ok2010menu


  Voorjaarsexcursie 2010 naar Zuidoost Fryslân Friese Orgelkrant 2010


De voorjaarsexcursie in 2010 van de Stichting Organum Frisicum vindt op zaterdag 10 april plaats en gaat naar het zuidoostelijke deel van de provincie Fryslân met een uitstapje naar de aangrenzende Drentse gemeente Noordenveld. Dat Drentse uitstapje betreft een bezoek aan de koepelkerk van het gevangenisdorp Veenhuizen waar zich een orgel bevindt van de Friese orgelmaker Hillebrand, dat oorspronkelijk werd gebouwd voor de hervormde kerk van Akkrum.
In Veenhuizen is sinds 2005 Boeijenga's Boek- en Muziekhandel gevestigd, op loopafstand van de Veenhuizer koepelkerk. Deze muziekhandel, die in 1887 werd opgericht in Sneek en daar ook altijd in een pand aan het Kleinzand heeft gezeten, is ondergebracht in een fraai historisch pand. Voor de geschiedenis van deze bekende, van oosprong Friese boek- en muziekhandel zij verwezen naar de website www.muziekhandel-boeijenga.nl. Tijdens de voorjaarsexcursie op 10 april is muziekhandel Boeijenga geopend. De voorjaarsexcursie gaat eerst naar het Friese Noordwolde in de gemeente Weststellingwerf en naar Oldeberkoop en Oosterwolde in de gemeente Ooststellingwerf. In 2009 vierden beide gemeenten hun 700-jarig jubileum, omdat voor zover bekend de naam Stellingwerf voor het eerst in een document uit 1309 voorkomt.

Stellingwarf 1309 - 2009

De regio Stellingwarf heeft sinds mensenheugenis een bijzondere, eigen plaats ingenomen in de politieke en bestuurlijke ontwikkelingen in Noordoost Nederland. Aanvankelijk viel het gebied vanaf de 10e eeuw geheel onder de jurisdictie van de bisschop van Utrecht en de graaf van Drenthe. Vanaf 1328 tot het begin van de 16e eeuw had de regio een zelfstandige politieke en bestuurlijke positie met een eigen bestuur. Stellingwarf werd in die tijd geleid door 'Stellingen' meestal drie in getal, die jaarlijks uit en door de bevolking werden gekozen. Het ambt van stelling wisselde elk jaar van hoeve tot hoeve en van dorp tot dorp. Daaruit blijkt dat het bestuur van de regio niet in een vaste plaats was gevestigd. Het gebied beschouwde zich lange tijd als 'vrij', oftewel als 'rijksonmiddellijk', net als in het geval van onder meer de Friezen van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. Dat wil zeggen dat zulke gebieden rechtstreeks onder het centrale bestuur van de Duitse koning of keizer vielen. In de praktijk kwam dat neer op onafhankelijkheid, en daarom wordt in ouder geschiedkundig werk ook wel gesproken van 'de vrije natie der Stellingwerven'. In de periode tot circa 1500 droeg het gebied vooral de naam Stellingwarf, daarnaast werd het ook vaak als 'Stellingwerf' aangeduid. Stellingwarf is de benaming in de uitspraak van de Stellingwerver streektaal, het Stellingwarfs, dat onderdeel is van het Nedersaksisch. Het Nedersaksisch is, naast het Fries en Limburgs, een erkende regionale taal in ons land. De huidige gemeentebenamingen Ooststellingwerf en Weststellingwerf weerspiegelen de splitsing van Stellingwarf in 1517/1524, nadat het gebied in 1504 was toegevoegd aan Friesland, dat in 1498 als bestuurlijke eenheid was ontstaan. In het Stellingwerfs 'volkslied' heet het " Wi'j bin gien echte Friezen, mar ok gien Drenten meer".

