ok2015menu


  Enkele aantekeningen over de
orgelmakers Hardorff en Kruse
Friese Orgelkrant 2015

In het derde kwart van de 18e eeuw kwam er weer enigszins leven in de Friese orgelbouwerij, met de vestiging van Lambertus van Dam (1779) en Albertus van Gruisen (1782) in Leeuwarden. Is Van Dam met zekerheid leerling van Hinsz geweest, van Van Gruisen wordt dat verondersteld. Hinsz is ook op de achtergrond aanwezig in onderstaand verhaal. Immers de Deen Mathijs Hardorff kwam via de werkplaats van Hinsz uiteindelijk in Leeuwarden terecht en diens kleinzoon Willem leerde het orgelmakersvak van L.J. en J. van Dam, zonen van bovengenoemde Lambertus van Dam! T.J. van der Meer, die samen met Hardorff een nieuwe orgelmakerij oprichtte, was daarvoor enkele jaren werkzaam geweest bij Willem van Gruisen (een zoon van Albertus van Gruisen en de voortzetter van diens bedrijf). De leerschool van Willem Hardorff bij Van Dam verloochende zich niet, want zijn vroege orgels zijn qua frontontwerp en de verdeling in Hoofd- en Bovenwerk duidelijk verwant aan het werk van Van Dam. In de disposities zijn daarentegen wel verschillen aan te wijzen zoals het toepassen van een Mixtuur in plaats van een Cornet en de klassieke lade-indeling, die (dankzij Van der Meer?) meer aan het werk van Van Gruisen doen denken. Omdat Gebr. Adema (waarvan Petrus Adema ook had gewerkt bij Hardorff) en hun vroegere leerlingen Bakker en Timmenga ook (gedeeltelijk) deze lijn bewandelden, kan men spreken van een weg die begint aan het einde van de 18e en eindigt in de 20e eeuw en die min of meer parallel liep aan die van het familiebedrijf van vier generaties Van Dam (1779-1927). Dit artikel is gewijd aan leven en werk van Willem Hardorff en zijn schoonzoon en opvolger, Johan Frederik Kruse.

Mathijs Hansen Hardorff

Mathijs Hansen Hardorff, geboren in 1747 of 1748 te Denemarken (*1), huwde op 30 december 1781 te Driesum met de 12 jaar jongere Itje (Hyke) Hilles. (*2) Hij was werkzaam als meesterknecht bij de orgelmaker A.A. Hinsz, die in die jaren een orgel te Driesum plaatste. Op 17 november 1782 werd hun zoon Hans gedoopt te (Uithuizer)Meeden. In het doopboek is dat als volgt omschreven: “Het Zoontje van Mathijs Hardorff uyt Denemarken geboortig alhier als knecht bij den orgelmaker Hinsz bij het maken van het nieuwe orgel bezig en deszelfs Huisvrouw IJltje Hilles uyt Vriesland genaamt Hans”. (*3) Hier werd onder leiding van Mathijs Hardorff het grote nieuwe Hinsz-orgel opgebouwd. Na de dood van Hinsz in 1785 vestigt Hardorff zich als orgelbouwer in Leeuwarden en verricht her en der onderhoudswerkzaamheden. (*4) Op 19 oktober 1791 biedt hij zijn huis te koop aan in de Leeuwarder Courant: “een defige HUIZINGE cum annexis, in de Galileer Kerkstraat naast het Gewaldig Logement te Leeuwarden, by de Mr. Orgelmaker Mathys Hardorf cum uxore als Eigenaars bewoond.
Mathijs Hardorff overlijdt op 24 maart 1802 en wordt vanuit de Driekramersteeg op het Jacobijnerkerkhof begraven. (*5) Zijn weduwe overlijdt op 12 september 1827 te Leeuwarden en wordt als ‘Diaconie Arme’ begraven op het Oldehoofsterkerkhof. (*6)

Hun zoon Hans Hardorff werd, zoals we hierboven al zagen, gedoopt te Uithuizermeeden. Hij huwde op 22 september 1805 in de Westerkerk te Leeuwarden met Maria Schreinhout (*7) en was boekbinder van beroep. Het echtpaar woonde in een klein huisje aan de (Gedempte) Keizersgracht (wijk B no. 157) waar ook hun zonen Martinus en Willem Hardorff werden geboren. (*8) Op 5 januari 1826 zakte Hans Hardorff, toen woonachtig aan het Oldehoofsterkerkhof (F94) achter de Prinsentuin, door het ijs en verdronk jammerlijk. (*9) Maria Schreinhout was reeds in 1820 overleden. .

Het Old Burger Weeshuis

Willem Hardorff (8 maart 1815 – 24 september 1899) en zijn broer Martinus (6 september 1812 – 5 augustus 1893) kwamen na de dood van hun vader Hans in het Old Burger Weeshuis (OBW) terecht. In het archief van het OBW is te lezen dat beide broers op 15 februari 1826 in het huis werden opgenomen nadat zij op 23 januari 1826 waren aangenomen door de voogden.
Op 23 juli 1827 wordt Willem Hardorff in de leer gedaan bij boekbinder Camminga om net als zijn vader boekbinder te worden. Dit vak beviel Willem blijkbaar niet, want twee jaar later, op 30 juni 1829, is te lezen in het 'Protocol van bestedingen van weezen':

Deze jongen is 30 juni 1829 op het orgelmaken gekomen bij de gebroeders van Dam.” Hij kreeg diverse gereedschappen mee (zie afbeelding). (*10) Op 25 juli 1833 kwam daar nog het nodige bij. Uit de lijst met meegekregen gereedschappen blijkt dat Willem de eerste jaren vooral het houtbewerken heeft geleerd en zich later ook met het stemmen heeft beziggehouden. (*11)
Martinus werd in de leer gedaan bij kuiper P. van der Weerdt (1 mei 1827). Hij verlaat het OBW op 6 november 1833 en gaat als vrijwilliger van de 'Mobiel verklaarde Schutterij der stad Leeuwarden' naar 's-Hertogenbosch en later naar België. Terug in Leeuwarden huwt Martinus op 30 oktober 1839 met de uit Beerta afkomstige Anje Geerts Vegt (1817-1876). Martinus was kuiper van beroep. (*12)

Voor Van Dam naar Rotterdam

Willem Hardorff vertrekt op 12 mei 1836 uit het OBW. (*13) Hij was lidmaat van de Nederduitsch Hervormde Gemeente waar hij op 2 maart 1834 belijdenis had gedaan bij ds. A.L. v.d. Boom. Willem vertrok op 7 augustus 1837 met attestatie naar Rotterdam en bleef daar tot 1 december 1839. (*14)
In Rotterdam hadden de gebroeders Van Dam een werkplaats ingericht voor de bouw van de orgels in de R.K. St.-Laurentius en St.-Dominicus. Jacob van Dam (1787-1839) had hier de leiding. Als deze onverwacht in Leeuwarden overlijdt wordt de werkplaats opgeheven en het Dominicusorgel wordt voltooid door de orgelmakers G.W. en N.A. Lohman. (*15)
De volkstelling van 1839 geeft te zien dat Willem Hardorff dan woont op het adres Grachtswal L8. Hier verblijft hij in het gezin van Maria Uiterdijk, weduwe van de orgelmaker Jacob van Dam. (*16) Op 18 november 1841 huwt hij met Cornelia van der Zeeff. Zij was geboren op 23 oktober 1815 en op 9 maart 1825 opgenomen in het OBW. Op dezelfde datum als haar vriend Willem verlaat zij het weeshuis en gaat waarschijnlijk als dienstmeisje werken. (*17)
In 1843 (op 1 februari) wordt een levenloos jongetje geboren. Willem en Cornelia wonen dan op het adres Grachtswal L 32a (nu Oostergrachtswal 99). Zij bewoonden hier een achterwoning die tevens werkplaats was. (*18) Volgens orgelbouwer S.J. Adema heeft Willem Hardorff ook nog bij Willem van Gruisen gewerkt. (*19)

Een eigen bedrijf

Op 29 februari 1844 staat in de Leeuwarder Courant de volgende advertentie:

De ondergeteekenden berigten, door deze hunne geëerde Stad en Landgenooten, dat zij voornemens zijn, hier ter stede zich als Orgelmakers te vestigen, en zulks ten gevolge van het overlijden van den Heer W. van Gruisen, die door geene nabestaande in genoemd vak wordt opgevolgd — onder belofte van eene prompte en civiele behandeling zich ten vriendelijksten aanbevelende, verzoeken zij tevens te mogen worden begunstigd met het voortdurend onderhoud — van zoodanige werken als waarmede den Heer van Gruisen door sommige Kerkvoogden, is belast geweest.

