Het speelt zich af in de jaren vijftig. Een paar vooraanstaande, landelijk bekende organisten en orgelkenners maken een
reisje en komen toevallig in Franeker terecht. Daar blijkt een kerk van aanzienlijke omvang te staan en daarin mag een
behoorlijk orgel verwacht worden.
Anders dan in de jaren '90 is nog niet alles beschreven en aan iedereen bekend. Als echte ontdekkingsreizigers zijn deze
orgelkenners nieuwsgierig naar het inwendige van het orgel. Met toestemming van de koster dringen ze erin door. Hun
verbazing is groot: ze stellen vast, dat achter het orgelfront uit 1842 een binnenwerk met hoofdzakelijk 17e-eeuws pijpwerk
schuil gaat. Inmiddels is de kennis van oude orgels voortgeschreden en weten we dat veel in het orgel gebruikt materiaal niet
uit de 17e eeuw maar uit de vroege 18e eeuw stamt. Een reis door de Franeker orgelgeschiedenis laat zien wat er in vijf eeuwen
zoal aan orgelbouwactiviteiten ontplooid is en wat hiervan nu nog getuigt.
Binnen de wallen van de stad Franeker kon men al in 1478 een orgel beluisteren. Het werd gebouwd door ene Sicke Graetingha.
De speurtocht naar deze orgelbouwer zal niet veel tijd gekost hebben: hij was inwoner van de stad.
Een halve eeuw later was het orgel aan vervanging toe en ditmaal zocht men verder van huis. Men ontbood de beroemde orgelbouwer
Jan van Covelen uit Amsterdam. Van Covelen begon in 1528 met zijn werk. Zes jaar later was het voltooid en kon men in Franeker
trots zijn op een instrument van bijzondere klasse. Niet voor niets bleef het bijna twee eeuwen lang in de Martinikerk functioneren.
Toen was naar de inzichten van die tijd uit de mode geraakt en ontving Johannes Radeker, iemand die in het Noorden bekend was omdat
hij ook wel voor de beroemde Arp Schnitger werkte, opdracht een nieuw orgel te maken. Dit orgel kwam gereed in 1722, maar al gauw
valt te lezen dat Radekers instrument lang zo goed niet voldeed als het vorige van Van Covelen. Het was dan ook een minder lang
leven beschoren. In 1838 oordeelde men in Franeker dat Radekers orgel hoognodig aan vervanging toe was.
Men wendde zich tot de orgelmakers Van Dam in de Friese hoofdstad. Met hen werd overeengekomen een nieuw orgel met 21 registers
te maken. Niet zo'n groot instrument dus voor de royale Martinikerk. Maar de orgelkas zou wel de hele westwand vullen: die werd
zo ruim bemeten dat de grootste pijpen van de prestant 16' van het pedaal, met een lengte van 5 meter, een plaats konden vinden
in het front.
In het overleg met Van Dam werd bepaald, dat hij zonder bezwaar bruikbare onderdelen uit het Radeker-orgel mocht overnemen.
Kennelijk bevatte het, zoals we nu nog kunnen vaststellen, honderden goede pijpen en die hebben - al of niet vermaakt - een plaats
in het Van Dam-orgel gevonden. Ook Radeker moet uit het vorige orgel dat hij aantrof en mocht opruimen, pijpen hebben overgenomen.
Zo'n vijftien Van Covelen-pijpen vinden we nog in huidige orgel.
Dat de orgelmakers Van Dam een voortreffelijk instrument leverden, blijkt onder meer uit het feit dat het nog steeds bestaat en
dat niemand ooit op de gedachte gekomen is het maar weer eens te vervangen. Dat betekent overigens niet, dat men het sinds 1842,
het jaar van voltooiing, onaangeroerd heeft gelaten. Een latere telg uit het geslacht van de orgelbouwers Van Dam was er in 1915
van overtuigd het orgel te verbeteren, toen hij de dispositie in romantische zin omboog. Al in 1938 keerde men op die schreden
terug: de romantische registers verdwenen weer en wat ervoor in de plaats kwam benaderde een beetje wat in 1842 was bedoeld.
Helaas, zeggen we nu, verdwenen er toen met de registers uit 1915 ook een paar die oorspronkelijk waren. De bedoeling was het
orgel volgens de nieuwste mode te laten klinken. Een wezenlijk karakterbepalend element van het meesterwerk van Van Dam, de
monumentale brede klank, werd geofferd aan de tijdgeest. Tot 1995 heeft het orgel zo gefunctioneerd, nog alleszins de moeite
waard, maar ook het verlangen de klank te horen zoals die ooit was bedoeld. Voortschrijdend technisch verval maakten toen
restauratie noodzakelijk. En met het technisch herstel kon ook de reconstructie van de oorspronkelijke dispositie ter hand worden
genomen. Sindsdien is er in drie jaar tijd van alles gebeurd. In fasen werd het eerherstel van het orgel een feit. In de eerste
fase werd het inwendige van het instrument helemaal afgebroken. De gemeente werd 's zondags op de piano begeleid. In latere
stadia was steeds een klein deel van het orgel bespeelbaar. En ondertussen vorderde het werk. Door de deskundigheid van
orgeladviseur Jan Jongepier en door de grote Van Dam-ervaring van orgelmakerij Bakker en Timmenga uit Leeuwarden bleek het
mogelijk langzaam maar zeker de grootsheid van het concept van 1842 weer klinkende werkelijkheid te laten worden.
Intussen werd het uiterlijk niet vergeten. De orgelmakers polijstten de frontpijpen en schilder De Graaf uit Birdaard verzorgde
het schilderwerk aan de kas en bracht bladgoud aan. In de sobere Martinikerk werd zo stukje bij beetje gewerkt aan de terugkeer
van wat nu weer het pronkstuk van het interieur is: het Van Dam-orgel, een lust voor oog en oor.
Wie nu naar dat orgel luistert hoort natuurlijk Van Dam, maar hij hoort nog meer. Het aardige van orgels is immers dat je
van hun geschiedenis niet alleen lezend maar ook luisterend kennis kunt nemen. Dat betekent, dat je door het 19e-eeuwse Van
Dam-geluid ook nog de klank van een vroeg 18e-eeuws orgel hoort: Radeker mag nog een beetje meedoen. Wanneer hoor je in het
orgel van de Martinikerk nu welk facet? Daar valt heel veel over te zeggen, maar dat Iaat zich in een duidelijke tendens
samenvatten. Mede doordat Van Dam een dispositie-opbouw koos die volledig overeenkwam met de gewoonte in die tijd, valt bij
het samen gebruiken van veel registers een typische Van Dam-klank te horen: deftig en voornaam. Die klank brengt de bedoeling
van het orgel duidelijk tot uitdrukking, te weten de begeleiding van de gemeentezang. Het ontroert mij als vaste bespeler
telkens weer, wanneer ik merk hoe de klank van het orgel zich verbindt met de zingende gemeente. Het donkere fundament geeft
het zingen een steviger grond. De trompet en de lage cornet laten de melodie opklinken in een aan de menselijke stem verwante
sonoriteit. Bij het gebruik van minder registers (alleen de fluiten van het bovenwerk of één van de prestanten 8') klinkt het
orgel wezenlijk ouder. Dan wordt men gefascineerd door de kwaliteit van het oudere pijpwerk met een sublieme combinatie van
helderheid en belegenheid. Zo is het Franeker instrument na de restauratie een wonderlijk avontuurlijk orgel. Het leent zich
uiteraard voor de vertolking van muziek uit de bouwtijd, maar er kan verrassend veel meer. Ook 'oude muziek' klinkt er soms
ongehoord mooi. In de komende periode van mei tot en met augustus zal een achttal bekende organisten de mogelijkheden van het
Franeker Van Dam-orgel uitvoerig demonstreren.