De eerste keer dat de landsnaam Stellingwarf zich in geschreven bronnen voordoet, is in een bekende bisschoppelijke oorkonde van 24 augustus 1309. Die wordt wel aangeduid als de Excommunicatiebulle van Guido van Avesnes, bisschop van Utrecht (1301-1317). Deze oorkonde is nogal belangrijk, niet alleen vanwege de eerste naamsvermelding van Stellingwarf, maar meer nog om de inhoud. Daaruit wordt duidelijk waarom de vervaardiging van de oorkonde noodzakelijk geworden was. Er deed zich namelijk in die tijd een ernstig conflict voor tussen de bestuurders en inwoners van het middeleeuwse land Stellingwarf enerzijds en Guido van Avesnes, bisschop van Utrecht, anderzijds. Daarbij ging het om kwesties rond bezit en pacht van boerderijen en landerijen van Stellingwervers in Steenwijkerland, een gebied waarvan de bisschop landsheer was. Verder weigerden de Stellingwervers om de bisschop als hun heer te erkennen en hem belasting te betalen, want zij beschouwden zich, net als de andere 'vrije Friezen' in die tijd als vrij en ze wilden dus niet onderworpen zijn aan het landsheerlijke gezag van de bisschop.

Het conflict liep op zeker moment uit op een indrukwekkende belegering en de bijna-inname uit het naburige Schoterwerf. Het kasteel werd echter op het laatste moment nog ontzet door bisschoppelijke troepen, die militaire hulp hadden gekregen van de graaf van Holland. In de 'voor hun voornoemde buitensporige gruwelijkheden passend genoegdoening hebben geschonken en ontslag van deze straffen verdiend hebben'.

Noordwolde

Het Friese Noordwolde behoort tot de gemeente Weststellingwerf met Wolvega als hoofdplaats. Noordwolde ligt in het drieprovinciënpunt Fryslân-Drenthe-Overijssel en is een streekdorp met momenteel circa 4200 inwoners dat in de Middeleeuwen is ontstaan. Dankzij de turfwinning kende het dorp een grote bloei. Maar de turfwinning was niet van eindeloze duur en aan het begin van de 19e eeuw heerste in Noordwolde, net als in grote delen van Nederland overigens, grote armoede. Bij toeval ontstond in de eerste helft van de 19e eeuw de rietvlechterij: een Duitse veenarbeider doodde zijn tijd met het vlechten van manden. Enkele notabelen namen het initiatief om deze vorm van ambachtelijke huisvlijt uit te breiden. Het ambacht werd bijgevolg door steeds meer inwoners van Noordwolde overgenomen en in 1860 waren er al ruim 100 dorpelingen die zich er mee bezig hielden. Er ontstaat een naai- en breischool en nog later een werkschool, waar meisjes uit de armste gezinnen les krijgen in strovlechten en waar ze hoeden en petten leren maken.

De rietvlechtindustrie kreeg nog een grotere impuls doordat de plaatselijke predikant ds. Edema van der Tuuk rond 1870 in Amsterdam door Duitsers vervaardigde meubels van rotan zag. De rotanindustrie kwam in Noordwolde tot grote bloei: in 1898 waren er 125 mensen in werkzaam. In 1912 werd er zelfs de eerste Rijksrietvlechtschool van Nederland opgericht. Maar de Noordwoldiger industrie kon niet op tegen concurrerende producenten en na de Tweede Wereldoorlog werd de rietvlechtschool gesloten. Maar nog steeds zijn in Noordwolde bedrijven te vinden waar rietproducten worden vervaardigd. En de rietvlechtschool is nu een museum en uitgebreid met een multifunctioneel centrum.

In de 10e eeuw is er in Noordwolde al sprake geweest van een kerk. In 1920 zijn er bij opgravingen overblijfselen gevonden van een rond kerkhof omgeven door een gracht. Op dat kerkhof stond een tufstenen kerk van 7,20 m lang. Deze kerk is in de 2e helft van 14e eeuw verwoest en rond 1400 werd er op een nieuwe plaats, ongeveer een km van de plaats waar de vorige kerk stond, een nieuwe kerk gebouwd. Op dezelfde plaats is in 1640 de huidige kerk gebouwd.