Leeuwarden Hardorff en van der Meer.
Den 29 February 1844. Oosterstraat, Letter C. no 27, tot Mei;
  Na dien tijd op de Koemarkt.

Oosterstraat C.27 is thans Oude Oosterstraat 5 en gelegen recht tegenover de Ossekop; Koemarkt = Ruiterskwartier 157 (D 163). Later in 1846 woont de familie nog: Zaailand

Willem van Gruisen stierf op 3 november 1843 in zijn woonhuis aan de Schrans te Huizum. Hij was ongehuwd. Aangezien zijn neef Nicolaas Laurentius van Gruisen (1824-1898) de zaak van zijn oom kennelijk niet wilde voortzetten (hij had zich omstreeks 1840 als orgelmaker te Liverpool gevestigd) werd op 1 en 2 mei 1844 de werkplaatsinventaris verkocht.

De inventarislijst met kopers is bewaard gebleven. Hendrik (Gerhard Heinrich) Hillebrand koopt veel zaken. Hij was een broer van Jan Adolf Hillebrand. Ook Luitjen van Dam koopt een pedaalraam. Veel zaken worden gekocht door ene Hendrik Hadorf. Ik heb niet kunnen achterhalen wie dit is. Zijn naam komt in deze tijd in Leeuwarden niet voor; ook niet als Hardorff! De orgelmakers Hardorff en van der Meer zijn niet bij de kopers. (*21) Overigens blijkt uit een brief d.d. 16 juni 1844 aan de Leeuwarder kerkvoogden van de Nederduitsch Hervormde Gemeente, waarin Hardorff en Van der Meer zich aanbevelen voor onderhoudswerkzaamheden, dat Van der Meer “Eersten bediende van Nu wijlen den Heer W. v an Gruisen” was geweest. (*22) Een andere knecht van Willem van Gruisen was Benjamin van Steenwijk die, geboren in 1811 te Soeterwoude, op 19-jarige leeftijd naar Leeuwarden kwam. Hij huwde in 1838 met Hinke Ates Visser en vertrok in januari 1848 naar Alkmaar. In 1858 stierf hij in Leeuwarden. (*23)
Vaak wordt beweerd (onder andere door A.P. Oosterhof en velen na hem) dat Hardorff en Van der Meer de orgelmakerij van Willem van Gruisen hebben voortgezet, maar uit bovenstaande annonce blijkt dat dit niet zo is geweest. De orgelmakerij van Van Gruisen is opgeheven en ontmanteld. Echter kan niet ontkend worden dat Hardorff en Van der Meer een poging hebben gedaan de klanten van Van Gruisen voor hun nieuwe bedrijf te interesseren.
Op 22 augustus 1844 wordt in het gezin van Willem Hardorff een dochtertje geboren, dat de namen Wilhelmina Sophia krijgt. Het meisje wordt slechts 6 dagen oud. Ruim een jaar later, op 19 september 1845 bevalt Cornelia weer van een dochter die ook Wilhelmina Sophia wordt genoemd. Twee jaar later, op 2 december 1847 wordt haar zuster Sophia Maria geboren. Zij is het die later met Johan Frederik Kruse zal huwen.
In het najaar van 1852, op 8 oktober, komt zoon Gerrit ter wereld. Hij wordt niet ouder dan 7 weken en sterft op 27 november van datzelfde jaar. In 1852 woont de familie Hardorff op de ‘Nieuwstad bij het Waagsplein’ (D 131). Het is het tweede huis vanaf de Wirdumerdijk. Cornelia van der Zeeff staat dan te boek als winkelierster. (*24)

Naar een eigen pand op de Nieuwestad

Op 12 maart 1861 koopt Willem Hardorff een winkelhuis annex grutterij, kaarsenmakerij en mosterdmaalderij van de gebroeders Samuel en Alexander Adelaar voor de somma van fl. 8359,-. Hij neemt hiervoor een hypotheek op ten bedrage van fl. 6000,- bij de Ned. Hypotheekbank te Amsterdam. Achter het pand kwam de orgelmakerij in een losstaande werkplaats. Oorspronkelijk was dat “een welingerichte grutterij met stalling tot twee à drie paarden”. De totale oppervlakte van het perceel bedroeg 370 m2. (*25)
In 1862 (6 mei) betrekt de familie het pand Nieuwestad genummerd E 34 (later G 74, thans 74), nadat het pand eerst verbouwd was van winkelhuis naar woonhuis. De huidige gevel behoudens de pui stamt uit die periode. Op dit adres zal de orgelmakerij gevestigd blijven tot aan de opheffing in 1907. (*26) Er zijn op dit adres ruim 35 nieuwe instrumenten vervaardigd! Woonhuis en erf hadden een oppervlakte van 210 m2 terwijl werkplaats en erf 160 m2 groot waren. (*27)
In 1867 (17 februari) komt Cornelia Hardorff-van der Zeeff op de leeftijd van 51 jaar te overlijden. Ze wordt te Lekkum begraven. (*28)

Financieel gaan de zaken blijkbaar goed. In 1879 leent Willem Hardorff fl. 2500,- aan Jan Kuipers jr. en in 1891 nogmaals fl. 2500,- aan Gerrit Boothamer Wolda. (*29) In de jaren 1881 t/m 1897 wordt Willem Hardorff aangeslagen voor de hoofdelijke omslag in klasse 10 (vanaf 1891 klasse 12), hetgeen betekende dat hij een inkomen had dat lag tussen de 1501 en 2000 gulden. In de periode 1891 t/m 1897 bedroeg het inkomen tussen fl. 1900,- en 2200,-. (*30) Op 10 mei 1897 schenkt Willem Hardorff aan zijn oudste dochter Wilhelmina Sophia Pruis-Hardorff een nog steeds bestaand pand op de Druifstreek B 61, ter waarde van fl. 12000,- . Tegelijkertijd schenkt hij zijn jongste dochter het orgelmakershuis op de Nieuwestad G 74, ook met een waarde van fl. 12000,-. (*31) Een paar dagen daarvoor op, 7 mei 1897, liet hij een testament opstellen door notaris Barend Schmidt. (*32)
Als erfgenamen worden aangewezen:
    a. Wilhelmina Sophia Hardorff, gehuwd op 27 mei 1868 met Nicolaas Herman Pruis (1843-1903). Hij was een zoon van de directeur van de Stadsbank van Leening, Carel Willem Pruis (1835-1896).
    b. Sophia Maria Hardorff, gehuwd met Johan Frederik Kruse.
Het aandeel van eerstgenoemde mocht niet komen in de gemeenschap van goederen waarin zij waren gehuwd.

Johan Frederik Kruse

Op 24 november 1875 vestigt de orgelmaker J.F. Kruse zich in Leeuwarden en wel op het adres Lieve Vrouwenpoort zz G8 (thans Nieuwestad 8). Hij was afkomstig uit Zeist en aldaar op 9 april 1848 geboren als zoon van Johannes Frederikus Kruse en Elizabeth Hartwigsen. In 1873 verhuisde hij naar het Duitse Neuwied, waar hij zich bekwaamde in de orgelbouw (bij de Gebr. Weil ??).
Kruse was Hernhutter [Evangelische Broedergemeente, red.], al staat er in het Bevolkingsregister ook NH vermeld. Op 20 juni 1878 huwt hij Sophia Maria Hardorff. (*33) Hoe het contact tussen Kruse en Hardorff tot stand is gekomen is vooralsnog niet bekend.
Het zou kunnen zijn dat Hardorff een opvolger zocht en die in Kruse gevonden dacht te hebben. Deze leert de dochter van de baas kennen en… verliefd, verloofd, getrouwd! Andersom is ook mogelijk! Heeft Maria Sophia Johan Kruse leren kennen? Is hij om haar naar Leeuwarden verhuisd en kwam zo van het één het ander??? In 1880 neemt Kruse de zaak over. (*34) Willem Hardorff heeft dan zo’n 21 nieuwe orgels vervaardigd.

Personeel

Uit de patentregisters blijkt nergens dat Hardorff en Kruse knechten hebben gehad. (*35) Het is dus altijd een vrij klein bedrijf gebleven dat, volgens de verhalen, veel onderdelen van te maken orgels bij collega’s bestelde. Zo gaat het verhaal dat het grote orgel van Menaam (Menaldum) voor een groot deel is vervaardigd door de Adema’s. Een goed voorbeeld is ook de bouw van het grote orgel te Easterein (Oosterend). Op 22 december 1869 sloten de kerkvoogden een contract met Hardorff, die verklaarde het eenmaal geschonken vertrouwen verder te zullen waardig maken met de belofte een net en deugdzaam werk te zullen opleveren. Op 13 november 1870 werd het nieuwe orgel reeds in gebruik genomen. Binnen elf maanden een groot nieuw orgel bouwen is snel. Ook in dit geval zal gebruik zijn gemaakt van toeleveranciers. (*36)
Ook Kruse liet volgens Oosterhof en Penning veel onderdelen maken bij de andere Leeuwarder orgelmakerijen zoals Van Dam, Adema en Bakker & Timmenga. Volgens Jan Jongepier bestond het pijpwerk in zijn orgels vrijwel altijd uit toegeleverd materiaal, veelal met geperste labia. (*37) In 1888 leverde hij binnen een jaar drie nieuwe orgels op, namelijk te Eastermar, Hoogezand en 's-Hertogenbosch. Kruse bouwde soms ook orgels op voorraad, anders is niet te verklaren dat hij zo snel kon leveren. Uit de contacten met de kerkvoogden van Rossum blijkt dat ook. Die besluiten op 19 juni 1899 een orgel te doen plaatsen. Vervolgens stuurt Kruse op 18 juli een offerte. In de kerkvoogdijvergadering van 31 juli 1899 stelt men vast dat “het orgel gereedstaand is en zeer geschikt voor ons kerkgebouw, waarop wordt besloten de fabrikant te doen overkoomen en met hem te onderhandelen tot aankoop van een geschikt orgel voor het kerkgebouw.” Op 7 augustus schrijft Kruse een bestek en op 17 september daaraanvolgend wordt het instrument reeds in gebruik genomen. Tussen de eerste contacten met de kerkvoogden van Hoorn (Terschelling) en de levering van het orgel liggen ook slechts enkele maanden. (*38)
Uit 1871 dateert een verslag van de Kamer van Koophandel “aangaande den Handel, Nijverheid en het fabriekswezen te Leeuwarden” waarin is te lezen dat de orgelmakers Hardorff, Adema en Van Dam samen 14 mannelijke arbeiders hebben boven de 16 jaar. Het weekloon bedraagt fl 6,- tot 10,- (gemiddeld gerekend over 13 bedrijfstakken lagen de lonen tussen de fl. 4,30 – 8,60). Helaas wordt niet vermeld hoeveel arbeiders de orgelmakers afzonderlijk hadden. Bij Van Dam werkten in die tijd meestal een acht- tot tiental werknemers, zodat er voor Adema en Hardorff vier à zes overblijven. P.J. Adema (1828-1919) heeft gewerkt bij Hardorff. Bekend is dat Arjen Timmenga een aantal jaren (van 1870-1876) werkzaam was bij Hardorff en ook Fokke Bakker is “eene reeks van jaren werkzaam geweest bij den Heer Hardorff alhier…”, aldus een advertentie van hem in 1877. Het vertrek van laatstgenoemden zal aanleiding zijn geweest voor Hardorff om per advertentie twee orgelmakers, liefst metalen pijpwerkers, te vragen. (*39) Bij Kruse was een knecht in dienst met de naam J.C. Fischer. Zijn naam is teruggevonden in het orgel voor Koog aan de Zaan (“heeft voor het eerst bij de inwijding wind gemaakt”) en te Eastermar-Heechsân (“J.F. Kruse oud 39 jaar en J.C. Fischer oud 52 jaar, orgelmakers te Leeuwarden”) in de balg. (*40)

Dat de verhouding met onder andere de familie Van Dam goed was blijkt onder meer uit het feit dat Willem Hardorff optreedt als stroman bij de aankoop van een pand aan de (nu) Oostergrachtswal 35 voor Pieter van Dam Sr. die in 1880 besloot om het familiehuis aan de Grachtswal te verlaten. Ook bouwt hij orgels naar een frontontwerp van Van Dam (Menaam en Easterein) en wordt ook wel pijpwerk van deze orgelmaker afgenomen. (*41) Na het huwelijk van zijn dochter met Johan Frederik Kruse blijft Willem Hardorff op hetzelfde adres wonen (no. 74 beneden). Het kersverse echtpaar bewoont dan de bovenverdieping. (*42) Op 24 september 1899 ’s avonds om 23 uur sterft Willem Hardorff aan apoplexia (beroerte). Ook hij wordt op het kerkhof van Lekkum begraven. (*43)

Johan Frederik Kruse alleen baas

In de periode dat Kruse de orgelmakerij geleid heeft hebben zo’n 20 nieuwe instrumenten zijn werkplaats verlaten. Ondanks de concurrentie van onder andere het jonge bedrijf Bakker & Timmenga en de andere gevestigde orgelmakerijen zag Kruse kans een tiental orgels in Fryslân te leveren; de andere opdrachten kwamen van buiten die provincie. (*44)
Kruse schijnt een vaardig organist te zijn geweest. Vaak werden de instrumenten door hem zelf ingespeeld, al of niet met medewerking van zijn echtgenote als zangeres. Zelfs het nieuwe Van Oeckelen-orgel te Oenkerk (gk) werd door hem ingespeeld. In de Leeuwarder Courant van 11 september 1895 werd hem voor zijn spel veel lof toegezwaaid. Op 22 januari 1902 gaf hij een concert samen met het fanfarekorps in de kerk van Hommerts en tijdens de intrede van ds. J. de Voogd in Sint-Annaland werd Kruse speciaal gevraagd het orgel te bespelen en “door zijn meesterlijk spel, de plechtigheid zeer verhoogde”. (*45) In het verslag van de ingebruikneming te Hoorn (Terschelling) wordt vermeld dat de Viola di Gamba het lievelingsregister van de vervaardiger was. (*46) Dr. G.A. Wumkes, destijds predikant te Hoorn, verhaalt in zijn autobiografie over zijn contact met Kruse: “Toen het kerkelijk leven opleefde besloten de kerkvoogden dat er een orgel moest komen en zij stuurden mij op informatie uit naar de firma Hardorff op de Nieuwestad te Leeuwarden. Met de schoonzoon J.F. Kruse die het orgel in Huizum bespeelde (bedoeld wordt hier de dorpskerk, AF) bracht ik bij die gelegenheid een bezoek aan de pastor loci Ds. E. van Kleffens (1895-1904) en hoorde daar hun fabrikaat. Huizum lag toen nog te midden van lanen en hoven. Dat bezoek is mede de aanleiding geweest dat ik het 30 jaar later als woonplaats gekozen heb. Het orgel werd besteld en op 17 juni 1894 in gebruik genomen met een preek over Ps. 26:8a. Heere, ik heb lief de woning van Uw huis”. (*47) Had Kruse de dominee wijs gemaakt dat het Huizumer orgel (Van Dam, 1849) door hem was vervaardigd???

Tevreden klanten

Leverde Willem Hardorff een orgel aan een kerkgenootschap dan was het gebruikelijk dat het kerkbestuur een advertentie in de krant plaatste om haar tevredenheid over het geleverde instrument te tonen. Zo ook de kerkvoogden van Itens die Hardorff beschreven als “een orgelfabrikant die door dit werk zijn gevestigden naam met eere handhaaft, daar het uitmunt in sierlijkheid van toon en front en degelijkheid van inhoud”. De verslaggever die het nieuwe orgel van Kimswerd beluisterde schreef in de Leeuwarder Courant: “de tongwerken hebben een doordringenden en toch aangenamen toon, de fluitwerken zijn bijzonder helder en welluidend, terwijl het ensemble veel meer gesloten is, dat men het bij de meeste dorpsorgels aantreft”. De kerkvoogden van Menaam (Menaldum) lieten hun nieuwe orgel, het grootste dorpsorgel van Fryslân, inspelen door niemand minder dan Jhr. mr. S.W. Trip, organist en orgeldeskundige te Groningen. Kerkvoogden Sevenster, Kooijstra en Dijkstra (wier namen op een koperen plaat achter het orgel te vinden zijn) verklaren per advertentie: “Dat de heer W. Hardorff zijnen kunstroem op een waardige wijze heeft gehandhaafd … en dat de doorkundige, en bekwame, maar ook eerlijke man de meest mogelijke aanbeveling verdient…” Ook de orgels die Johan Frederik Kruse bouwde oogsten alleen maar lof! In het verslag van de ingebruikname van het nieuwe orgel in de kerk van Eastermar-Heechsân is te lezen: “Het orgel, dat uitmunt in zuiver intonatie, lieflijken, krachtigen en vollen toon, zeer gemakkelijken speelaard en wat ook niet weinig zegt, door billijken prijs, gepaard aan een solieden en netten instructie, is een sieraad van onzen kerk. De heer Kruse houdt den naam der oude firma in eere. We kunnen de gemeenten Hoogezand en 's-Hertogenbosch er mede feliciteeren , dat ze de levering van een orgel voor hunne respectieve kerken aan zulken bekwame handen hebben toevertrouwd…” Opvallend is dat deze recensie erg veel lijkt op die van de orgelingebruikname te Koog aan de Zaan in 1886. (*48) Heeft Kruse voorbeelden ter inzage beschikbaar gesteld?

Kruse in Zeeland

Het laatste decennium van de 19e eeuw verlegt Kruse zijn werkterrein meer en meer naar buiten Fryslân. Dat zal onder meer te maken hebben gehad met de opkomst van de jonge orgelmakers Bakker & Timmenga. Hij levert in 1889 een nieuw orgel aan de Christelijk Gereformeerde kerk van 's-Hertogenbosch en daarna volgen Gameren (1893), Kerkwijk (1894), Leerbroek (1898) en Rossum (1899). Hoe het contact met de kerkvoogden van Sint-Annaland – op het eiland Tholen – tot stand is gekomen is niet bekend, maar feit is dat op 12 juni 1900 een contract wordt getekend voor een nieuw orgel. Een jaar later, op 27 juni 1901, wordt het in gebruik genomen. (*49) Kruse krijgt naar aanleiding van dit instrument veel publiciteit in de Ierskesche en Thoolse Courant. In de krant van 6 juli een uitgebreid en lovend verslag van de ingebruikname van het orgel, waarbij Kruse zelf de organist was. In dezelfde krant plaatste Kruse een opvallende advertentie waarin hij schrijft: “Bij het vertrek naar Friesland’s Hoofdstad, brengt ondergeteekende zijne hartelijken dank aan de Leden van de Hervomde gemeente te Sint Annaland, voor het hem geschonken vertrouwen voor het leveren van een Kerkorgel en hoopt dit ten allen tijde waardig te blijven”. Twee maanden later was Kruse al weer terug in Sint-Annaland om op verzoek van het kerkbestuur het orgel te bespelen bij de intrede van predikant J. de Voogd op 8 september 1901. Een jaar later, op 12 juli 1902, weer een artikeltje in dezelfde courant waarin te lezen is dat het één jaar oude instrument “in alle opzichten blijft voldoen”. Ook wordt fijntjes vermeld dat de kerkvoogden van Cadzand zo tevreden waren over het door Kruse geleverde orgel dat men hem met “een fraaie bijna levensgroote in keurige lijst gevatte schilderij van L. van Beethoven hebben vereerd”. In 1905 komt Kruse nog een keer in Sint-Annaland om op zondag 16 april een orgelbespeling te geven. Terwijl nog aan het orgel van Cadzand wordt gewerkt, verschijnt er een algemeen artikel over het nut van orgels in kerken in de Zierikzeesche Nieuwsbode (5 april 1902). Opvallend is dat de schrijver Kruse aanbeveelt vanwege zijn instrumenten die bekend zijn “vanwege hunne zuiverheid van toon en solide constructie”. Tevens de mededeling dat men in Groede ook een orgel van Kruse heeft besteld. Per (opvallende) advertentie in de Middelburgse Courant van 25 juni 1902 worden predikant en kerkbestuur van Cadzand bedankt voor “hunne zeer gewaardeerde medewerking bij het tot standkomen van het nieuwe kerkorgel aldaar…”, maar ook Hôtel Commerce wordt aanbevolen “bij heeren reizigers en badgasten”. Een jaar later (10 augustus 1903) weer een advertentie in de Middelburgse Courant. Dan worden kerkbestuur van Groede en hoteleigenaar Jan Luteijn bedankt.

Een jaar later (10 augustus 1903) weer een advertentie in de Middelburgse Courant. Dan worden kerkbestuur van Groede en hoteleigenaar Jan Luteijn bedankt.
De laatste advertentie van Kruse in een Zeeuwse krant is op 29 september 1906. In de Ierskesche en Thoolse Courant adverteert hij met een nieuw kerkorgel “sterkte voor 5 à 600 zangers”. Dit orgel had hij blijkbaar op voorraad staan. De advertentie eindigt met: “Vervaardiger van kerkorgels te St. Annaland, in 1901, Cadzand 1902 en Groede 1903. Waar nu het volgende? Aanbevelend J.F. Kruse”. (*50)

Financiële situatie

Woonhuis en werkplaats waren officieel eigendom van zijn echtgenote maar in 1897, 1898, 1904 en 1906 leent Kruse geld met deze panden als onderpand. In 1906 is er sprake van drie hypotheken ten bedrage van samen fl. 11000,-. (*51) Maar terwijl Kruse geld moet lenen leent zijn echtgenote in 1900 tweeduizend gulden uit aan het bestuur van de 'Vereeniging van Scholen met den Bijbel te Trijnwouden'. (*52) Kruse werd tussen 1881 en 1898 aangeslagen voor de hoofdelijke omslag in klasse 8 voor een inkomen van tussen de 1001 en 1200 gulden. In 1899 in klasse 12 en vanaf 1900-1906 in klasse 13 (inkomen van tussen de 1700 en 1800 gulden). In 1907 tenslotte was de aanslag gebaseerd op een inkomen van tussen de 1800 en 1900 gulden, oftewel klasse 14. (*53)

Op 27 oktober 1899 laat het echtpaar Kruse-Hardorff een testament opstellen waarbij ze elkaar tot erfgenaam benoemen. (*54) Johan Frederik Kruse sterft op 5 oktober 1907 in zijn woning aan de Nieuwestad en wordt op woensdag 9 oktober om 11.30 uur (10 dragers voor fl. 20,-) op het kerkhof van Lekkum begraven naast zijn schoonouders. (*55) In een 'bedankadvertentie' naar aanleiding van de betuigde belangstelling deelt de weduwe mee “dat de zaak voorloopig zal worden voortgezet”. (*56) De nog lopende zaken werden afgehandeld door de firma Gebr. Adema die nadien ook veel onderhoudswerkzaamheden overnam. (*57)

Op 22 september 1908 wordt het pand aan de Nieuwestad door de weduwe Kruse verkocht. Het wordt als volgt omschreven: “Eene heerenhuizinge, gekwoteerd no 74 met plaats, tuin, achtergebouw of werkplaats en achtererf c.a. Nieuwstad Breedzijde kadastraal gemeente Lwd sectie B, nummer: 2951. Samen groot: drie are zeventig centiare. De kooper zal voor overname van de schoorsteenspiegel in de tuin- of opkamer, de spiegels in de boven voor- en achterkamer en die in het alcoof. Drie droogstokken, een vlag met stok, al de gaslampen, kroon en ornamenten, twee buiten jalouzieen, twee parasols een zonnescherm en de loopplanken en rekken in den tuin samen 150 gld”. Het pand wordt uiteindelijk verkocht aan Klaas de Wolf voor 15330 gulden, die het in 1909 laat verbouwen tot winkel/woonhuis. Doordat de architect een tekening maakte van de oude en nieuwe situatie weten we hoe de indeling van het woonhuis is geweest. (*58)

Sophia Maria Hardorff, de weduwe van J.F. Kruse, vertrekt dan op 16 november 1908 naar de stad Utrecht. Hier woonde haar zuster Wilhelmina Sophia (die zal overlijden op 18 januari 1917). Daar overlijdt ze op 11 september 1928 op het adres Doelenstraat 12. Zij ligt niet bij haar man begraven. Het echtpaar Kruse had geen kinderen.

Zie voor de voetnoten op deze pagina

Zie hier voor een (voorlopige) werklijst van Hardorff en Kruse.

Ad Fahner



stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard