ok2026menu






Het orgel in de oud-katholieke kerk van Nederland Friese Orgelkrant 2026
 


Hoewel de generatie Z positiever over kerk en geloof denkt dan de vorige generatie, is er nog steeds sprake van voortgaande ontkerkelijking in ons land. Dat komt vooral door de teruglopende aanhang van de traditionele kerkgenootschappen. Evangelical en pentecoastal kerken of sekten groeien en bloeien. Wat de traditionele kerken betreft, gaan we meestal uit van een tweedeling: protestantse kerkgenootschappen versus de Rooms-Katholieke Kerk. Er is echter ook een Oud-Katholieke Kerk die, vooral als een Nederlandse kerk te beschouwen is. De officiële naam is Oud-Katholieke Kerk van Nederland, afgekort OKKN. Wat zijn opvallende kenmerken van de Oud-Katholieke Kerk? En wat valt daarbij voor orgelliefhebbers te zeggen over het orgel in de Oud-Katholieke Kerk? Daarover gaat dit artikel.

Geschiedenis
Als ontstaansjaar van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland wordt gewoonlijk 1723 aangehouden. Toen koos een groep geestelijken Cornelis Steenoven tot aartsbisschop van Utrecht en ontstonden er twee katholieke kerken in Nederland: de Oud-Katholieke Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk. In deze breuk speelden ook theologische en kerkrechtelijke opvattingen een rol.
In de eerste eeuwen was de christelijke kerk ongedeeld. Na de scheiding in 1054 tussen de Oosterse en Westerse kerk, maakte de Reformatie begin 16e eeuw een eind aan de eenheid binnen de 'Westerse' katholieke kerk.
Toen de noordelijke Nederlanden tot het calvinisme (de alteratie van circa 1580) overgingen, werd de katholieken van alles verboden, bijvoorbeeld om bisschoppen in de bisdommen te benoemen. De paus in Rome benoemde een apostolisch vicaris (plaatsvervanger van de paus) om de katholieke kerk gaande te houden. Door de geestelijkheid werden deze apostolisch vicaris en zijn opvolgers als de aartsbisschop van Utrecht beschouwd.
De katholieke kerk had niet alleen problemen met de protestantse regering maar kende ook interne problemen. Klachten over de Nederlanden bereikten een hoogtepunt toen apostolisch vicaris Petrus Codde (16481710) van 'jansenisme' werd beschuldigd. In navolging van Augustinus' genadeleer benadrukte het jansenisme voor menselijke verlossing de van God gegeven genade en het belang van een innerlijke morele gezindheid tegenover de nadruk van de jezuïeten op de sacramenten en uiterlijke vroomheid. Codde werd naar Rome ontboden en in 1704 als apostolisch vicaris afgezet. De Nederlandse katholieke kerk had nu geen erkende bisschop meer die nieuwe geestelijken kon wijden. Na diverse mislukte pogingen met Rome tot een oplossing te komen, besloot het kapittel van Utrecht, dat vanouds het recht van bisschopskeuze bezat, een nieuwe aartsbisschop van Utrecht te kiezen. In 1723 werd Cornelis Steenoven tot aartsbisschop gekozen en een jaar later als zodanig gewijd door een door Rome geschorste Franse bisschop. De paus erkende Steenoven niet en excommuniceerde hem evenals alle geestelijken en leken die hem als aartsbisschop aanvaardden. De katholieken die Steenoven trouw bleven, noemden hun kerk de 'Rooms Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Cleresie'. Zij beschouwden zich als trouw aan het katholieke geloof en aan het oude, nationale kerkbestuur. Zij zagen zichzelf als de legitieme voortzetting van de oorspronkelijke kerk.


Opvallend was de nadruk die de Cleresie reeds in de 18e eeuw legde op de actieve deelname van leken aan de Latijnse liturgie. Daartoe werden veel Nederlandstalige kerkboeken uitgegeven. Vanaf 1732 was er al een eigen, Nederlandse Bijbelvertaling. Nieuwe pogingen in de 18e eeuw om tot verzoening met Rome te komen, mislukten steeds omdat Rome volledige onderwerping van de Nederlandse kerk der Cleresie eiste.