Om verpauperde stadsbewoners aan werk te helpen werd aan het begin van de 19e eeuw de "Maatschappij van Weldadigheid" opgericht. Deze mensen kregen als taak de woeste grond in Drenthe te ontginnen. Daardoor ontstonden de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord. Van de mensen die om wat voor reden dan ook de kolonie verlieten, kwam een groot aantal in Noordwolde terecht. Blijkbaar gingen zij er ook ter kerke, wat tot gevolg had dat de kerk te klein werd zodat er in 1853 een dwarsbeuk bij de kerk werd aangebouwd. In 1868 wordt de bouwvallige klokkenstoel afgebroken en krijgt de kerk een toren. In de dwarsbeuk wordt in 1876 het eerste orgel van de kerk van Noordwolde gebouwd. De bouw is mogelijk door een schenking van duizend gulden van mejuffouw Maria Kuyper, de oudste dochter van ds. H. Kuyper, die van 1797 tot 1839 predikant te Noordwolde was. Het orgel werd gebouwd door de orgelmakers L. van Dam en Zonen te Leeuwarden voor een bedrag van 3400 gulden. In 1940 vindt er een restauratie plaats door de firma Vaas en Bron. Als in 1967 de zijvleugel van de kerk weer wordt verwijderd, wordt het orgel verplaatst naar de westzijde van de kerk – dat is aan de kant van de toren – waarbij herstellingen worden uitgevoed door E.R. Ottes. In 2007-2008 vindt een grote restauratie plaats door orgelmakerij Bakker & Timmenga. Hierbij werd de in 1967 geplaatste Sesquialter vervangen door een Cornet 3 sterk discant, overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling van Van Dam. Ook werden de in 1967 verwijderde vleugelstukken weer aan het front bevestigd. De ornamenten in neobarokke stijl vormen een fraai detail in het front. Voorts is het hele mechaniek gecontroleerd en waar nodig hersteld of vernieuwd.

De windladen zijn geheel hersteld en er is een nieuwe elektrische windmachine aangebracht. Verder werd bij deze restauratie het orgel naar voren geplaatst en in de balustrade geïntegreerd. Curieus is dat een balk die vóór het orgel langs liep, nu door de orgelkas loopt precies achter de frontpijpen langs. De consoles onder de beide fronttorens die in 1967 verloren gingen, zijn nieuw gemaakt door houtsnijwerker Tico Top uit Kruisweg (Groningen). De hele restauratie kostte zo'n 150.000 euro, waarvan de protestantse gemeente uit Noordwolde zelf 30.000 euro moest opbrengen. De restauratie vond plaats onder advies van Jan Jongepier uit Leeuwarden.

De dispositie van het orgel in Noordwolde is als volgt:

Hoofdwerk, C - g'''  Bourdon 16, Prestant 8, Holpijp 8, Octaaf 4, Quintprestant 3, Octaaf 2, Cornet 3st.,
Trompet B / D 8

Bovenwerk, C - g'''  Salicionaal 8, Viool de Gambe 8,Fluitdolce 8, Fluittravers 4, Gemshoorn 2

Pedaal, C - g  Aangehangen

Werktuiglijke registers  Klavierkoppel, 2 afsluiters, Tremulant, Windlosser

Windvoorziening: Magazijnbalg met schepbalgen
Claviatuur aan de linker zijkant
Toonhoogte: a1=440Hz
Winddruk: 65 mm wk

Oldeberkoop

Het dorp Oldeberkoop is het oudste dorp van de gemeente Ooststellingwerf. Een gemeente met bijna 27.000 inwoners die over dertien dorpen verspreid wonen. Oldeberkoop met ruim 1500 inwoners wordt voor het eerst genoemd in 1228, als Friese strijders in "Brokope" bij elkaar komen om Drenthe in te trekken. Dit historische dorp is 900 jaar geleden ontstaan op de zandruggen tussen de riviertjes de Linde en de Tjonger. De naam Oldeberkoop is waarschijnlijk voortgekomen uit twee andere woorden. Namelijk "broek", dat "stuk grasland" betekent, en "ope", afgeleid van water. Aan beide zijden van de Linde en de Tjonger lagen vroeger landerijen die een groot deel van het jaar onder water stonden. Dankzij deze twee riviertjes ligt Oldeberkoop nog steeds in een prachtige omgeving, die zich uitstekend leent voor verschillende vormen van recreatie.

