het instrument en liet het opslaan. Vervolgens werd het in 1984 aangekocht door de Stichting Bonifatiustoren en
gerestaureerd door de firma Verschueren. De oorspronkelijke dispositie werd hersteld door de Fugara af te snijden tot een Doublette. Jan Jongepier was adviseur
bij de restauratie.
Tjibbe Heidinga ontwierp zelf een nieuwe orgelkas, waarbij het orgel helemaal in een zwelkast staat. Op 14 november 1984 werd het instrument in gebruik
genomen en het functioneert sindsdien wekelijks in de eucharistieviering.
Toen het dak van de Sint-Vituskerk in Leeuwarden na een zware storm op 23 januari 1567 instortte, hadden velen het gevoel dat dit een teken was van naderend
onheil. Het waren ook zware tijden. De Nederlanders begonnen hun eigen weg te kiezen en wilden los komen te staan van de koning van Spanje, Filips II, die
tevens Heer der Nederlanden was. Hij was gevreesd, wilde de Reformatie terugdringen en het Spaanse gezag herstellen. Bovenal wilde hij één religie: de
Rooms-Katholieke Kerk.
In de Nederlanden was overal opstand uitgebroken. De Reformatie had inmiddels flink zijn sporen nagelaten in de gewesten. Er heerste onvrede over de Spaanse
overheid en over de heren en dame die hier landvoogd(es) of stadhouder en die Spaansgezind waren. En wat zeer belangrijk was, vooral Holland wenste handel
te drijven, zonder inmenging van Spanje. De adel in de Lage Landen werd zo langzamerhand alle rechten ontzegd. Dat allemaal bij elkaar opgeteld bracht de
gemoederen in beweging. In 1566 was het Hongerjaar. Dat jaar wordt meestal gezien als start van de Opstand tegen de Spanjaarden. Toch was er eerst sprake
van een economische crisis. Voedseltekorten en landbouwcrises maakten dat het volk in beweging kwam. Het werd het jaar van de Beeldenstorm. We laten de
Tachtigjarige Oorlog beginnen in 1568, feitelijk was hij al in 1566 begonnen, omdat er oproer onder de bevolking kwam, waardoor de edelen zich lieten
verleiden om de kans te grijpen zich tegen Filips II te keren. Dit vertaalde zich ook allemaal in Leeuwarden.
Twee keer preken
Toch gebeurde het hier wel een beetje anders. In Leeuwarden was de Beeldenstorm niet een echte stormomloop van woeste opstandige protestantse lieden.
In augustus en september 1566 vond onder goedkeuring van de stadsmagistraat het verwijderen van beelden en de zuivering van kerken op keurige wijze plaats.
Er werd een paar dagen later besloten dat er protestantse diensten mochten worden gehouden in de Grote Kerk. Op zondag 8 september mochten predikanten
voorgaan. Die predikanten vonden dan wel dat de kerk eerst nog wel wat meer ‘gereinigd’ kon worden. Ook dat gebeurde ordelijk. Vervolgens werd die 8e
september er al twee keer gepreekt en dat beviel goed. Enkele priesters bekeerden zich en zo lijkt het dat het proces vreedzaam verliep. Maar dat liep
toch weer anders, want de landvoogdes Margaretha van Parma had door het Smeekschrift van de Edelen (april 1566) zich wat toegeeflijk getoond, nu werd
alles weer herroepen en moesten de kerken weer in rooms-katholieke handen komen. Een paar gereformeerden weken uit, want zij waren hun leven niet zeker.
Grotendeels vluchtten ze naar Emden. Waren er nu veel gereformeerden (dat was de algemene term voor calvinisten in die tijd) in Leeuwarden? Dat was helemaal
niet het geval. Dat was ook een reden dat het hier niet met het nodige oproer gepaard ging. De weinige kerkgangers op 8 september waren hoofdzakelijk
Zwinglianen. De Zwitserse hervormer Ulrich Zwingli had meer aanhangers in Leeuwarden dan Luther en Calvijn.