Van Franse Revolutie tot eind 19e eeuw
Met de Franse Tijd (1795-1813) kwam er een einde aan 'de Republiek' en werd de achterstelling van niet-gereformeerden, waaronder de (oud)katholieken, opgeheven. In 1853 stelde de paus in het kader van het herstel der bisschoppelijke hiërarchie vijf Nederlandse bisdommen in, waaronder het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem (zie https://www.rkkerk.nl/kerk/bisdommen/). Hij liet zich daarbij negatief uit over het jansenisme, lees de Cleresie. De verwijdering tussen Cleresie en Rome werd groter door het dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria, dat door de Cleresie werd afgewezen. Tijdens het eerste Vaticaans concilie in 1869/70 werd de algehele jurisdictie van de paus en zijn onfeilbaarheid vastgelegd. Ook dit was voor de Cleresie onaanvaardbaar, maar eveneens voor vele katholieken in Duits sprekende gebieden. In 1889 ontstond een vorm van samenwerking tussen deze gelovigen in Duitsland, Nederland en Zwitserland: de Unie van Utrecht (niet te verwarren met het defensieve verbond uit 1579). Zij wilden vasthouden aan het geloof van de vroege, ongedeelde kerk. In dat jaar ging de kerk van de Cleresie zich de Oud-Katholieke Kerk van Nederland (OKKN) noemen. De Unie is daarna geleidelijk uitgebreid.

Een kerk in verandering
In het begin van de 20e eeuw werden diverse veranderingen doorgevoerd, zoals de introductie van het Nederlands in kerkdiensten. Vóór 1940 namen de Nederlandse oud-katholieken intensief deel aan de internationale oecumenische dialoog. Na de Tweede Wereldoorlog werd in 1948 - mede door de oud-katholieke kerken - de Wereldraad van Kerken opgericht. De vele en grote maatschappelijke veranderingen in de 60er en 70er jaren gingen aan de oud-katholieken niet voorbij. 'De ramen gingen open': er voltrokken zich in de OKKN vanaf 1980 belangrijke veranderingen in liturgie, bestuur en organisatie maar ook in opvattingen aangaande ethische vraagstukken. In 1981 werd een nieuwe bestuursstructuur ingevoerd. Sindsdien delen de bisschoppen het bestuur met gekozen vertegenwoordigers van geestelijken en leken.

De dispositie van het orgel is op twee punten opmerkelijk. Het hoofdwerk bevat een Mixtuur (door Hardorff gespeld als Mixture), wat op Friese orgels van deze omvang aan het eind van de 19e eeuw vrijwel niet meer voorkomt. Het bovenwerk, met maar liefst vier achtvoetsregisters, bevat een Melophone. Dit register, met een luide, strijkende klank, was nieuw in het Friese orgellandschap en werd daarna nog geregeld op andere orgels gedisponeerd.

De oud-katholieken in Friesland en Groningen
In de 18e eeuw was er in Leeuwarden tijdens 'de Republiek' één oud-katholieke schuilkerk. In 2005 werd een statie voor Fryslân en de Noordoostpolder (NOP) opgericht. Deze statie zou moeten uitgroeien tot een nieuwe, zelfstandige parochie. De statie kerkte achtereenvolgens in Jorwert, Leeuwarden en Lekkum. Per 1 januari 2025 werden de pogingen tot een nieuwe parochie te komen echter beëindigd. Sindsdien vallen de oudkatholieken uit Friesland en de NOP weer onder de Groninger parochie. Wietse van der Velde is sinds zijn emeritaat in 2019 waarnemend pastoor in Groningen. Van 2019 tot 2022 was hij tevens rector van de inmiddels opgeheven statie van de Heilige Theresia van Avila in Friesland. Daarnaast vervult hij nog diverse andere functies in de OudKatholieke Kerk. Ook was hij docent kerkgeschiedenis aan het Oud-Katholieke Semina rie. Diverse publicaties van zijn hand zagen het licht.

Oudkatholieke opvattingen en organisatie
In bepaalde opzichten lijkt de Oud-Katholieke Kerk op de Rooms-Katholieke Kerk, in andere opzichten doet zij protestants aan. Daarom is de OKKN voor sommigen aan trekkelijk. We stippen enkele kenmerken aan.
  • De OKKN kent geen verplicht celibaat voor geestelijken. Pastoors en bisschoppen kunnen getrouwd zijn. In principe is een sacramenteel ingezegend huwelijk onverbrekelijk. De kerk kan echter mensen na een echtscheiding toestaan om de zegen over een nieuw huwelijk te vragen. Sinds 2006 erkent de OKKN het huwelijk tussen twee partners van gelijk geslacht en zo'n huwelijk kan worden gezegend, ook als het om geestelijken gaat.
  • Voor de kerkelijke inzegening van een zogenoemd gemengd huwelijk dient tenminste één van beide partners oudkatholiek gedoopt te zijn (of daartoe bereid te zijn). Voor de niet-oud-katholieke partner gelden geen 'kerkelijke eisen'. Kinderen kunnen in de OKKN gedoopt worden, als tenminste één van beide ouders oudkatholiek is en beide ouders positief tegenover een christelijke opvoeding staan.
  • Sinds 1998 kunnen in de OKKN ook vrouwen tot geestelijke worden gewijd. Er zijn nu dus vrouwelijke pastoors (zie https://oudkatholiek.nl/ onder 'leer ons kennen' en onder 'contact/parochies').
  • Oudkatholieken hechten aan de individuele verantwoordelijkheid van elke gelovige. De OKKN schrijft geen rigide regels voor op terreinen als seksualiteit, euthanasie en andere ethische kwesties, maar laat ruimte voor een eigen invulling en toepassing van het geloof in het persoonlijk en maatschappelijk leven. Dit lijkt progressief en 'liberaal', maar komt voort uit een traditie met nadruk op een doorleefd geloof van waaruit bewuste morele keuzen gemaakt kunnen worden. Verwacht wordt dan ook dat iedere gelovige zich serieus verdiept in de Bijbel en de geloofstraditie.
  • Enkele rooms-katholieke dogma's zoals de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (1854) en de pauselijke onfeilbaarheid (1870) worden door de OKKN niet erkend, ook de lichamelijke Maria-Tenhemelopneming (1950) niet.
  • De oud-katholieken erkennen zeven sacramenten, zoals bijvoorbeeld de doop, de communie en de huwelijksinzegening, maar gaan daar anders mee om dan de Rooms-Katholieke Kerk. Zo geldt er bijvoorbeeld geen biechtverplichting. De 'regel' zou als volgt samengevat kunnen worden: niemand hoeft, iedereen mag en voor sommige mensen zal het in bepaalde levens- of geloofssituaties zeker goed, heilzaam en bevrijdend zijn.
  • De OKKN gelooft in de Heilige Drie-eenheid alsmede in de goddelijke en menselijke natuur van Jezus van Nazareth. Zij aanvaardt net als rooms-katholieken en protestanten zowel de geloofsbelijdenis van Nicea als de apostolische geloofsbelijdenis. Zij hecht echter sterk aan die van Nicea (tekst in het rode kerkboek voor de OKKN blz. 419-420). Anders dan protestantse kerken gelooft zij in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het brood en de wijn van de eucharistie, maar niet in de rooms-katholieke transsubstantiatieleer.
  • De rooms-katholieke denkbeelden omtrent de verhouding tussen geestelijken en leken verschillen van de oud-katholieke en dat uit zich in de organisatiestructuur: de Rooms-Katholieke kerk wil een wereldkerk zijn en de paus is haar leider. De OKKN is daarentegen bewust een zelfstandige, nationale kerk met een synodaal bestuur, dat wil zeggen een bestuur waarin geestelijken en leken op basis van gelijkwaardigheid samenwerken. De twee bisschoppen (van Utrecht en Haarlem) die de OKKN telt, worden gekozen door geestelijken én leken. De Synode (algemeen kerkbestuur) bepaalt het algemene en financiële beleid door de plannen en begrotingen die het Synodaal Bestuur (dagelijks bestuur) voorstelt, vast te stellen. Inzake geloofsleer en liturgie hebben de bisschoppen het laatste woord. In de Synode mag het aantal vertegenwoordigers van de geestelijkheid niet meer zijn dan 50% van het aantal stemgerechtigde leken, vertegenwoordigers van de parochies en staties. Parochies en staties vormen de basis van de OKKN-organisatie (zie https://oudkatholiek.nl/ onder 'organisatie').
  • Protestanten zal de opbouw van de oudkatholieke viering direct opvallen plus de centrale plek van de communie daarin. En voorts de gewaden; het zitten, staan en knielen; wisselzangen van priester, cantors en gemeente; de vredegroet; de wierook en het geklingel van belletjes. Voorganger is een priester. Dit oogt nogal rooms-katholiek, maar de gemeente zingt meer en ook de preek klinkt meer protestants.
  • Oudkatholieke opvattingen houden samengevat een streven naar een authentieke katholieke geloofstraditie in, die zich richt op de leer van de vroege kerk. Tegelijkertijd ademen zij openheid voor de moderne tijd, met een sterke nadruk op oecumene en persoonlijke geloofsbeleving. Aldus wordt een sterke historische oriëntatie gecombineerd met een open houding ten aanzien van hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen.