Van 1812 tot 1816 was Oldeberkoop hoofdplaats van de mairie Oldeberkoop en van 1816 tot 1855 was Oldeberkoop de hoofdplaats van de herenigde grietenij Ooststellingwerf. Vanaf ongeveer 1900 heeft familie Willinge Prins veel invloed op de ontwikkelingen in het dorp gehad. Oldeberkoop heeft een zekere allure. Dat is mede te danken aan hetgeen familie Willinge Prins heeft nagelaten. Twee landhuizen, Lunia en Vredewoud, zijn markante gebouwen uit een bijzonder verleden. De oude dorpskom roept, mede dankzij de prachtige bomen, nostalgische gevoelens op. Door het authentieke karakter lijkt het verleden nog steeds aanwezig te zijn. De oude dorpskom van Oldeberkoop staat als beschermd dorpsgezicht op de lijst van rijksmonumenten. Ook buiten het oude dorpscentrum staan karakteristieke oude gebouwen. In 2004 is door de Stichting Open Stal het boekje "Architectuur-route" uitgegeven. Aan de hand van 29 bijzondere gebouwen wordt een wandeling door het mooie dorp gemaakt. Het boekje is te koop bij het Toeristisch Informatiepunt.

De protestantse kerk van Oldeberkoop, die vóór de Reformatie aan de heilige Bonifatius was gewijd (zowel de naam Vituskerk als Bonifatiuskerk komt voor), is een romanogotische kerk en is in verschillende perioden tot stand gekomen. Er is een romaans gedeelte met kleine ramen en een gotisch gedeelte met grote ramen. De grijze tufstenen gedeelten zijn zo'n 13 meter lang en zullen de muren zijn geweest van het oorspronkelijk romaanse kerkje. Omstreeks 1450 is de kerk naar het oosten toe uitgebreid met een gedeelte dat is opgetrokken uit oude Friezen, grote bakstenen. In het jaar 1585 tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd de toren van deze kerk door uit Steenwijk komende Spanjaarden, ondergraven, zodat hij instortte. Maar omstreeks 1600 is de toren herbouwd, alleen wegens gebrek aan geld smaller en minder hoog dan de vorige. Na het Twaalfjarig Bestand liet het gewestelijke bestuur van Friesland in 1623 nog een schans bij Oldeberkoop aanleggen, de Bekhofschans. Deze schans werd vermaard in 1672 toen de Bisschop van Munster de provincie Friesland wilde binnendringen, maar zijn strijders niet langs het bolwerk wisten te komen. De schans maakte destijds deel uit van de Friese Waterlinie. In 2007 zijn de resten van de 17e-eeuwse schans ontdaan van begroeiing en de contouren zijn toen door middel van palen weer zichtbaar gemaakt. Op de Bekhofschans is op 13 oktober 1979 een kanon gevonden. Sinds 15 augustus 1981 staat dat kanon bij de ingang van het dorp. De nagebouwde affuit is goedgekeurd door het wapenmuseum in Delft.

De kerk is in 1845 vernieuwd. Maar omstreeks 1900 stond er een haveloze kerk die om het verval te keren bepleisterd was. Daarop vond een restauratie plaats in 1927-1930, gevolgd door een grondige restauratie aan het begin van de zestiger jaren, waarbij de kerk zoveel mogelijk in de oude luister is hersteld. Het eerste orgel in deze kerk is gebouwd door de Gebr. Scheuer in 1858. Het binnenwerk is verloren gegaan. In 1914 plaatste de fa. v/h D. Ansingh & Co. een harmonium in de Scheuerkas. In 1919 plaatste de laatste generatie van het huis Van Dam een nieuw orgel in de oude kas. De frontpijpen van Scheuer werden daarbij opnieuw gebruikt en ook een aanzienlijk bestanddeel (ouder) pijpwerk van Albertus van Gruisen uit 1787. Van Dam sloot de oude frontpijpen van Scheuer opnieuw aan en vulde de Prestant 8 vt aan met pijpen uit de Quint 3 vt van Van Gruisen. Er werd aldus een orgel met zes registers opgeleverd, geheel naar de smaak van die tijd met drie achtvoets registers en slechts twee viervoeten. Hoger klinkende werden door Van Dam niet in dit orgel geplaatst. In 1975 werd door H. Dantuma een octaaf 2 vt toegevoegd aan de dispositie. Deze paste echter minder goed in het klankbeeld. In 1988 is het orgel gerestaureerd en gewijzigd door de orgelmakers Mense Ruiter uit Zuidwolde. De windvoorziening, windlade, klavieren en de mechanieken werden hersteld, de dispositie werd gewijzigd naar het klankbeeld van Van Gruisen. Het overgrote deel van het pijpwerk is van de hand van Van Gruisen, wat deze keuze rechtvaardigde.

De geschiedenis van het Van Gruisenmateriaal is als volgt: in 1787 bouwde Albertus van Gruisen een orgel voor de hervormde kerk te Warga. In 1871 leverde L. v. Dam & Zn daar een nieuw orgel. Het oude namen ze in en een deel van dat orgel kreeg een nieuwe bestemming in een éénklaviersorgel dat L. van Dam bouwde voor de Afgescheiden gemeente te Dokkum. Dit instrument werd in 1918 vergroot en gemoderniseerd. Daarbij werd het Van Gruisen pijpwerk verwijderd en een jaar later kreeg het opnieuw een nieuwe bestemming in het orgel in Oldeberkoop. Op het Van Gruisen pijpwerk zijn zowel de inscripties 'warga' als 'dokkum' gevonden. Bij de laatste restauratie is één register van Van Dam niet teruggekeerd. De Violon 8 voet kreeg een nieuwe bestemming in het Van Dam orgel (1908) in Middenbeemster HK.

De dispositie van het orgel in Oldeberkoop:

Manuaal, C - g'''  Bourdon D 16 (1787), Prestant B/D 8 (B 1858, D 1988), Holpijp 8 (C-H 1919, rest 1787),
Octaaf 4 (1787), Fluit 4 (1787), Quint 3 (30 pijpen 1787, rest 1988), Octaaf 2 (1988)

Pedaal, C - h  Aangehangen

Toonhoogte bijna ½ toon boven normaal. Het orgel is gelijkzwevend gestemd.

Albert van Gruisen was zeer waarschijnlijk een leerling van de befaamde orgelmaker A.A. Hinsz. Hoewel het niet geheel zeker is, mogen we ervan uitgaan dat er in ieder geval een band tussen beide orgelmakers bestond. Zeker naar het einde van het leven van Hinsz toe nam Van Gruisen regelmatig een opdracht van Hinsz over omdat die zich te ziek of te oud voelde worden. Hinsz had vermoedelijk de ziekte van Parkinson. Dit zou onder andere uit het steeds onstabieler wordende handschrift van Hinsz afgeleid kunnen worden. Ze hebben elkaar in ieder geval goed gekend, en Hinsz zal zeker goed op de hoogte zijn geweest van het kunnen van Van Gruisen, anders had hij hem niet als vervanger aangeraden.

Oosterwolde

Sinds 1886 is Oosterwolde de hoofdplaats van de gemeente Ooststelingwerf. Het telt bijna 10.000 inwoners. Oosterwolde is een van de dorpen die gelegen zijn aan de Opsterlandse Compangnonsvaart, waar jaarlijks vele watertoeristen gebruik van maken als zij de zogeheten turfroute varen. De straatnaam Trambaan herinnert nog aan de tramverbinding die er vroeger geweest is tussen Oosterwolde en Makkinga. Vanaf ongeveer 1660 werden er uitsluitend in Makkinga zittingen van het grietenijgerecht gehouden. Daarmee fungeerde Makkinga als hoofdplaats van de gemeente. Als Nederland van 1810 – 1813 bij Frankrijk is ingelijfd, verandert deze situatie. Er komt in 1812 een nieuwe bestuurlijke organisatie, waarbij de grietenij Ooststellingwerf in twee 'mairies' (gemeenten) wordt opgesplitst: Oldeberkoop en Oosterwolde. Makkinga valt dan onder de mairie Oldeberkoop. Na de Franse tijd besluit koning Willem I dat Friesland weer als vanouds in grietenijen zal worden verdeeld. Oldeberkoop wordt dan de hoofdplaats van Ooststellingwerf. Met de komst van een nieuwe gemeentewet (1851) wordt Makkinga in 1855 opnieuw de hoofdplaats van Ooststellingwerf.

In 1885 besluit de gemeenteraad het gemeentehuis naar Oosterwolde te verplaatsen. In 1886 wordt dit besluit geëffectueerd en sindsdien is Oosterwolde tot op de dag van vandaag de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf. Het kerkgebouw Het Anker is in gebruik genomen op 20 april 1966 en vervangt de oude Gereformeerde kerk die te klein geworden was. Er is nog wel overwogen om de oude kerk te vergroten, maar dat bleek technisch niet haalbaar. Al in 1958 werd een bouwcommissie ingesteld die de nieuwbouwplannen in goede banen moest leiden. Na jaren van plannen bedenken en vergaderen met B&W werd in 1963 een stuk grond aan de Jan Frankensingel toegewezen aan de kerkelijke gemeente. De bouwvergunning volgde in 1964 en in augustus van dat jaar konden de bouwwerkzaamheden daadwerkelijk van start gaan. Als architect werd architectenbureau Kloosterman en Grit te Oosterwolde in de arm genomen. De heer Kloosterman begeleidde de bouwplannen. Toen hij in 1963 overleed, nam de heer Grit zijn werkzaamheden over.

In het begin van deze eeuw ontstonden opnieuw plannen om het Anker te verbouwen. Onderhoud aan het gebouw was nodig, de hal werd als te klein ervaren. Uiteindelijk is in 2008 de kerk verbouwd. Er kwam een nieuwe vloerverwarming, de kerkzaal werd opnieuw geschilderd, de voorheen poreuze bakstenen muren voor en achter in de kerk werden gesausd, de entree en hal werden verbeterd en vergroot, de tuin werd opnieuw vormgegeven. Met de start van het kerkelijk jaar 2008 werd ook de gerenoveerde kerk weer in gebruik genomen. Tot die tijd had de gemeente wekelijks in de Dorpskerk haar bijeenkomsten belegd.

In 1965 zijn er de eerste contacten met orgelhandelaar fa. H. Faber & zonen uit Dokkum. Hij biedt een orgel te koop aan, van 13 stemmen, verdeeld over 2 klavieren en vrij pedaal. Hoewel de volledige dispositie niet bewaard is gebleven worden in de archiefstukken wel registers als Vox Celeste, Trompet 8' en Cornet genoemd. Dit orgel was gebouwd door de fa. A.S.J. Dekker uit Goes. Het bouwjaar is niet bekend. Men wordt het eens over de koop en het orgel wordt geplaatst in de nieuwe Gereformeerde kerk. Al snel doen zich de eerste problemen rond het orgel voor. Het lukt de fa. Faber niet om ze afdoende te herstellen, en na 4 jaar besluit men advies in te winnen bij Mense Ruiter, orgelmaker te Groningen. Hij verklaart het orgel als onbespeelbaar en van slechte kwaliteit. Geld uitgeven aan herstel is volgens Ruiter weggegooid geld. Hierna volgt een briefwisseling tussen de kerkenraad en dhr. Faber. Uiteindelijk wordt de zaak geschikt, alhoewel dit nog wel enige beroering veroorzaakt in de plaatselijke krant. Vervolgens worden verschillende offertes aangevraagd om een nieuw instrument aan te schaffen. De keuze valt uiteindelijk op de offerte van de fa. Vierdag te Enschede. Deze firma doet een voorstel voor een orgel met 11 registers, verdeeld over 2 klavieren en vrij pedaal. Het aanbestedingscontract wordt getekend op 8 juni 1973. Volgens het contract zou het orgel in februari 1975 opgeleverd worden. Echter, de fa. Vierdag krijgt te maken met ziekte waardoor achterstand ontstaat in de leveringstijd. Uiteraard is de Gereformeerde kerk hier niet blij mee, maar Vierdag belooft het orgel zo spoedig mogelijk te leveren en men gaat hiermee akkoord. Zo wordt in 1976 het nieuwe orgel uiteindelijk in gebruik genomen met een concert door adviseur Addie de Jong. Hij speelde werken van Sweelinck, Buxtehude, Bach, Mendelsohn, Dubois en een improvisatie. Het oude Dekkerorgel werd overigens verkocht aan J.J. Harkema te Zuidhorn. Het orgel is daarna in onderhoud gebleven bij de fa. Vierdag en nadat zij hun werkzaamheden hadden beëindigd ging het onderhoud over op de fa. BAG. Tijdens de werkzaamheden aan de kerkzaal in 2008 is het orgel ingepakt. Nadien is het schoongemaakt en gestemd. Aanpassingen aan de intonatie zijn niet gedaan.

De dispositie van het orgel in Oosterwolde (GK):

Hoofdwerk, C - f'''  Prestant 8, Roerfluit 8, Octaaf 4, Octaaf 2, Mixtuur 4 st.

Borstwerk, C - f'''  Holpijp 8, Fluit 4, Gemshoorn 2, Quint 1½, Dulciaan 8

Pedaal, C - f'  Subbas 16

Werktuiglijke registers  Tremulant BW, Koppels: HW - BW, HW - P, BW - P


Veenhuizen

In het jaar 1823 bouwde de Maatschappij van Weldadigheid drie grote inrichtingen voor landlopers, bedelaars en wezen. Het was het begin van het dorp Veenhuizen. Doel van de Maatschappij was om deze armen een heropvoeding te geven en een nieuw bestaan als boer in de Drentse veenkoloniën te bieden. Samen met het verplegend personeel vormden zij een bont gezelschap. Vele van de huizen waarin het verplegend personeel vroeger woonde zijn fraai gerestaureerd. Op de gevels van deze huizen prijken stichtelijke teksten als 'werk en bid'. Omdat niet iedereen vrijwillig in Veenhuizen verbleef bouwde men ook grote vierkante dwanggestichten. Overigens werden ook deze gevangenen verpleegden genoemd. Men sliep in slaapzalen waar gemiddeld 80 mensen sliepen. De journaliste en schrijfster Suzanna Jansen schetst in haar boek 'Het pauperparadijs' aan de hand van haar familiegeschiedenis een persoonlijk beeld van Veenhuizen. Het dorp telt meer dan 100 rijksmonumenten, waaronder de elektriciteitscentrale, het oude hospitaal en het tweede gesticht. Dit gesticht heeft de tand des tijds doorstaan en in dit oude gebouw is het bekende gevangenismuseum gevestigd. Tussen Oosterwolde en Veenhuizen bevindt zich één van de drie Nationale Parken in Drenthe, het Fochteloërveen.

Veenhuizen kent twee fraaie kerkgebouwen. De fraaie neogotische roomkatholieke kerk en – er tegenover - de achtkantige koepelkerk met koepelgewelf, Toscaanse zuilen en buitengewoon fraaie akoestiek. Het lijkt alsof het orgel voor deze locatie is gemaakt, maar dat is niet het geval. Het orgel in deze kerk is gebouwd door J.A. Hillebrand te Leeuwarden. Hij maakte het orgel oorspronkelijk voor de hervormde kerk in Akkrum in 1821. Omdat het orgel daar te klein werd bevonden en men bovendien middels een legaat de middelen had werd besloten om een groter instrument te laten vervaardigen. Door Petrus van Oeckelen werd het orgel al in 1856 gedemonteerd en (voor het dubbele bedrag waarvoor van Oeckelen het had overgenomen van de Akkrumers) weer doorverkocht aan de hervormde gemeente in Veenhuizen. Voor een uitgebreide historische beschrijving zie www.orgelsindrenthe.nl Het orgel is in 2005 gerestaureerd en uitgebreid door Bernard Edskes. Daarbij kreeg het pedaal een eigen register en werd het ondiepe en tot dan toe loze rugpositief bezet met vijf registers. Curieus is dat de frontpijpen van het rugpositief al waren geïntoneerd en gestemd. Het moet dus ooit de bedoeling zijn geweest om het rugpositief bespeelbaar te maken.

De dispositie van het Hillebrandorgel in Veenhuizen:

Hoofdwerk, C - f'''  Prestant 8, Holpijp 8, Viola di Gamba D 8, Octaaf 4, Quint 3, Fluit d'Amour 4, Superoctaaf 2, Mixtuur 3-4 st., Trompet B/D 8

Rugpositief, C - f'''  Fluit does 8, Prestant 4, Woudfluit 2, Sexquialter 2st. verdeeld in: Quint 3, Terts 1 3/5

Pedaal, C - g  Subbas 16

De plaats van het pedaal wijkt af van een normale ligging. Het pedaal is permanent aangehangen aan het hoofdwerk. Ook is er geen manuaalkoppel. Bij de restauratie werd uitgegaan van toevoegingen die geen inbreuk deden aan het oorspronkelijke instrument. Daarom is bijvoorbeeld de rugwerkkas ook niet dieper gemaakt. Alle registers van het rugwerk zijn nieuw, behalve de bas van de Prestant 4 vt (C - h0). Eveneens is de Trompet 8 vt en een deel van de Mixtuur gereconstrueerd. Het overige pijpwerk is nog geheel origineel.

(met dank aan Arian vd Mark)   


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard