De restauratie- en groot-onderhoudprojecten die in de Friese Orgelkrant van 2024 werden besproken, betroffen 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse orgels. Dat is dit jaar niet anders.
Het oudste instrument waaraan in het afgelopen jaar werkzaamheden werden uitgevoerd, is het Naber-orgel (1848) van de Van Doniakerk van Makkum. Die beperkten zich
tot schoonmaak, houtwormbestrijding en verbetering van de ophanging van de grootste frontpijpen.
Meer omvattend was wat er aan het Hardorff orgel (1861) in de Lambertuskerk te Menaam viel te doen. Het is met 12 stemmen op het hoofdwerk, 9 op het bovenwerk en 8
op het pedaal het grootste orgel dat Hardorff maakte en ook het grootste Friese dorpsorgel. In 1929 werd de dispositie ervan door Bakker & Timmenga in laat-romantische zin
omgebogen. Omdat deze ingreep al bijna een eeuw geleden plaatsvond en het toen geleverde werk van goede kwaliteit is, berust de monumentale status van dit orgel op
de toen gecreëerde situatie. Besloten is die als uitgangspunt te nemen voor de recente restauratie. Dat is geen 'totaalrestauratie' geweest, want in de jaren '80 van de vorige
eeuw was al grondig aan het orgel gewerkt; toen werden onder meer de windladen gerestaureerd. Nu heeft men zich gericht op restauratie van de balgen, houtwormbehandeling,
schoonmaak van de klavieren, belering van de pedaalmechaniek, vernieuwen van de verlichting en bijwerken van het schilderwerk. Ook werd het front gepoetst en zijn
de labia van de frontpijpen verguld, werd de intonatie nagelopen en een nieuwe windmotor geplaatst.
Integraal gerestaureerd werd ook het Bakker & Timmenga-orgel van Offingawier. Het was in de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan als gevolg van uitdroging (en dus lekkage)
van de windlade; en door verzakking van de orgelgalerij stond het behoorlijk uit het lood. Die verzakking kon worden aangepakt en het orgel is geheel gerestaureerd,
waarbij een stilistisch twijfelachtige uitbreiding van ca. 30 jaar geleden is geëlimineerd.
De Bakker & Timmenga-orgels van Offingawier (één klavier, 6 registers, 1907) en Goënga (één klavier, 7 registers, 1900) zijn goed vergelijkbaar. Ook in Goënga was restauratie
langzamerhand zeer noodzakelijk. Een paar maanden geleden is daarmee een begin gemaakt.
De restauratie van het Leichel-orgel (1878) van de Victoriuskerk te Pingjum is ook recent begonnen. Als die voltooid is, is het voltallige Leichel-kwartet (naast het instrument
van Pingjum de orgels van Augustinusga, Kootstertille en Arum) in goede conditie (het vijfde Friese Leichel-orgel, dat in Nieuwehorne stond, werd in 1979 afgebroken). Deze
restauratie is veelomvattend omdat ingrepen door de firma Spanjaard in 1948 het instrument schade hebben berokkend en nu een terugkeer naar Leichel tot stand gebracht
moet worden.
Beperkt, maar belangrijk onderhouds- en verbeteringswerk werd uitgevoerd aan het orgel in de Bonifatiuskerk te Oldeberkoop.
Het instrument heeft een gecompliceerde geschiedenis. De kas uit 1858 is van Scheuer. Daarin plaatste de firma v/h P. van Dam in
1919 een nieuw orgel waarin Van Gruisen- pijpwerk was opgenomen dat toen al twee levens achter de rug had (in Warga en in
Dokkum afgescheiden gemeente). In 1975 en 1988 is aan dit orgel gewerkt door de firma Mense Ruiter en kreeg het orgel een
dispositie die (anders dan in 1919) haar vertrekpunt vond in het Van Gruisen-materiaal. Al langere tijd veroorzaakten de dunwandige
frontpijpen problemen. Sommige steminrichtingen daarvan waren losgeraakt en een paar grote pijpen raakten elkaar. De steminrichtingen
zijn nu hersteld en door toevoeging van hangers en haken staan de pijpen nu stabiel. De intonatie is geoptimaliseerd.
Ten slotte noemen we de restauratie van het Van Dam-orgel (1891) in de voormalige hervormde kerk van Oosterzee. Dit orgel werd gebouwd voor Biezelinge (Zeeland) en in
1908 naar Oosterzee overgeplaatst. De kerk verloor haar kerkelijke functie in het najaar van 2012 en kreeg toen een woonbestemming. Dat de huidige eigenaar en bewoner
besloten heeft tot restauratie van het orgel, is bijzonder verheugend. Net als in de andere late Van Dam-orgels is in dit instrument nog de klassieke sprankeling bewaard gebleven
die herinnert aan 18e-eeuwse klanken; een ideaal dat in die tijd door nog maar weinig orgelbouwers gekoesterd werd.
De werkzaamheden aan deze instrumenten werden of worden verricht door de volgende firma's:
Reil (Heerde): Makkum, Oosterzee, Offingawier, Goënga en Pingjum;
Mense Ruiter (Ten Post): Oldeberkoop;
Van der Putten (Winschoten/Stapelmoor): Oosterzee.
Twee firma's waren verantwoordelijk voor het werk in Menaam: Bakker & Timmenga restaureerde de balg en plaatste de motor, Reil voerde het overige werk uit.
Adviseurs:
Makkum: geen;
Menaam: Peter van Dijk m.m.v. Wietse Ouwejan;
Offingawier, Goënga, Pingjum en Oldeberkoop: Theo Jellema;
Oosterzee: Jaap-Jan Steensma.