Orgels in oud-katholieke kerken
De oud-katholieke kerken in Nederland hebben een rijk 'museaal' bezit. Daartoe behoren veelal ook hun orgels. Wie over dit rijke bezit meer wil lezen, verwijs ik naar drie boeken van Lia Schade van Westrum: 'Oudkatholieke kerken' (2010), 'Oud-katholiek erfgoed' (2015), beide verschenen bij de Walburg Pers in Zutphen en 'Van schuilkerk tot modern geloofscentrum' (2019) verschenen bij uitgeverij Verloren in Hilversum. Momenteel functioneren volgens de website https://oudkatholiek.nl/contact/parochies/ in de volgende 22 plaatsen nog actieve parochies: Alkmaar, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Culemborg, Delft, Den Haag, Dordrecht, Egmond aan Zee, Eindhoven, Enkhuizen, Gouda, Groningen, Haarlem, Hilversum, IJmuiden, Krommenie. Leiden, Middelburg, Rotterdam, Schiedam en Utrecht. Daarnaast zijn er nog twee kerngroepen of staties: Mijdrecht en Twente/Hengelo.
Er vinden ook oud-katholieke vieringen plaats in Aalsmeer, ressorterend onder de parochie Amsterdam. Dat is niet meer het geval in Nijmegen, waar vieringen ressorte rend onder de parochie Arnhem plaatsvonden. Oudewater is geen statie en parochie meer. Het kerkgebouw is er nog en daar vinden nog wel vieringen plaats. De parochies van Den Helder en Schoonhoven zijn in 2026 opgeheven.
Wie over de orgels meer wil weten, kan zelf de boeken van Lia Schade van Westrum én de vijftiendelige NIvO-reeks “Het historische orgel” erop naslaan. Voor orgels van recente datum is de website www.orgbase onmisbaar. Wordt bij 'Zoek woord uit naam gebouw' als zoeksleutel “Oud-katholieke” ingevuld, dan geeft orgbase 67 orgels van vroeger en nu als resultaat. Voor een over zicht van de huidige parochies (en staties) met hun orgels verwijzen we naar de bijlage aan het slot van dit artikel.

De oud-katholieke liturgie en het orgel
De liturgie omvat de geordende reeks van gebeden, ceremoniën, liederen en handelingen die een eredienst of viering, zoals de katholieke mis of een protestantse kerkdienst, vormgeven. De OKKN kent verschillende vormen van vieringen. Centraal staat de viering op zondagmorgen, de eucharistie of mis. De opbouw van een zondagse viering ziet er in grote trekken als volgt uit: a) de voorbereiding, b) de woorddienst oftewel de onderdelen rond de preek, c) de tafel- of communiedienst en alle elementen die daarmee samenhangen en d) de afsluiting. Meer details volgen hier.

Ad a: de voorbereiding
Preludium: Kort orgelspel voor het begin van de viering.
Afkondigingen
Introïtus: De gemeente zingt staand het openingslied waarin het thema van de dag vaak wordt aangeduid. Het orgel begeleidt de gemeentezang. Priester (de voorganger), misdienaar en soms ook de cantors komen binnen.
Groet en inleiding. De priester groet de gelovigen door “Genade zij u en vrede van God onze Vader...” uit te spreken. De gemeente antwoordt volgens blz. 413 van het rode kerkboek.
Schuldbelijdenis. Het hardop uitspreken van de eigen tekorten. Begintekst 'Onze hulp is in de Naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft'. Vervolg: een keuze uit de beide mogelijkheden in het rode kerkboek blz. 414-415.
Kyrie. God wordt - veelal - zingend om ontferming gevraagd: “Kyrie eleison” (“Heer, ontferm u”). Dit is het eerste deel van de vaste misgezangen, waarin doorgaans cantors (of koor) en gemeente elkaar afwisselen. Het orgel begeleidt. Op de orde van dienst staat uit welke mis (nummer 1 tot en met 29 in het Gezangboek 2006 of een recent gecomponeerde) die zondag wordt gezongen. Vervolgens gaat de gemeente zitten, maar in de praktijk gebeurt dat vaak na het gebed van de dag.
De lofzang “Gloria”. Het Kyrie wordt (behalve in de Advent- en de Veertigdagentijd) direct gevolgd door het Gloria uit dezelfde mis. De priester zingt de eerste regel a capella, het orgel begeleidt de cantors (koor) en de gemeente.