Het volgende jaartal van belang was: 1580. In Leeuwarden bleef het aantal gereformeerden maar beperkt. Er waren ook meer doopsgezinden. Van Luthersen
was weinig te merken. Jelle Hotses uit Sneek had wél aanhang in Leeuwarden, bekend onder zijn Latijnse naam Gellius Snecanus. Hij was van de gematigde
leer van Zwingli. Verreweg de meeste Friezen waren niet zo protestants als men zou verwachten. Velen waren liever rooms-katholiek gebleven, maar wilden
dan hervormingen vanuit de kerk zelf. Het kwam ook omdat een paar machtige families trouw bleven aan de Rooms-Katholieke Kerk, zoals de Cammingha’s.
Willem van Oranje in Grote Kerk
In Leeuwarden bleven alle groepjes klein. Binnen de protestanten waren er Calvinisten, die radicaler waren dan welke groep dan ook. De middengroep was
daarbij het grootst, maar de verhouding rooms-katholiek en protestant was in Leeuwarden niet vijandig. Zo nu en dan werd er ook nog wel een protestantse
dienst in de Grote of Jacobijnerkerk gehouden. Alles veranderde met de Unie van Utrecht (1579). De radicale protestanten uit alle gewesten kwamen in
Utrecht bijeen en sloten een pact op instigatie van Jan de Oude van Nassau, broer van Willem van Oranje. Oranje was er niet zo voor, hij wilde meer de
eenheid van de Nederlanden in zijn geheel bewaren met diverse godsdiensten naast elkaar. Friesland aarzelde ook, vooral door de stadhouder die er toen was,
Rennenberg. Hij was dan wel tegen Spanje, maar vóór de RK-Kerk. Rennenberg bleek echter niet geheel te vertrouwen, want hij onderhandelde wel met de Spaanse
legeraanvoerder Parma en dat bracht felle reacties teweeg van de wat radicalere Calvinisten. Rennenberg moest vertrekken.
In 1580 moest ook Leeuwarden capituleren. Er vond een politieke omwenteling plaats en dat had gevolgen voor de kerken. Adje Lambertsz uit Kollum,
graankoopman in Leeuwarden, was één van de burgemeesters en leider van de schutterij. Hij wist het Blokhuis in Leeuwarden te veroveren, na zijn (vermoedelijk)
beroemde woorden: “It is mei sizzen net te dwaan.” Het Blokhuis was Spaans symbool, dat werd de aanleiding voor een resolutie die op 31 maart 1580 in de
gehele provincie Friesland werd vastgesteld, waarin vastgelegd was dat Friesland voortaan protestants, lees calvinistisch, was. Alles wat rooms bezit was,
viel voortaan in handen van de Gereformeerden. Kloosters werden toen definitief opgeheven en geconfisqueerd door Gedeputeerde Staten. Kerken gingen over naar
de Calvinisten. Roomsen en Dopersen werden voortaan geduld, mochten wel blijven, maar geen openbare godsdienstoefeningen meer houden. Achteraf gezien was het
meer een staatsgreep dan een echte reformatie vanwege overtuiging. Toen Rennenberg vetrokken was, werd Willem van Oranje eventjes stadhouder van Friesland en
hij kwam zelfs naar Leeuwarden om met alle magistraten en gedeputeerden bijeen te komen in de Grote Kerk om over de toekomst van Friesland te spreken.
Er was niets geregeld als het ging om het stichten van een kerkelijke gemeente. Predikanten waren er nauwelijks. Leeuwarden haalde ze aanvankelijk uit het
buitenland. Intussen kwam er een jonge nieuwe stadhouder in Friesland. Dat werd Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg (1560-1620), later Us Heit genoemd.
Hij zorgde er voor dat er rust kwam en dat in de protestantse kerken in Friesland er orde en gezag kwam, door de kerken een duidelijke kerkelijke structuur
te geven.
Belangrijk werd dat in Leeuwarden dominee Johannes Bogerman (1576-1637) uit Enkhuizen beroepen werd, eens predikant in Sneek, oorspronkelijk uit
Oost-Friesland. Hij wist volle kerken te trekken en was een gezaghebbend man. Onder druk, ook van de stadhouder, kwam hij naar Leeuwarden. Dat gebeurde
in 1604. Hij bleef tot 1634, toen werd hij hoogleraar in Franeker. In het begin hadden de protestanten helemaal niet veel kerken nodig.
En de rooms-katholieken bleven hier behoorlijk in aantal. Zij kerkten in diverse schuilkerken. De Grote of Jacobijnerkerk én de Galilieërkerk bleven
protestants. In de loop der jaren nam het aantal katholieken af, toch heeft Leeuwarden altijd een sterk aandeel katholieken gehouden.
Mastopstand
Het volgende jaartal dat grote invloed had en waar de Grote Kerk toneel werd van dispuut en zowaar van strijd, was 1610 en volgende jaren. Het was het
tweede jaar van het zogenaamde Twaalfjarig Bestand in de Tachtigjarige Oorlog. Nog steeds was Spanje niet overwonnen. Misschien kon Spanje zelfs wel winnen.
Werd alles dan weer teruggedraaid? Daar hielden grote groepen wel rekening mee. Binnen de Gereformeerden bleef de richtingenstrijd maar doorgaan. Was men
nauwgezet calvinist? Of zag men het wat lichter? Was men rekkelijk, of precies, was men aanhanger van Arminius, of van Gomarus? Algemeen werd de tegenstellig
verdeeld in Remonstranten (rekkelijken) en Contra-Remonstranten. Ook die strijd speelde zich af in Leeuwarden. Op Nieuwjaarsdag nog wel, van 1610, kwam een
deel van het volk, het grauw, in opstand en bestormde het Stadhuis, open geramd met een mast. Het mastoproer was een sterk staaltje van machtsstrijd die in
Holland, maar dus ook in Leeuwarden, plaatsvond. De magistraat moest aftreden. De opstandelingen waren vrij calvinistisch en hadden weinig begrip voor
Mennisten (Doopsgezinden) en Remonstranten. Stadhouder Willem Lodewijk kwam in een moeilijk parket. Voor wie moest hij nu kiezen?
Nu had Leeuwarden een ander stadsbewind gekregen en wisten Mennisten en Arminianen op hún beurt de toon aan te geven. Dat vroeg ook weer om problemen.
De rollen werden weer omgedraaid. Ook in Den Haag was de strijd tussen de rekkelijken en de preciezen naar een hoogtepunt, beter gezegd dieptepunt, geraakt.
Het was daar puur een politieke machtsstrijd geworden. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt was op de hand van de Arminianen en werd onthoofd en de macht
van de calvinisten werd hersteld, puur omdat dit het veiligste werd geacht voor de staat der Nederlanden. In Leeuwarden waren te veel krachten, gedoeld werd
op de Remonstranten, die nu niet bepaald ingetogen leefden. Dat moest worden hersteld en zo kwamen op de golven van wat er landelijk gebeurde, ook hier de
calvinisten terug in hun machtspositie. Op 9 en 10 januari 1616 moesten in de Grote Kerk de Remonstranten weer verdwijnen, de rechtgeaarde calvinisten kwamen
terug. Ds. Bogerman speelde een belangrijke rol, hij vermoedde dat de Arminianen en de Katholieken onder een hoedje speelden. Begin 1619 werd er zelfs een
verbod uitgevaardigd op de Arminianen en Bogerman, samen met Willem Lodewijk zegevierde. Ds. Bogerman werd landelijk een belangrijk man, want hij werd in 1619
voorzitter van de Synode van Dordrecht, waar de Dordtse leerregels en de Algemene Geloofsbelijdenis werden vastgesteld. Men wilde niet dat er weer sprake zou
zijn van diverse stromingen, zodat er verdeeldheid kon ontstaan. Een nieuwe periode zou beginnen voor de Grote Kerk.
Salarisverhoging
Na de Tachtigjarige Oorlog werden de kerkelijke gemeenschappen opgebouwd. Als we bijvoorbeeld in het rampjaar 1672 in Leeuwarden rond zouden kunnen kijken,
dan waren er drie kerken, de Grote of Jacobijnerkerk, de Galilieërkerk en de Westerkerk, die elke zondag vol zaten. Stadhouder Willem Frederik, die toen al
overleden was, had eerder in zijn dagboeken geschreven, hoe de kerkdiensten waren en dat er sprake was van veelvuldig kerkbezoek. Woensdagavond, ook zaterdags!
Het was een levendige boel, want men kwam graag in de kerk om elkaar te ontmoeten. In 1681 werd de Westerkerk nog eens extra vergroot. De weduwe van Willem
Frederik, prinses Albertine Agnes, speelde daarbij een belangwekkende rol. Ze zorgde er voor dat de predikanten een flinke salarisverhoging kregen.
Een dienst was niet zo lang, meestal kon men ook wel blijven staan en dan kon men weer met elkaar het gesprek aangaan. Wat moest men ook anders in die eeuwen?
In 1672 was de kerkgang groot. Zeven diensten per zondag in Leeuwarden! ’s Avonds kon men nog een dienst houden in de Galileërkerk omdat daar verlichting
aanwezig was. De Grote of Jacobijnerkerk was oorspronkelijk een kapel van het grote domicaner klooster. Deze orde kwam al ca. 1245 naar Leeuwarden. Vermoed
wordt dat de Cammingha’s het initiatief hadden genomen om tot een centrum te komen van geleerdheid. Er werd rond 1310 een echte kerk gebouwd, deze kerk werd
naar de Dominicanerkerk te Parijs genoemd: de Jacobijnerkerk. Van het oude klooster is de Kosterij (refter) en een stukje kloostergang nog te zien. In 1580
zoals hierboven genoemd, ging de kerk definitief over naar de Gereformeerde Kerk, of ook vaak Nederduits Gereformeerd genoemd, naderhand de Nederlandse
Hervormde Kerk. De kerk werd steeds als hoofdkerk van protestants Leeuwarden beschouwd, tot op de dag van vandaag.
Friese Nassaus
De Stadhouderlijke familie van Willem Lodewijk en zijn opvolgers, de Friese Nassaus, kerkten hoofdzakelijk in de Grote Kerk. Hendrik Casimir II liet een
eigen stadhouderlijke kraak plaatsen, na goedkeuring van de stad en de kerkenraad. Prinses Maria Louise, Marijke Meu, had een eigen gesloten bank met
schuiframen, recht tegenover de preekstoel. Zo’n gestoelte had zij ook in de Galileërkerk. De Nassaus werden begraven in het koor van de Grote Kerk, al
vanaf 1588. Maria Louise werd als laatste bijgezet in 1765, maar dan wel in een aparte ruimte, in de zogenaamde Sepulture.
In 1795 moest een zwarte bladzijde aan de geschiedenis van de kerk en van de stad worden toegevoegd. Patriotten en revolutionairen drongen in augustus de
kerk binnen en wisten veel kostbaarheden te vernielen, inclusief het marmeren grafmonument van Willem Lodewijk en de graftombe van zijn vrouw, Anna van
Oranje. Twee weken later kwam het rapaille terug en wist nog meer kort en klein te slaan en haalde de stoffelijke resten van de Nassaus en de Oranjes uit
de grafkelder. Ze smeten alles op straat buiten de Grote Kerk. De beenderen werden ’s avonds voorzichtig door Oranjegezinden teruggebracht. Pas in 1841 en
nog later in 1948 werd de stadhouderlijke grafruimte hersteld. Het interieur was altijd zeer sober, na de grondige restauratie van 1971-1976 werd de kerk
weer volop in gebruik genomen en konden de diensten er weer worden gehouden. Daarnaast zijn er, zoals vanouds, ook tal van andere bijeenkomsten. De kerk
heeft zijn functie voor Leeuwarden weten te versterken. Zo is de kerk ook zeker het podium voor de fraaiste orgelconcerten. De rijke geschiedenis van de
Grote of Jacobijnerkerk, waarvan ik hier maar een fractie heb kunnen weergeven, maakt deze kerk zo aantrekkelijk.
Nieuw orgel in Grote of Jacobijnerkerk sieraad voor de stad
Op 7 april 1724 deed de bouwmeester van de stad, dr. Edo Scheltinga, het voorstel aan de Magistraat van Leeuwarden om een nieuw orgel te bouwen in de
Westerkerk. Hij vermeldde er bij dat het wat hem betreft ook in de Grote Kerk mocht, maar dan moest het orgel van de Grote Kerk geplaatst worden in de
Westerkerk. Dit “tot luister en sieraad van de kerken in deze stad.” Dit voorstel werd meteen aanvaard en er werd een commissie benoemd om tot resultaten
en uitvoering te komen en dat ging vrij snel.
Al op 24 juli 1724 ging de Magistraat van Leeuwarden een overeenkomst aan met de orgelbouwer Christiaan Müller. De overeenkomst is in zijn geheel bewaard
en is een goede bron voor hoe het orgel werd gebouwd. “De Achtbare Magistraat van de Stadt Leeuwarden…ende Christiaan Müller Orgelmaker woonende te Amsterdam, verclaren aangegaan te hebben een accoord over
leverantie van een nieuw Orgel in de Groote off Jacobijnerkerk binnen Leeuwarden, sullende bestaan uyt drie manuële ende een pedaal Clavier, ’t samen tot
seven en dartigh registers, in manieren het volgende...” en dan worden alle registers opgenoemd. De pijpen zullen worden gemaakt van zuiver Engels tin,
waarvan het grootste van het pedaal prestant zal zijn van twintig Hollandse voeten en het rugpositief tien voeten. Er werd een tekening bij geleverd hoe dat
was gedacht.
Een volledige beschrijving valt dan te lezen in deze overeenkomst, hoe de blaasbalgen er uit kwamen te zien. Ook uit welke pijpen het orgel zal bestaan.
En een bijzondere zin uit de overeenkomst luidt “Dat de toon van ’t orgel sal Cornettentoon sijn, dat is een toon hoger als opera toon.”
Het oude orgel zal in deze hele operatie worden weggehaald en geplaatst worden in de Westerkerk. Maar daar moet het dan volkomen bruikbaar worden geplaatst.
De aannemer krijgt daarvoor de totale som van negenduizend caroliguldens. Hij moet er drie jaren over doen. Er zal steeds een “Puistertreder” nodig zijn voor
het opstellen van het orgel, ook die moet uiteraard worden betaald.
In 1727 was de bouw klaar en moest het orgel worden geïnspecteerd. Een commissie bestaande uit organisten van de Laurenskerk te Rotterdam, Nicolaas
Woordhouder, de organist van de Martinikerk van Groningen, Petrus Havinga en de organist van Leeuwarden, Reinold Popma van Oeveringh, kwam het orgel
goedkeuren. Ze maakten een rapport op en overhandigden het op 25 maart 1727 aan de Heren Schepenen, dus college van B en W, van Leeuwarden en aan de
raad van de stad Leeuwarden.
Het is bijzonder dat bij de beoordeling de heren tot de ontdekking kwamen, dat er meer werk verricht was dan in het bestek stond. Zo was er een extra
blaasbalg bij gekomen “dat seer fray is, om dat veel windt tot soo een Orgel vereist wort.” En er zijn betere pijpen geplaatst, ook enkele van
zuiver tin in plaats van tin en lood. Ze kunnen dan ook het stadbestuur verzekeren dat het orgel “loflijk” gemaakt is en “alles is in het werk gestelt,
en considerabel beter is volbraght als het bestek komt te eysschen.” Het werd feestelijk in gebruik genomen. Eerst was het orgel te beluisteren door
Popma van Oeveringh. De hele Magistraat (gemeenteraad) was aanwezig. Ook gasten, maar ook “andere fatsoenlijke lieden of Liefhebbers van de muijsijck.”
Na afloop dronk men er in het ook al nieuwe stadhuis een glas rode wijn op. Dr. Edo Scheltinga kon tevreden zijn. Het orgel was voor altijd een sieraad
voor de hele stad (en ver daarbuiten) geworden.
Toonhoogte: a1 = 460 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend
In de Grote Kerk staat ook een koororgel van Gebr. Vermeulen te Weert, 1977. Bij de bouw is gebruik gemaakt van een windlade en pijpwerk uit het orgel
dat Théodore de Smet in 1845 vervaardigde voor de Sint-Michielkerk te Weelde (B) en dat omstreeks 1970 werd afgebroken.