ok2015menu


  Voorjaarsexcursie 2015 Friese Orgelkrant 2015

Voorjaarsexcursie naar Koarnjum (Cornjum), Blije (Blija), Marrum en Hallum

De route van de voorjaarsexcursie op zaterdag 11 april voert ons langs dorpen van klein naar groot. Alle dorpen liggen op een terp en zijn ontstaan op kwelderwallen in het oosten van het vroegere Middelzeegebied. De Middelzee was een zeegat in het midden van Fryslân dat begon tussen Vlieland en Terschelling en vertakte zich tot voorbij Bolsward.
Cornjum (Koarnjum), met iets minder dan 500 inwoners, is het kleinste van de vier. Blije (Blija) heeft ongeveer 900 inwoners, Marrum heeft rond de 1450 inwoners en Hallum, ten slotte, heeft ongeveer 2750 inwoners en is verreweg het grootste te bezoeken dorp tijdens de Voorjaarsexcursie. De vier dorpen hebben een rijke culturele en kerkelijke historie. De excursie voert ons langs interessante orgels waaraan vrijwel alle bekende Friese orgelbouwers hebben gewerkt. Van Dam, Schwartzburg, Van Gruisen, Hardorff, Hillebrand en Bakker & Timmenga; allen werkten zij aan de instrumenten, maar ook enige orgelbouwers waren of zijn vanuit het Groningse actief bij deze orgels betrokken.
Alle orgels zijn onlangs gerestaureerd: Cornjum in 2013/14, Blija eveneens in 2013/14, Marrum in 2009/10 en de restauratie van het van het orgel van Hallum kwam in oktober 2014 gereed.

Cornjum

Het eerste dorp dat we tijdens de voorjaarsexcursie van 2015 bezoeken is Cornjum of Koarnjum zoals de officiële Friese plaatsnaam luidt. Het is een terpdorp dat al vóór onze jaartelling op een kwelderwal ten Oosten van de Middelzee ontstond. Het telt tegen de 500 inwoners. In het Noordoosten van het dorp staat Martenastate. Het is landgoed (groot park) met daarop een miniatuurkasteeltje in neorenaissancestijl dat in 1900 door de bekende Leeuwarder architect W.C. de Groot werd ontworpen. Al sinds 1400 ongeveer stond op deze plek het Martenahuis, bewoond door Sytze Martena. In de eeuwen die volgden bleef het slot in het bezit van de Martena’s. In 1584 werd het na vernieling tot een grote Martenastate herbouwd. Eind 19e eeuw raakte de state in verval. De laatste eigenaar (jonkheer Duco Martena van Burmania Vegelin van Claerbergen) liet het gebouw na aan de kerkelijke gemeente die het in 1899 afbreken. In de huidige Martenastate zijn sporen van de vorige state aanwezig. Het landgoed bij de state wordt wel aan de bekende landschapsarchitect Roodbaard toegeschreven. Voor het landgoed is in 1955 de barokke poort uit 1620 van het Landschapshuis in Leeuwarden geplaatst. In het Landschapshuis kwamen ten tijde van de Republiek de Friese (Provinciale) Staten bijeen.
Martenastate – kasteeltje plus landgoed – is in 1963 door de kerkelijke gemeente in erfpacht overgedragen aan de Stichting Martenastate, die het natuurbeheer van het landgoed vanaf 2001 laat aan It Fryske Gea. Sedert 2003 heeft het complex de beschermde status van rijksmonument. Sinds 2005 zijn plannen ontwikkeld om groot onderhoud aan de state te plegen. Met de uitvoering daarvan is inmiddels een aanvang gemaakt.

Kerk en toren

De hervormde kerk staat midden op het niet-afgegraven deel van de terp. In 1873 werd de kerk naar een ontwerp van de Cornjumer architect Brouwer gebouwd op de plek van de vroegere middeleeuwse Sint-Nicolaaskerk. Aannemersbedrijf Keuning uit Ternaard nam de bouwwerkzaamheden voor zijn rekening. De zaalkerk heeft een vijfzijdige koorafsluiting, vensters met neogotische traceringen van gietijzer en een half in de kerk gebouwde toren met drie ongelijke geledingen en een achtzijdige, ingesnoerde spits. In de eerste geleding van de toren bevindt zich een vrij eenvoudige ingang. In de stichtingssteen boven de ingang worden architect en aannemer vermeld. De uurwerkplaten zijn in de tweede geleding aangebracht en in de derde geleding zijn aan elke zijde twee boogvormige galmgaten aanwezig. In 2012 is het oorspronkelijke torenuurwerk uit 1614 na veertig jaar afwezigheid weer teruggeplaatst. Het bleek nog steeds in bezit te zijn van Meindert Brunia uit Exmorra die omstreeks 1972 een elektrisch aangedreven uurwerk leverde. Momenteel staan er dus nu twee torenuurwerken in Koarnjum. Het is te hopen dat de oudste ooit de tijd weer zal aangeven aan de bewoners van Koarnjum.

De middelste traveeën van de kerk hebben aan beide zijden een uitgebouwde, sierlijke aankapping met een geveltop waardoor de suggestie van transeptarmen wordt gewekt. Ruimtelijk is er echter in het geheel geen sprake van dwarsbeuken. De muren van het kerkschip en het koor zijn geleed met pilasters. Als geheel is aan de bijzonder decoratieve kerk vorm gegeven in een mengstijl (eclecticisme) waarin neogotische vormen domineren, maar waarin ook elementen van de neorenaissance en het neoclassicisme te herkennen zijn. De toren bevat beneden het portaal dat toegang verschaft tot de voorkerk, een ruimte met een fraai gedecoreerd plafond. Via twee deuren is van daaruit de kerkzaal te betreden. De kerkruimte is vijf raamvakken diep en die vakken ontstaan door de aanwezigheid van pilasters met fraaie kapitelen. Binnen springen de spitsboogvensters met de mooie gietijzeren traceringen direct in het oog. De lichte kerkzaal wordt overdekt door een korfbogig gewelf met enig lijstwerk, grote ronde roosters en dunne trekstagen. Er hangen drie koperen kronen die eind vorig eeuw nieuw gemaakt zijn.
De kerk heeft een traditionele inrichting met vrouwen- en herenbanken aan de zuid- respectievelijk noordzijde, opgesteld rond een dooptuin. In de kerk staan drie herenbanken, twee tegenover de kansel aan de zuidmuur en één in de koorsluiting. Al dit meubilair plus het schotwerk dateert uit de bouwtijd en is in de tachtiger jaren van de vorige eeuw in een warm rode tint geschilderd.
De eiken zeskantige kansel plus ‘toebehoren’, zoals het eveneens zeskantige klankbord, is waarschijnlijk in het midden van de 18e eeuw vervaardigd.
Het kerkinterieur kent nog oudere, namelijk vroeg 17e-eeuwse, elementen. Een voorbeeld hiervan vormen drie borden die ongeveer even groot zijn. Het bord met de Tien Geboden dateert uit 1602, dat met het Credo uit 1608 en dat met het Onze Vader uit 1660. Het bord met de Tien Geboden werd in 1853 vernieuwd. Deze borden illustreren ook de invloed van de adel op het kerkinterieur. Ze werden meestal geheel of grotendeels door de adellijke schenker betaald. Het motief was deels steun aan de kerkelijke gemeente, deels versterking van eigen naam en prestige. In Cornjum toont het bord met de Tien Geboden linksboven het familiewapen van Doecke Tyebbes van Martena (1530-1605) en rechtsboven dat van zijn tweede vrouw Trijn Jantjes van Unema (gestorven in 1603). Verder zijn de namen van David van Goorle en zijn vrouw Swob van Martena toegevoegd. De laatste was een dochter van Doecke en Trijn. Van hun dochter Bauck is het wapen op het Credobord afgebeeld. Allen waren bewoners van Martenastate.
Op het Credobord uit 1608 staan voorts de wapens van Evert Batholds van Entens van Mentheda en van Bauck Doeckes van Martena, met wie Evert in 1598 trouwde. Boven het bord met Onze Vader prijken de wapens van Siuck Sjucks van Burmania (overleden in 1650) en van zijn vrouw Catharina Everts van Entens van Mentheda (overleden in 1660). Kennelijk behoorde het hier tot de familietraditie om zo’n tekstbord voor de kerk te laten maken. In de kerkvloer bevinden zich diverse grafzerken.

Het orgel

Het witgeschilderde orgel, gebouwd in 1882 door L. van Dam & Zn., bevindt zich boven de ingang op een eveneens witte balustrade met rode accenten. Ook op het orgel zelf en in de scheidingswand tussen kerk en de voorkerk vinden we deze rode accenten terug. Daarnaast zijn er goudkleurige versieringen, zijn er op de zijtorens druiventrossen te zien en in de kuif op de middentoren een kruis, een anker en een hart: symbolen van geloof, hoop en liefde. Het frontontwerp van dit orgel paste Van Dam zeven keer bij Friese orgels toe en daarnaast nog tien keer bij orgels buiten Fryslân. Zoals het orgel ruim 130 jaar geleden gebouwd werd, zo is het ook bewaard gebleven. Alleen de kleurstelling van orgel en balustrade zijn niet origineel en bij de jongste restauratie in 2014 werd deze ook niet veranderd. Wel werden bij deze restauratie door de firma Bakker & Timmenga alle onderdelen van het instrument onder handen genomen en werden uitdrogingsschade en versleten delen hersteld. Adviseur bij deze restauratie was Theo Jellema.

Huidige en tevens originele dispositie:

Manuaal (C-g3): Bourdon 16vt, Prestant 8vt, Holpijp 8vt, Violon 8vt, Octaaf 4vt,
Roerfluit 4vt, Quintprestant 3vt, Octaaf 2vt, Cornet III discant, Trompet 8vt bas/discant.

Pedaal (C-d1) aangehangen. Werktuiglijke registers: Afsluiter, Tremulant en Windlosser.

Blije (Blija)

De terp van Blije is aan het einde van de 19e eeuw grotendeels afgegraven, kerk en kerkhof bleef deze ontmanteling bespaard. Het dorp telt momenteel zo’n 900 inwoners.
De dorpsnaam kan van 'Blijtha' komen, wat "dorp in het slijk" zou betekenen. Andere verklaringen gaan uit van de betekenis ‘dorp aan rustig water (Blij = rustig en a = water) of ‘blinkend uit het water’. Wij gebruiken in dit artikel zowel de plaatsnaam Blija als Blije. Sinds 1999 is de Friese plaatsnaam Blije de officiële plaatsnaam, maar in de geschiedenis tot 1999 heette het dorp dus Blija.
De dorpskerk is toegewijd aan Sint-Nicolaas, hetgeen eveneens wijst op de vroegere ligging van Blije aan de kust. De ongelede Romaanse toren met een zadeldak en een overwelfde benedenruimte dateert van de 13e eeuw. Vermoedelijk is in de 18e eeuw (misschien in 1741) het zadeldak verhoogd. Waarschijnlijk zijn toen tevens de bekronende geveltoppen vernieuwd. Restauratie van de toren vond plaats in 1949-1952.
De klokkenfirma Eijsbouts verving in 1910 het oude uurwerk in de toren van vóór 1729 door een mechanisch uurwerk. In 1704 werd in de toren een klokkenstoel geplaatst. De toen aangebrachte klokken werden in de Tweede Wereldoorlog door de bezetter geroofd. Na 1945 kwamen er nieuwe klokken in de toren van Blije.
De laatgotische, éénbeukige kerk is omstreeks 1540 ter vervanging van een oudere kerk gebouwd.

De kerkmuren bestaan grotendeels uit metselwerk van rode baksteen. De kerk is zes traveeën diep. De traveeën worden gescheiden door versneden steunberen met dekplaten. Het vijfzijdig afgesloten koor heeft afwisselend vensters en nissen in spitsboogvorm. Boven de ingang van de kerk – in het tweede travee – is deze eeuw in het timpaan een Sint-Nicolaasbeeld geplaatst. Het kerkinterieur wordt gedekt door een in 1858 aangebracht houten tongewelf. Bij de kerkrestauratie van 1959-1961 werden in het tongewelf de oorspronkelijke kleuren terug gevonden en die zijn vervolgens weer aangebracht. In de kerk bevindt zich meubilair uit de vroege 18e eeuw. De opstelling daarvan is bij de kerkrestauratie gewijzigd. De kerk heeft drie herenbanken, de twee tegen de noordwand zijn overhuifd. Verder zijn er nog enkele knopbanken in de kerk. Herenbanken en de andere banken langs de noordwand zijn van dezelfde maker en vermoedelijk in 1725 geplaatst.

Bovendien zijn er enige bijzondere grafzerken uit de renaissancetijd, waaronder een kleine kinderzerk uit 1556 én een portretzerk (uit 1552) voor Janke van Unema en Tet Wyboltsma vervaardigd door Vincent Lucas. De Unema’s bewoonden één van de vier stinsen die Blije gehad heeft. Janko van Unema streed tegen de Saksen en Karel V. Het geslacht Unema stierf in 1547 uit. De Unema-stins ging toen over in andere handen. Alle vier stinsen zijn afgebroken. De plaats van de Unema-stins is nog aanwijsbaar. De man op de portretzerk is in wapenuitrusting afgebeeld.
Waarschijnlijk lag de kerkvloer vroeger hoger. Onder de vloer moeten zich grafkelders hebben bevonden. In het noordoostelijke deel van het kerkschip bevindt zich een dichtgemetselde grafkelder.
De preekstoel met klankbord aan de zuidmuur, die bijna identiek is aan de preekstoel in Hegebeintum, heeft snijwerk van sierlijsten en bladornamentiek in Lodewijk XIV-stijl, dat op de kanselkuip dateert uit het eerste kwart van de 18e eeuw, het snijwerk op het achterschot is iets jonger (uit circa 1740). Bij de kerkrestauratie rond 1960 kreeg de overgeschilderde preekstoel het eikenhouten uiterlijk weer terug. Het doophek is verplaatst en fungeert nu als koorhek.

De koperen kronen, die tijdens de restauratie spoorloos verdwenen, zijn dankzij een schenking in de negentiger jaren van de vorige eeuw vervangen door nieuwe
In het midden van de muur die het koor sluit, zit een piscina. Blije is daarmee één van de 40 dorpen in Fryslân waar de kerk nog een piscina heeft.
De Sint-Nicolaaskerk is nu in gebruik bij de PKN gemeente van Blije. Blije telt nog twee kerkgebouwen: de (oude) gereformeerde kerk “De Haven” uit 1861 en de gereformeerd-vrijgemaakte kerk uit 1950. In deze laatste kerk bevindt zich het enige Knipscheer-orgel van de de provincie Fryslân. Vanaf 1807 tot 1935 stond in Blije ook nog een doopsgezinde kerk.

Het orgel

Het orgel van de kerk te Blija werd in 1870 gebouwd door L. van Dam & Zn. Twee jaar later zou deze firma een orgel bouwen met een vrijwel identiek front voor de Hervormde Kerk (thans Hobbe van Baerdttsjerke) te Joure. Laatstgenoemd orgel ging helaas bij een grote kerkbrand in 1939 verloren. Waarschijnlijk is dit instrument het eerste orgel in de kerk van Blija: nergens zijn gegevens omtrent een vroeger orgel aangetroffen. Ook leverde Van Dam uitsluitend nieuwe onderdelen, terwijl aangenomen mag worden dat, als er sprake zou zijn van een reeds bestaand orgel, Van Dam oude onderdelen overnam, iets dat hij normaal gesproken bijna altijd wel deed. De eerste grote veranderingen kwamen in 1930. Bakker & Timmenga plaatste een zwelkast om het Bovenwerk en er komt op een gereserveerde sleep (waarschijnlijk voor een Klarinet) een Aeoline 8vt. Tijdens een deelrestauratie in 1962 wordt de zwelkast weer verwijderd en de pedaalomvang van C-g vergroot naar C-d1. Bij de jongste restauratie in 2013/2014 (weer door de firma Bakker & Timmenga) werden mechaniek en windvoorziening geheel nagekeken en hersteld en werd het orgel opnieuw geschilderd en hier en daar verguld. Het orgel bevindt zich, op de later toegevoegde Aeoline en het vergrote pedaal na nog geheel in oorspronkelijke toestand.

Huidige en tevens originele dispositie:

Hoofdwerk (C-g3): Prestant 16vt, Bourdon 16vt, Prestant 8vt, Holpijp 8vt, Octaaf 4vt, Roerfluit 4vt, Quint 3vt, Octaaf 2vt, Cornet IV sterk D, Trompet B/D 8vt.

Bovenwerk (C-g3): Violon 8vt (gedeeltelijk in het front), Salicionaal 8vt,
Viola di Gamba 8vt, Roerfluit 8vt, Salicet 4vt, Fluit travers 4vt, Gemshoorn 2vt, Aeoline 8vt
en Tremulant.

Pedaal (C-d1) aangehangen.

Werktuiglijke registers: Afsluiter HW, Afsluiter BW, Tremulant en Windlosser.

Marrum

Marrum is een zogenoemd radiaal terpdorp en in ongeveer dezelfde tijd als Blije ontstaan. Het dorp heeft zo’n 1450 inwoners en is daarmee het op één na grootste dorp dat zal worden bezocht. Wat het inwonertal van de te bezoeken dorpen betreft, begeven we ons van klein naar groot. De terp waarop het dorp is gebouwd, is niet afgegraven en daarom nog goed te herkennen. Vanaf de 11e eeuw kwam de terp binnendijks te liggen, omdat die in de vroegste bedijking werd opgenomen.
De dorpskerk stamt uit het begin van de 13e eeuw. De aan Sint-Godehardus toegewijde kerk is een éénbeukige romano-gotische opgetrokken uit rode en gele kloostermoppen. Ook is in zowel de noordmuur als de zuidmuur tufsteen van de vorige kerk uit de 11e eeuw hergebruikt.
De typering ‘romano-gotisch’ wordt bemoeilijkt door de vele aanwezige elementen van eerder en later dan de 13e eeuw. Het vijfzijdig gesloten koor heeft op de hoeken van bakstenen gemetselde rondstaven (‘kralen’). De koormuren laten sporen van middelgrote rondboogvensters zien, alleen aan de zuidzijde bevindt zich een grote spitsbogige nis van een voormalig gotisch venster.

Net als de noordmuur heeft de zuidmuur drie rondboogvensters uit 1802 met soortgelijke sporen van vroegere elementen. In de geveltoren met ingesnoerde spits staat de omlijste ingang met een halfrond bovenlicht, een gedenksteen en een roosvenster. Dit westfront kwam in 1858 gereed. In de toren hangen twee klokken uit 1630 van Hans Falck en de gebroeders Obertin.
De kerkruimte wordt gedekt door een tongewelf met trekbalken. Het kerkinterieur is voor een deel nog oud. Vooral de fraai gedetailleerde preekstoel en de barokke herenbank vallen op. De kansel van 1658 is hoogstwaarschijnlijk door Dirk Sydses vervaardigd. De kanselkuip is versierd met gegroefde hoekzuilen en heeft gekorniste panelen, dat wil zeggen versierde panelen met een lang smal kussen en lijst- en regelwerk daaromheen. De panelen zijn in Marrum ingelegd met ebbenhout. Tegenover de preekstoel staat de barokke, overhuifde herenbank uit 1723. Deze was bestemd voor Dieuke Wielinga-Westerhuis en werd gesneden door Jacob Sydses Bruinsma. De bank heeft getordeerde en omrankte zuilen en een opengewerkte kuif met wapens. Het doopvont en het orgel zijn eveneens oude interieurelementen. Voor het overige is de inrichting nieuw. De vloer is bijvoorbeeld nieuw, al zijn daarin nog wel enkele oude grafzerken geplaatst. Verder zijn het meubilair en de avondmaalstafel nieuw.

Marrum had naast de Sint-Godeharduskerk nog een gereformeerde kerk. Het begin ervan ligt in 1841 toen Marrum een Afgescheiden gemeente en kerk kreeg. Deze gemeente ging met de Doleantie mee en sloot zich later aan bij de Gereformeerde Kerken (synodaal) in Nederland. In 1889 kwam er op dezelfde plek aan de Lytsebuorren een nieuw kerkgebouw. Dat kerkgebouw werd in 1923 vervangen door een kerk naar een ontwerp van de bekende Friese architect Ane Nauta (1882-1946). Het Knipscheer-orgel uit de eerste gereformeerde kerk was inmiddels overgeplaatst naar de gereformeerde kerk van Tzum, later ging het naar Blije. De gereformeerde en hervormde gemeente in Marrum besloten tot de vorming van SOW-gemeente (Samen op Weg) per 1 januari 1999. Op 25 juni 2000 vond in het gereformeerde kerkgebouw de laatste kerkdienst plaats. De kerk werd gesloten en verkocht. Kort daarop is de kerk gesloopt. Een karakteristiek gereformeerd kerkgebouw ging daarmee tot verdriet van velen wel erg snel verloren.

Orgel

Het orgel werd in 1831 gemaakt door Jan Adolf Hillebrand uit Leeuwarden, oorspronkelijk afkomstig uit Westfalen. Het orgel in Marrum was zijn laatst gebouwde orgel. Hillebrand is bij de orgelmakers Van Gruisen in dienst geweest. De familiegeschiedenis van Hillebrand is uitvoerig in de Friese Orgelkrant 2013 (blz. 28, 29 en 31) beschreven. De start van het orgel met 16 stemmen op twee manualen en aangehangen pedaal was niet best: bij oplevering werd het afgekeurd. In 1832 en 1833 was er tot twee maal toe brand in de Marrumer kerk waardoor het orgel helemaal in het ongerede raakte. Orgelbouwer Nicolaas Anthoni Lohman uit Groningen kreeg de taak het orgel te herstellen. Naast herstelwerkzaamheden pleegde hij een kleine dispositiewijziging, schoof diverse registers een halve toon op en v erving een flink aantal pijpen. Op 28 april 1833 werd het vernieuwde orgel in gebruik genomen.
Niolaas (of Nicolaus) Anthoni Lohman was een zoon van Dirk Lohman(n), die na eerst in Oost-Fryslân als orgelmaker werkzaam te zijn geweest, zijn orgelmakerij in Groningen vestigde. Nicolaas Anthoni zette het bedrijf in 1801 voort en bracht het tot bloei. Twee zoons namen daarna het bedrijf over, dat N.A. Lohman & Zonen ging heten. Hinderk Berends Lohman vertrok omsteeks 1835 naar de Randstad, Gerhard Willem Lohman (1802-1856) bleef als orgelmaker in Groningen gevestigd. Deze G.W. Lohman verzorgde tot aan 1844 bijna jaarlijks klein onderhoud en de stembeurten.
Vanaf 1846 nam Willem Hardorff uit Leeuwarden het onderhoud op zich. In 1859 werd begonnen met de bouw van een nieuwe toren met spits en nieuwe westmuur. Het orgel moest daartoe worden gedemonteerd. In 1860 werd het weer opgebouwd door Willem Hardorff, die toen tevens groot onderhoud aan het orgel uitvoerde. In de jaren daarna stemt Hardorff steeds het orgel. In 1878 en 1879 onderhoudt Fokke Bakker het orgel. In 1880 begint hij samen met Arjen Timmenga de orgelmakerij Bakker & Timmenga. Tot 1943 is deze orgelmakerij belast met het jaarlijkse onderhoud en stemmen.
In 1944-1945 vindt een omstreden restauratie van het orgel plaats door de firma H. Spanjaard uit Amsterdam. Er werd nogal wat aan het orgel veranderd, zowel uiterlijk als inwendig. Over deze restauratie is veel te doen geweest. Er vond een heftige polemiek plaats tussen de orgelmakers Bakker & Timmenga enerzijds en de drie toenmalige adviseurs (Oosterhof, Zonderland en Stam) anderzijds. Het onderhoud komt vanaf 1946 weer in handen van Bakker & Timmenga. In 1966 wordt de kerk gerenoveerd en dan wordt aan de firma Flentrop gevraagd om de werkzaamheden die het orgel moet ondergaan, te inventariseren en begroten. Het wordt te duur en dus gebeurt er niks. Een nieuwe poging het orgel gerestaureerd te krijgen strandt omdat het subsidieverzoek in 1970 wordt afgewezen. Ondanks het advies van de Hervormde Orgelcommissie een deskundig orgeladviseur in de arm te nemen, wordt in 1973 aan Simon Bak de opdracht verstrekt het orgel voor fl. 16.000,- weer goed bespeelbaar te maken. Dit mislukt jammerlijk: door het slechte werk dat wordt geleverd zal het Hillebrand-orgel nog tien jaar langer zwijgen.
Begin tachtiger jaren van de vorige eeuw ontstaan nieuwe restauratieplannen. Adviseur Jan Jongepier stelt een restauratierapport op en aan de orgelbouwer Haarsma uit Drachten wordt gevraagd een offerte op te stellen. De kosten worden begroot op fl. 100.000,-. Weer te duur en het alternatief om het Bakker & Timmenga-orgel uit Westernijkerk naar de Marrumerkerk over te plaatsen verdwijnt eveneens in de prullenmand.
In april 1985 bouwt Mense Ruiter een driestemmig kistorgel om in de eredienst te gebruiken. Hoewel het Hillebrand-orgel in 1991 de status van rijksmonument krijgt, lukt het vooralsnog niet de nodige gelden voor een totale restauratie los te krijgen. Als het SOW-proces op gang komt en de Gereformeerde Kerk in Marrum ‘voortvarend’ wordt afgebroken, wordt het Leeflang-orgel uit die kerk ingeruild voor een koororgel van Fonteyn & Gaal.

Vanwege het voortschrijdende SOW-proces wordt de voorrang gegeven aan de restauratie en herinrichting van de Godeharduskerk als plaats van samenkomst voor de nieuw te vormen protestantse gemeente. De orgelrestauratie komt daardoor in 2001 op een laag pitje te staan. Hoewel de firma Mense Ruiter niet veel later laat weten ruimte in haar planning voor de werkzaamheden aan het Hilleband-orgel te hebben, wordt de orgelrestauratie toch uitgesteld. In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd stopt Jan Jongepier als adviseur. Hij wordt opgevolgd door Stef Tuinstra uit Bedum. Op het gebied van de regelgeving vinden veranderingen plaats die voor de orgelrestauratie in Marrum nieuwe kansen biedt. In 2008 zegt het rijk een subsidie toe voor een totale restauratie van het Hillebrand-orgel. In 2009 kan door Mense Ruiter Orgelmakers uit Zuidwolde eindelijk met de orgelrestauratie worden begonnen.

Het orgel verkeerde in deplorabele toestand. Vermolmd snijwerk, ingezakte of beschadigde orgelpijpen, door houtworm aangetaste windladen, beschadigde pijpkernen, alle materialen moesten worden aangepakt. Een omvangrijk karwei, het zou te ver voeren hier alle details van de restauratiewerkzaamheden te vermelden.
De windvoorziening (de balgen, windladen, windkanalisatie) werd geheel gerestaureerd. Hetzelfde geldt voor de register- en speelmechaniek van 1831/1833/1860 en de klaviatuur uit 1833. In Lohman- en Hillebrandstijl werden een nieuw pedaalklavier en een orgelbank gemaakt. De naamplaatjes in de registerknoppen werden vernieuwd in de stijl van Hardorff. De orgelkast werd gerepareerd. Snij- en schilderwerk van de decoratie werden hersteld en opgeknapt. De kleurstelling uit de ontstaanstijd van het orgel werd weer zoveel mogelijk aangebracht. Het pijpwerk is schoongemaakt en opnieuw gefolied. Ook houten pijpen werden hersteld. Er werd een speciale – vrijwel gelijkzwevende – stemming aangebracht. Tenslotte is het orgel geherintoneerd. Andere Hillebrand-orgels dienden daarbij als maatstaf. Het eindresultaat is gezien de deplorabele staat waarin het orgel verkeerde, verrassend te noemen. De zangerige, volle en warme klank suggereert een ouder bouwjaar dan 1831-33.
Het pedaalwerk werd in 2009-2010 vooralsnog ongemoeid gelaten. Binnenkort gaat het pedaalwerk aangepakt worden en dan zal het aangehangen pedaal door een vrij pedaal worden vervangen.

Huidige en tevens originele dispositie:

Hoofdmanuaal (C-f3): Praestant 8vt, Bourdon 16vt, Holpijp 8vt, Octaaf 4vt,
Speelfluit 4vt, Quint 3vt, Woudfluit 2vt, Mixtuur III-IV sterk en Trompet 8vt.

Rugpositief (C-f3): Praestant 4vt, Fluit douce 8vt, Viola di Gamba 8vt, Fluit d’Amour 4vt, Octaaf 2vt, Fluit Travers 8vt (discant vanaf c1) en Dulciaan 8vt.

Pedaal (C-d1) aangehangen.

Werktuiglijke registers: klavierkoppel bas en discant (1833) en tremulant (2010).

Hallum

In oktober vorig jaar werd in Hallum een langlopend restauratieproces feestelijk afgerond. Op vrijdag 24 oktober werd het Van Gruisen-orgel weer in gebruik genomen. De tweede fase van de orgelrestauratie – en daarmee de hele restauratie – werd afgesloten. In maart 2012 was de kerkrestauratie al afgerond. Ter gelegenheid daarvan verscheen een boek over de Sint-Maartenkerk van Hallum, ‘Treed niet onachtzaam hier voorbij’. Ook uurwerk en torenklokken werden gerestaureerd. In 2003 vond een eerste fase van de orgelrestauratie plaats, die herstel van de windladen behelsde
Hallum was in de 16e eeuw een aanzienlijke plaats, door de vele adellijke geslachten en states alsmede door de aanwezigheid van het klooster Mariëngaarde rijker dan bijvoorbeeld Hindeloopen, Stavoren en Workum. Dankzij het klooster, dat in 1163 door pastoor Frederik (Freark) gesticht werd, kende Hallum sinds het einde van de 13e eeuw een vermaarde parochieschool. Frederik is na zijn dood zalig verklaard. Zijn stoffelijke resten zijn na de Reformatie heimelijk naar de Zuidelijke Nederland overgebracht. Delen van zijn stoffelijke resten worden nog altijd op een viertal plaatsen in Wallonië bewaard. De eigendommen van het klooster werden na de Reformatie geconfisqueerd en er bleef tenslotte niets van over.
De rijkdom van het gebied rond Hallum kwam vooral door de opbrengsten van de vruchtbare grond. De belangrijkste state was de op een terp gelegen Offingaburg uit de 11e eeuw of nog eerder. Waarschijnlijk hebben de bewoners van de Offingaburg een sleutelrol gespeeld in de totstandkoming van kerk en kerkhof in Hallum.