Ad b: de woorddienst
Gebed van de dag. De priester zegt of zingt het gebed dat aangegeven staat in het kerkboek voor de bewuste zondag van het kerkelijk jaar of voor bijzondere gelegenheden. Hierna gaat de gemeente zitten wanneer die niet na het Kyrie al is gaan zitten.
Eerste schriftlezing. Eén van de gemeenteleden leest een gedeelte uit het Oude Testament.
Graduale of eerste antwoordpsalm. Een meestal gregoriaans gezongen schriftgedeelte (in het Nederlands) dat aansluit bij de eerste schriftlezing en gekozen is uit de 150 psalmen in het rode kerkboek. Het orgel begeleidt de zang van de cantors en de gemeente.
Tweede schriftlezing. Een gemeentelid leest een gedeelte uit een apostelbrief. Halleluja. Voor het Halleluja (“Looft de Heer”) keus uit de nummers 425-467 van het Gezangboek 2006, in de Veertigdagentijd in plaats daarvan een tweede antwoordpsalm. Het orgel begeleidt de staande gemeente en cantors.
Evangelielezing. De derde schriftlezing doet de priester uit één van de vier evangeliën. Kan voorafgegaan worden door een gezongen inleiding (gezang 307) van gemeente en priester. Vóór de lezing tekenen de priester en de gemeenteleden een kruis op het hoofd, mond en hart: opdat wij het (Woord) horen, belijden en leven. De gemeente luistert staande naar de evangelielezing.
Acclamatie. Acclamare betekent: toejuichen. De gemeente zingt 'U komt de lof toe' met orgelbegeleiding. Bijvoorbeeld Gezang 304-307.
Preek. Door de priester op basis van de gelezen gedeelten uit de Bijbel. De gemeente luistert zittend. Eventueel hierna een muzikaal interludium: orgelspel of orgelspel met zang of met andere instrumenten.
Geloofsbelijdenis of credo. Meestal de geloofsbelijdenis van Nicea (zie rode kerkboek blz. 419), soms de apostolische geloofsbelijdenis. Het credo wordt staande gezongen of gesproken. Bij de regel “En hij is mens geworden” wordt het hoofd gebogen. Er kan ook uit het Gezangboek een keus worden gemaakt: de nummers 308-314. Bij zingen begeleidt het orgel.
Voorbeden. De priester, de lector of één van de gemeenteleden spreekt de voorbeden uit. Men bidt voor de wereld, de kerk, personen en de persoonlijke intenties. Tot slot een stil gebed, afgesloten door een gebed van de priester. Na een voorbede reageert de gemeente door het orgel begeleid telkens met een korte zang (acclamatie): “Wij bidden U, verhoor ons” of een andere in het Gezangboek 2006 vermelde tekst (nrs. 317-324).
Vredegroet. Als teken van verbondenheid groeten de kerkgangers elkaar met een handdruk. De kerkgangers komen van hun plaats en wensen elkaar de vrede van Christus.

Ad c: tafel- of communiedienst
Opdracht van de gaven, offertoriumgezang. Gemeente is gaan zitten en zingt met orgelbegeleiding een lied. Ondertussen worden de geldelijke gaven verzameld (soms ook in natura) en naar het altaar gebracht. De priester zet het brood en de wijn klaar. In een gebed wordt de wens geuit dat de gaven tot eer van de Heer en tot heil van Zijn kerk mogen zijn.
Prefatie. De priester spreekt een gebed uit dat uitloopt op een wisselende inleiding van het eucharistisch gebed, de prefatie, Gemeente en cantors beantwoorden dit door staande het
Heilig Te zingen: 'Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God van de hemelse machten' - Gezangboek 2006 mis 1 tot en met 29 of een recent gecomponeerde mis. Het orgel begeleidt.
Eucharistisch gebed. Dankgebed en lofzegging. Dankbaarheid voor de gaven van brood en wijn wordt uitgesproken en de Here God wordt geprezen voor Zijn heiligheid. Er staan twaalf verschillende eucharistische gebeden in het rode kerkboek (blz. 426-473). Ook worden enkele nieuwe eucharistische gebeden gebruikt. In de orde van dienst staat welk gebed is gekozen. In het gebed klinken de woorden die Jezus bij zijn laatste maal sprak. Waar hier de gemeente (staande) zingt begeleidt het orgel, terwijl het voor de priester een begintoon geeft.
Het Gebed van de Heer. De gemeente zingt - nog steeds staande - het “Onze Vader...” (rode kerkboek blz. 474) met orgelbegeleiding, gevolgd door het breken van het brood, terwijl het
Lam Gods wordt gezongen ('Lam Gods dat wegneemt de zonden van de wereld, ontferm u over ons'). Zie de eerder genoemde missen 1-29). Orgelbegeleiding van cantors en gemeente.
Communie. Op de uitnodiging “Zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam” antwoordt de gemeente met de woorden uit het evangelie: “Heer, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek slechts een woord en ik zal gezond worden”. De OKKN kent eucharistische gastvrijheid: 'Tot de heilige communie zijn allen genodigd die gedoopt zijn, in hun kerkgemeenschap deelnemen aan de tafel van de Heer en met ons zijn tegenwoordigheid willen vieren', zegt het rode Kerkboek op blz. 476 bovenaan. De communie wordt uitgereikt in twee gedaanten, brood en wijn. De communicant kan uit de kelk drinken of de hostie in de kelk indopen.
Gezang na de Communie. Na de communie gaat de gemeente zitten. Er volgt een moment van stilte en dan wordt een gezang gezongen met orgelbegeleiding.

Ad d: de afsluiting
Gebed na de Communie. Er volgt een dankgebed als afsluiting (staand).
Looft en Dankt. Voorafgaande aan de zegen loven priester en gemeente afwisselend de Heer, de priester a capella, de gemeente met orgelbegeleiding.
Zegen door de priester. Gemeente staat nog steeds, ook bij de slotzang.
Slotzang en eventueel postludium. Bij beide klinkt uiteraard het orgel. Gemeente kan zittend naar het postludium luisteren. Hierna verlaat de gemeente de kerk.

De oud-katholieken hechten sterk aan de liturgie van de wekelijkse vieringen. Overal wordt de geschetste opbouw van de eredienst nauwkeurig aangehouden. De inhoud van de eredienst kan binnen deze vaste opbouw verschillen door de plaats in het kerkelijk jaar. Wat er gezongen, gelezen en gebeden wordt, verschilt al naar gelang de periode van het kerkelijk jaar waarin een zondag valt. Rond Kerstmis en Pinksteren is dat anders en vooral met Pasen. Kenmerkend voor de oud-katholieken is echter de vaste liturgische vorm van hun vieringen.
Drie boeken bepalen wat er op een zondag precies gelezen, gezegd en gezongen wordt: het rode Kerkboek (voluit het Kerkboek van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland, Gooi en Sticht, Baarn 1993); het blauwe Gezangboek van de OKKN (tweede oplage uit 2006) en het groene Lectionarium bij het rode kerkboek, eveneens uit 1993. Voor de Bijbellezingen wordt er een driejaarlijkse cyclus van a-, b- en c-jaren aangehouden. In een a-jaar ligt de nadruk op het evangelie van Mattheus, in een b-jaar op Marcus en in een c-jaar op Lucas. De evangelielezingen van Johannes worden gespreid over de drie jaren en vinden met name gedurende de Paastijd plaats. De lezingen op zondag zijn verbonden met een thema dat boven de Bijbelgedeelten in het Lectionarium vermeld wordt. De eerste lezing op zondag is uit het Oude Testament, de tweede lezing uit een apostelbrief en de derde uit een evangelie. Het kerkelijk jaar 2025 was een c-jaar en liep 23 november 2025 af, dus is 2026 een a-jaar dat op 30 november 2025 begon en 2027 een b-jaar enz.

Zondag 19 oktober 2025 was de 24e zondag na Pinksteren aldus blz. 487 van het Lectionarium, de 'zondag van de onrechtvaardige rechter'. De bijbehorende Bijbelgedeelten uit Genesis 32, uit 2 Timoteüs 3 en 4 en ten slotte uit Lucas 18 met de gelijkenis van 'de onrechtvaardige rechter' staan volledig afgedrukt. Zij zijn ontleend aan diverse vertalingen (waaronder de oud-katholieke vertaling van het Nieuwe Testament uit 1953 en de Groot Nieuws Bijbel van 1983). Achterin het Lectionarium is op blz. 561-576 een compleet register van de Bijbelgedeelten opgenomen. Momenteel wordt een herzien Lectionarium ingevoerd, dat op dezelfde manier Bijbelgedeelten bij de zondagen aangeeft, maar dan geheel ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling 2021. Er is ook een aanvulling op het blauwe gezangboek en het rode kerkboek: enkele nieuwe missen en de eucharistische gebeden van W.R. van der Zee. In het rode kerkboek vinden we de teksten die de priester en de gemeente op een bepaalde zondag uitspreken en/of zingen. In sommige parochies worden ook liederen gekozen uit het 'Liedboek 2013, Zingen en bidden in huis en kerk'. De zondagvieringen duren in Groningen en Middelburg zo'n 80 minuten.

Voor de organist in een oud-katholieke kerk geldt dat hij uiterst alert moet zijn. De kerkganger trouwens ook. De orde van dienst wordt zonder nadere aankondiging van de priester gevolgd. De organist moet daarom nauwlettend in de gaten houden bij welk onderdeel de viering precies is beland. Moet de priester iets zingen, dan doet die dat a capel la en hoeft de organist alleen de begintoon aan te geven. Zingen de cantor(s), dan moet de organist zacht begeleiden. Is de hele parochie ('allen') aan de beurt, dan kan hij met meer volume spelen. Het is moeilijk voorstelbaar dat combo's met elektrische gitaren en drumstellen bij de vigerende vorm en inhoud van de oud-katholieke viering het orgel gaan vervangen.

In Groningen speelt het orgel, dat op 21 mei 2017 werd ingewijd, op drie momenten solo: aan het begin van de viering (preludium), na de preek (interludium) eventueel samen met zangstem of instrument, bijvoorbeeld fluit, en aan het eind van de viering (postludium). In Middelburg wordt het orgel op dezelfde momenten solo bespeeld. Dat is in de meeste parochies usance. Het orgel heeft dus naast een liturgische rol ook de taak de gemeentezang te begeleiden zoals in een 'standaard' protestantse dienst. Daarenboven heeft het meestal een solistische rol.
Samengevat zou gezegd kunnen worden, dat de rol van het orgel in een oud-katholieke viering de optelsom is van die in een rooms-katholieke en een protestantse zondagsdienst.


JOHAN SJOUKEMA


BIJLAGE - de oudkatholieke parochies (en staties) van nu met hun orgels:
  • Aalsmeer, orgbase orgelnr. 1004225: balustrade-orgel uit 1864 van Hermanus Knipscheer (II); ombouw tot nieuw orgel in 1926 door Joseph Adema met handhaving oude kas; wijzigingen na 1945 en in 2022 restauratie door Slooff Orgelbouw (9/II/vP). Zie ook NIvO deel 7 blz. 285.
  • Alkmaar, orgbase orgelnr. 1004528: sinds 1997 een klein orgel van Pels & Van Leeuwen uit 1971 (4/I/aP).
  • Amersfoort, NIvO deel 9, blz. 372: orgel van A. Gern 1872; sinds 1977 in de oudkatholieke Georgiuskerk van Amersfoort (13/II/vP).
  • Amsterdam, NIvO slotdeel 15 (supplement) blz. 181: F.A. Stangenberger 1915 (11/II/vP).
  • Arnhem, orgbase orgelnr. 1005874: juni 1961 nieuw orgel van K.B. Blank & Zn (8/I/vP).
  • Culemborg, NIvO deel 13, blz. 280: orgel in 1900 opgeleverd door J.F. Witte (11/II/vP).
  • Delft, NIvO deel 1, blz. 385: front uit 1722 van Johannes Duyschot; in 1867 een nieuw instrument van C.G.F. Witte achter het oorspronkelijke front (8/II/vP).
  • Den Haag, NIvO deel 2, blz. 36: Rudolph Garrels 1726; in 1994 volledige reconstructie van het oorspronkelijke instrument door Flentrop Orgelbouw (18/II/vP).
  • Den Haag, orgbase orgelnr. 1002065: een positief van Marcussen & Son uit 1962 is in 2013 vanuit Moerdijk na restauratie als koororgel naar Den Haag overgeplaatst (5/I/-).
  • Dordrecht, orgbase orgelnr. 1002301: in 1844 verving een nieuw orgel van Kam & Van der Meulen het oude orgel uit het afgebroken oudkatholieke kerkgebouw; terugkoop binnenwerk en in 1989 heringebruikname orgel na restauratie en reconstructie door Van Eeken (12/II/vP). Zie ook NIvO deel 5 blz. 197.
  • Egmond aan Zee, NIvO deel 10, blz. 88: orgel van de Gebr. Adema 1873; orgel in 1886 naar nieuw kerkgebouw en in 1951 herplaatst en verbouwd vanwege evacuatie in 1944 (22/II/vP).
  • Eindhoven, info van de parochie: positief van R. Seifert & Sohn in bruikleen (6/I/vP).
  • Enkhuizen, orgbase orgelnr. 1004216: sinds 1965 of 1967 een secretaire-orgel uit ca. 1840 of 1850 van vermoedelijk Ter Hart, Indermauer of Knipscheer; in 2000 heringebruikname na restauratie (6/I/-); zie NIvO deel 6 blz. 56.
  • Gouda, NIvO deel 3, blz 160: kas van Johannes Mitterreither uit 1778; in 1918 plaatste F.A. Stangenberger een nieuw binnenwerk achter het front van 1778. Sinds restauraties in 1984 en 2008: 10/II/vP.
  • Groningen, orgbase orgelnr. 1005896: in 1971 leverde de firma Fama & Raadgever een positief voor de kerkzaal van een Groninger ziekenhuis. In 2016 werd het orgel geschonken aan de oudkatholieke Sint-Martinuskerk in Groningen, waar het in 2017 in gebruik werd genomen (6/I/aP).
  • Haarlem, NIvO deel 3, blz. 306: positief vermoedelijk van J.P. Künckel uit ca 1785; in 1973 in het oudkatholieke kerkgebouw van Haarlem geplaatst (10/II-).
  • Hengelo (Ov.), orgbase orgelnr. 1010223: positief van Pels & Van Leeuwen in 1974 geleverd aan de Noorse kapel in Rozenburg werd in 2013 aangetrokken door de statie van de H. Lebuïnus voor haar kerk in Hengelo Overijssel (4/I/aP).
  • Hilversum, NIvO deel 10, blz. 101: orgel van J.F. Witte 1873; in 1889 door J.F. Witte overgeplaatst naar nieuw kerkgebouw; in 1958 orgel door brand beschadigd. Sinds 2014 na laatste restauratie: 13/II/vP.
  • Hilversum, NIvO deel 5, blz. 240: koororgel van Bates & Son (UK 1830); in 1977 door H. Strubbe geplaatst in de oudkatholieke H. Vituskerk te Hilversum (5/I/aP).
  • IJmuiden, orgbase orgelnr. 1007508: in 1921 een nieuw orgel van F.A. Stangenberger; orgel in 1943 gedemonteerd en opgeslagen, na 1945 weer herplaatst; in 1959/1960 is het orgel omgebouwd door Fonteijn & Gaal; heringebruikname 21 juni 1960 (23/II/vP).
  • Krommenie, NIvO deel 1, blz. 335: kas mogelijk van Johannes Duyschot uit omstreeks 1715; binnenwerk van onbekende orgelbouwer in 1977 in de bestaande kas geplaatst (6/I/aP).
  • Leiden, orgbase orgelnr. 1004307: orgel van Fama & Raadgever uit 1979 (9/II/-) verving een orgel uit 1933; het pedaal heeft een gereserveerde plaats maar geen eigen pedaalstemmen, is echter aan (één van) beide manualen te koppelen.
  • Middelburg, NIvO deel 1, blz. 304 (onder ev.-lutherse kerk): Johannes Duyschot 1707; in 1742 naar huidige locatie en uitgebreid met rugwerk door J.H.H. Bätz en A. van Os; rugwerk in 1754 nader ingevuld door J.C. Müller; daarna nog wijzigingen, maar hoofdwerkregisters nu nog vrijwel origineel (17/II/aP).
  • Middelburg, NIvO deel 3, blz. 123: orgel van de Gebr. De Rijckere in 1776 gebouwd voor de Hervormde Kerk te Axel; in 1924 door A.S.J. Dekker in Beek geplaatst en in 1983 gerestaureerd door Fama & Raadgever; juni 2025 in gebruik genomen in de oudkatholieke (tot 2014 ev.-lutherse) Sint-Augustinuskerk te Middelburg (13/I/aP).
  • Middelburg, zie orgbase orgelnr.: 1006010. Bram de Wolf bouwde in 1983 een huisorgel met gebruikmaking van oud Walcker-pijpwerk; in 2001 in de ev.-lutherse kerk (sinds 2016 oudkatholieke kerk) als koororgel geplaatst (3/I/-).
  • Mijdrecht, info van de statie: de statie van Mijdrecht beschikt niet over een orgel, maar gebruikt een in bruikleen gekregen piano.
  • Rotterdam, NIvO deel 1, blz. 376: nieuw orgel van C.G.F. Witte uit 1858 in oude kas van Matthias Verhofstadt uit 1721; instrument in 1910 door J. de Koff in de nieuwe Paradijskerk geplaatst en vervolgens gewijzigd. Na reconstructie in 1973: 20/II/vP.
  • Rotterdam, orgbase orgelnr. 1010610: kistorgel uit onbekend jaar van onbekende bouwer (4/I/-).
  • Schiedam, NIvO deel 9, blz. 90: orgel van C.G.F. Witte uit 1866. Na restauratie in 1984: 14/II/vP.
  • Schiedam, orgbase orgelnr.: 1004142: secretaire-orgel van J.S. Strumphler uit ca. 1780 of ca. 1790 van Alkmaar via Amersfoort naar Schiedam in 2011 (5/I/-). Zie NIvO deel 3, blz. 206 onder Alkmaar.
  • Utrecht, orgbase orgelnr. 1001251: in 1968 leverde K.B. Blank & Zonen een nieuw hoofdorgel; in 1998 is het orgel gerenoveerd door Henk van Eeken (21/II/vP).
  • Utrecht, orgbase orgelnr. 1008408: in 2003 werd een klein huisorgel (1974) van Strub be in de oud-katholieke kerk geplaatst als koororgel (5/I/vP).




kopieer link naar clipboard