Nadat het de Franken niet was gelukt, slaagden de Angelsaksen erin de Friesen te kerstenen. De eerste kerken waren van hout. Van deze kerken is niks bewaard gebleven, mede vanwege vernielingen door de Noormannen. De komst van de Noormannen leidde ertoe dat het heidendom weer terrein won. Toen de vrees voor aanvallen van de Noormannen minder werd, werden (tuf)stenen kerken gebouwd. De eerste Hallumer kerk is van circa 1100.
De huidige Sint-Maartenkerk is een grote dorpskerk die aan de noordoostzijde van een door woningen omzoomd sfeervol kerkhof staat. Kerk en kerkhof liggen op een terp, 5 meter en 40 cm boven NAP. De huidige stenen kerk werd in een periode van zo’n 50 jaar gebouwd, kwam omstreeks 1275 gereed en kan als romano-gotisch worden gekarakteriseerd. De hoge, grote en met een spitsboog afgesloten vensters duiden op vroeg-gotische invloeden. Kloosterorden hadden vaak de leiding bij de bouw. Vanaf 1235 werden bij de bouw van de kerk ‘Friezen’ (bakstenen) gebruikt. In de beginperiode waren er nog geen banken in de kerk. De ligging was Oost-West met het koor aan de oostzijde. De ingang in de zuidmuur was voor de mannen en jongens, die in de noordmuur voor het vrouwelijk geslacht. Pas in de late middeleeuwen kwam er een preekstoel in de kerken.
De kerk van Hallum is genoemd naar Sint-Martinus, geboren in Hongarije. Over deze latere bisschop van Tours zijn vrome verhalen bekend. Elf november is zijn sterfdag. Al gauw na zijn dood kwam de verering, die geleidelijk evolueerde tot een kinderfeest. Onder andere in Fryslân, Groningen, de Zaanstreek, West-Fryslân, Almere maar ook in Vlaanderen wordt de 11e november nog steeds als Sint-Maarten door kinderen met lampions gevierd. Sint Martinus werd ook patroon van het aartsbisdom Utrecht, waar vroeger bijna heel Fryslân onder viel.
De kerk van Hallum is het oudste rijksmonument van het dorp en is een rijk gedetailleerd bakstenen godshuis. Het vijfzijdig afgesloten koor is in 1865 vernieuwd. Voor het schip van de huidige kerk is de tufsteen van de oorspronkelijke kerk opnieuw gebruikt.
Het kerkschip heeft twee aangebouwde kapellen. De noordelijke kapel (wel Lytse Toer genoemd) is het oudst en is van omstreeks 1100. Vanwege een kerkbrand was in 1155 herstel van deze kapel noodzakelijk. De kapel is het oudste deel van het kerkgebouw. Deels is in de muren tufsteen aanwezig. De noordmuur is versierd met een opklimmend boogfries. De oostelijke muur van deze kapel had oorspronkelijk een apsis. Toen in de 16e eeuw de kap werd vernieuwd, kreeg deze een dakruiter.
De kerkbrand van rond 1150 kan samenhangen met ernstige conflicten die er in de 12e eeuw tussen de aanzienlijke families in Hallum moeten zijn geweest. Nadat er een verzoening tot stad kwam, kon er een nieuwe stenen kerk worden gebouwd die circa 1180 gereed kwam. Bij het herstel en de herbouw van de kerk is het schip enkele meters naar het Oosten opgeschoven.
De zuidelijke aanbouw kwam waarschijnlijk in de 13e eeuw tot stand. Ook de 15e eeuw wordt wel als bouwperiode genoemd. Dit ‘zuiderkruis’ deed in de Franse Tijd dienst als wachtkamer. Vandaar de naam Koarte Gaarde, een verbastering van Corps du Garde.

In de 15e eeuw had de kerk al een toren. Tijdens het conflict tussen de Schieringers en de Vetkopers, in 1464, werd de toren in brand gestoken. De herbouwde toren stortte in 1804 in, waardoor het in de kerk aanwezige Hinsz-orgel verloren ging.
Tot dan toe waren er drie klokken geweest. Na herbouw van de toren, die met een speciaal ingestelde onroerendgoedbelasting werd gefinancierd, was er geen ruimte meer voor een derde klok. Deze klok werd verkocht naar Mantgum. In 1943 werd deze klok door de bezetter gevorderd en daarna is zij voorgoed verdwenen.
In de huidige toren van de Hallumer kerk hangen dus nog twee klokken. Het gezamenlijk gewicht ervan is 3040 kilo. Op de nog aanwezige grote klok met een diameter van 141 cm staat in Gotische letters: “Salvator is mijne name om de gemeente toe te ropen bin ick bequame Geert van Wou en Johan ter Stege goten mij Ao XVXLII (1542)”. Het gaat hier om Geert van Wou II, die de Kamper klokken- en geschutsgieterij van zijn vader Geert van Wou I (circa 1450-1527) overnam in Kampen Vrijwel meteen ging hij met een compagnon, Jan ter Steghe, samen werken. In 1542/1543 moeten beide onenigheid hebben gehad. Geert II verliet rond 1543 de stad Kampen – waarschijnlijk mede vanwege geloofsredenen – en overleed omstreeks 1550 in Emden.
Op de kleine luidklok (diameter 120 cm) staat: “Int jaer onses Heeren m d cxl viii heeft mij Jacob Noteman gegoten voor Hallum”. Rondom het midden van de klok staan de schenkers van de klok opgesomd. Zij schonken deze vanwege het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648. Nieuwe klokken waren nodig omdat de Friese Staten in 1580 bijna alle klokken in stad en dorp gevorderd had voor de strijd tegen de Spanjaarden. De beide klokken werden in de Tweede Wereldoorlog uit de toren verwijderd, maar keerden in januari 1946 terug waarna zij op 1 april van dat jaar teruggeplaatst werden.

Het kerkinterieur

Het interieur van de Maartenkerk is indrukwekkend. De preekstoel van 1775 is vervaardigd door Willem Groeneveld en heeft een zeszijdige kuip met voluutpilasters op de hoeken waarop de vier evangelisten zijn afgebeeld. De kerk heeft minstens vier grafkelders, waarvan twee in het Noorderkruis. Voorts ligt er een portretzerk in het Noorderkruis en ook in het Zuiderkruis (de Korte Gaarde) liggen prachtige zerken. Een deel van alle zerken in de kerk zijn na de laatste restauratie in het zicht gebracht, andere bevinden zich nog onder de vloer.

Deze zerken zijn net als de vijf herenbanken in de kerk van aanzienlijke of adellijke families. Uit een geschreven bron is bekend dat in juni 1698 de kerkvoogden bijeen kwamen om te beslissen op het verzoek van jonkheer Sjuk van Burmania een herenbank in de kerk te mogen hebben. Er werd overeengekomen dat hij de kosten van de plaatsing zelf moest betalen en bovendien jaarlijks een een huursom zou betalen. De nieuwe herenbank bood ruimte voor het hele adellijke gezin. De namen van vijf herenbanken die zich thans nog in de kerk bevinden, verwijzen naar de (adellijke) families die de banken lieten plaatsen en gebruikten: De overhuifde Martinsbank kent 17e-eeuwse elementen, die ouder zijn dan de rest van de bank. Waarschijnlijk is de bank in de 19e eeuw vervaardigd met gebruikmaking van ouder materiaal. In 2011 kreeg de bank een andere plek in de kerk. De eiken Sixmabank is eveneens overhuifd en dateert van omstreeks 1630. Op het familiewapen staat in het midden een keper (symbool voor hechtheid en kracht) met twee ringen die de eeuwigheid symboliseren. Bij de laatste kerkrestauratie werd onder de voorbank een rechthoek van kleine, vermoedelijk 13e-eeuwse plavuizen ontdekt. Misschien bestond de kerkvloer oorspronkelijk geheel uit dergelijke plavuizen. Vóór de bank bevindt zich een grafzerk die mogelijk bij de bank hoort. De 17e-eeuwse Moormansbank is genoemd naar Jacobus Moorman, die in 1788 voogd van het Poptaslot in Mars(s)um werd. De Hoekstrabank dateert vermoedelijk uit het midden van de 17e eeuw en de Van der Leijbank uit de 19e eeuw.

De uit 1806 daterende peiwand vormt de afscheiding tussen het portaal en de kerkzaal. De wand heeft vier pilasters die drie traveeën vormen. In het middelste travee bevindt zich de dubbele toegangsdeur naar de kerkzaal. Bij de laatste restauratie hebben de pilasters een blauw-groene tint gekregen. In de kerkzaal hangen twee fraaie rouwkassen en twee rouwborden. Vóór de Franse Revolutie hebben er meer rouwkassen en -borden in de Hallumer kerk gehangen. In de ‘Franse Tijd’ is er veel dat aan adellijke families herinnerde vernield.

Van Gruisen-orgel

Op vrijdag 24 oktober is het Van Gruisen-orgel in de Sint Maartenkerk van de Protestantse Gemeente Mariëngaarde in Hallum opnieuw in gebruik genomen. Het instrument uit 1811 werd gerestaureerd door orgelmakerij Bakker & Timmenga te Leeuwarden.
Eind 17e eeuw heeft de Sint-Maartenkerk al een orgel, want dan komt de naam van Harmen Jansz. uit Berlikum voor inzake reparatie aan het orgel. In 1738 repareert M. Schwartzburg het orgel en in 1750 is dat A.A. Hinsz. Hoewel F.C. Schnitger in 1762 het orgel stemt, krijgt Hinsz in 1766 opdracht een nieuw orgel te bouwen. Klaas de Jong te Leeuwarden maakt het snijwerk ‘voor de pijpen in het nieuw orgel’, C. van den Berg te Leeuwarden ontvangt 91 gld. voor het maken van de wapens en snijwerk aan het orgel, terwijl A. Swalve drie snijstukken boven op het orgel maakt en voor de harp van David koperdraad moet kopen. De schilder wordt betaald voor het verven en vergulden van de drie stukken op het orgel. Sinds 1771 wordt het orgel door verschillende orgelbouwers – F.C. Schnitger, A.A. Hinsz en L. van Dam – gestemd.
Toen in 1804 de kerktoren van de Sint-Maartenkerk in Hallum instortte, ging ook orgel van Hinsz uit 1768 verloren. Na het van kerk en toren bouwde Albertus van Gruisen uit Leeuwarden in 1809/1811 het huidige instrument. Het tweeklaviers orgel had 22 stemmen en aangehangen pedaal en was daarmee het grootste Van Gruisen-orgel in Fryslân.
In 1816 is in de Leeuwarder Courant een polemiek te lezen tussen Van Gruisen en Jan Adolf Hillebrand over de slechte staat van het orgel in de kerk van Hallum dat in 1811 door Van Gruisen was opgeleverd en nadien door Hillebrand onderhouden. Het orgel was voor een belangrijk deel door Hillebrand in dienst van Van Gruisen vervaardigd. Hillebrand stelt dat toen hij bij Van Gruisen werkte ‘het Orgel volgens hun Plan gemaakt’ te hebben. In een voorafgaande advertentie schrijft Van Gruisen, zich verontschuldigend voor de slechte staat waarin het nog betrekkelijk nieuwe orgel verkeerde, dat dit was veroorzaakt door iemand “die eenigen tijd bij hun als Knecht gewerkt hebbende, verwaand genoeg was zich zelven als Meester te beschouwen”. Vermoedelijk hebben Jan Adolf Hillebrand en zijn broer van 1808-1811 allebei bij vader en zoon Van Gruisen gewerkt en zijn zij daarna voor zichzelf begonnen. Het eerste orgel dat Jan Adolf zelfstandig bouwde, was dat te Oosternijkerk in 1814. In 1831 werd het uitgebreid door Willem van Gruisen.
In 1871 werd het orgel in Hallum door Hardorff gerestaureerd. De spaanbalgen werden vervangen door een magazijnbalg in een nieuwe balgenkas en er kwamen twee nieuwe handklavieren. Daarenboven werd het orgel uitgebreid met een zelfstandig pedaal van vier stemmen. De karakteristieke klankkleur van het orgel laat Hardorff intact.

Wijzigingen

In 1909 bracht de firma L. van Dam en Zonen een aantal wijzigingen in de dispositie aan. Op het Hoofdwerk werden de Fluit doux 8vt en de Sesquialter verwijderd en werd een Violoncel 8vt geplaatst. De Mixtuur werd gedeeld in bas en discant. Op het Rugwerk werden de Viool de Gambe en Tertiaan vervangen door een nieuwe Viola di Gamba 8vt en een Celeste 8vt. Van Dam verving de registerknoppen door nieuwe. Bakker & Timmenga voerde in 1931 diverse herstelwerkzaamheden uit. Het houten pijpwerk van de bas van de Bourdon 16vt en het metalen pijpwerk C-Fis van de Roerfluit 8vt en C-Fis van de Holpijp 8vt werd in hout vernieuwd. De samenstelling van de Mixtuur en de Cornet werd gewijzigd. Tevens werd pijpwerk verschoven en werden expressions aangebracht. Sommige frontpijpen werden voorzien van een laag aluminiumverf. Omdat het instrument in deplorabele staat verkeerde (onder andere door de heteluchtverwarming), werd restauratie meer en meer noodzakelijk. Al in de jaren '80 bracht Jan Jongepier een rapport uit waarin sprake was van ‘terugrestaureren’ naar de oorspronkelijke toestand met behoud van het pedaal van Hardorff. Nadat in 1997 al beeldenpartijen op het Hoofdwerk (geloof, hoop en liefde) en het Rugwerk (David met harp en musicerende engelen) hersteld en opnieuw geschilderd waren, werd in 2003 uiteindelijk een eerste fase van de restauratie door Bakker & Timmenga afgerond, zij het met behoud van latere wijzigingen in de dispositie. Windladen en houten pedaalpijpwerk werden gerestaureerd. Voorts werd de windvoorziening gerepareerd. Op 6 juni 2003 kon het instrument van Van Gruisen weer in gebruik worden genomen.

Bij de restauratie van 2013/14 werden de dispositiewijzigingen uit 1909 en 1931 ongedaan gemaakt en verdwenen registers nieuw gemaakt. Het pijpwerk werd teruggeschoven naar de oorspronkelijke plaats, waarvoor nieuw pijpwerk werd bijgemaakt. De samenstelling van Mixtuur en Cornet werd hersteld. De aangebrachte expressions werden verwijderd. Het in 1931 vervangen pijpwerk van de gedekten werd nieuw gemaakt: de houten bas van de Bourdon 16vt en opnieuw metalen pijpwerk voor C-Gis van de Roerfluit 8vt en de Holpijp 8vt. Het frontpijpwerk werd ontdaan van aluminiumverf en voorzien van tinfolie, de labia verguld.
Hoofd- en Rugwerk herkregen een winddruk naar Van Gruisen-voorbeeld, het pedaal kreeg een winddruk die bij Hardorff gebruikelijk was. De uitklinkmogelijkheid van het pedaalpijpwerk werd verbeterd. Door de recente restauratie is het orgel dan toch hersteld naar het oorspronkelijke klankbeeld, met behoud van het pedaal uit 1871.

De lage plaatsing van de manualen werd met zes centimeter verhoogd om zo meer acceptabele speelverhoudingen te creëren. Pedaalklavier en orgelbank werden vervangen door nieuwe, in stijl vervaardigde exemplaren. De registertrekkers uit 1909 werden vervangen door nieuwe, evenals de registerplaatjes die werden geschilderd door K. de Graaf uit Birdaard, de Van Gruisen- en Hardorffregisters elk in hun respectieve stijl.
Ook de orgelkas werd gerestaureerd. Bij de hoofdkas werd opnieuw een achterwand geplaatst. Om de uitspraak van het pedaal te verbeteren werd aan de bovenzijde van de pedaalbehuizing een opening aangebracht. Het schilderwerk van de orgelkassen werd gerestaureerd door Meesterschilder Jilt Heidstra te Leeuwarden.
Op vrijdag 24 oktober 2014 werd het gerestaureerde orgel door organist-adviseur Theo Jellema gepresenteerd met muziek van Kittel, Bach, Boëly, Knecht en Mendelssohn. Ook gaf hij samen met orgelmaker Bert Yedema van Bakker & Timmenga een terugblik op de restauratie en een registerdemonstratie.
Van het gerestaureerde orgel is een cd uitgebracht die werd ingespeeld door Jan Jansen, oud-organist van de Utrechtse Dom. De opbrengst van de cd komt ten goede aan het Van Gruisen-orgel uit de doopsgezinde kerk in Harlingen dat na een ‘moeizame’ geschiedenis herplaatst wordt in de Oude Kerk te Soest.

Huidige dispositie:


Hoofdwerk (C-f3): Bourdon 16vt [bas 2014], Praestant 16vt discant, Praestant 8vt, Roerfluit 8vt [C-Gis 2014], Fluit Doux 8vt [2014], Octaaf 4vt, Speelfluit 4vt, Quint 3vt,
Superoctaaf 2vt, Mixtuur III-IV-V [samenstelling gereconstrueerd 2014],
Cornet III discant, Sexquialter II [2014] en Trompet 8vt bas/discant

Rugwerk (C-f3): Holpijp 8vt [C-Gis 2014], Fluit travers 8vt discant, Viool de Gamba 8vt discant [2014], Praestant 4vt, Fluit Amour 4vt, Nazat 3vt, Woudfluit 2vt, Tertiaan 1½vt [2014] en Dulciaan 8vt

Pedaal (C-d1): Subbas 16vt [1871], Octaafbas 8vt [1871], Octaaf 4vt [1871], Basson 16 vt [1871]; gereserveerde sleep voor Trombone 8vt.

Werktuiglijke registers: Manuaalkoppel, Pedaalkoppel en Tremulant Rugwerk.

JSJ


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard