Drie koororgels als voorproefje van boek over kleine instrumenten
Friese Orgelkrant 2022
Diverse kerken in de provincie Fryslân bezitten een koororgel. Een koororgel
zou men kunnen definiëren als een klein orgel, dat in een oude kerk in
het koor staat, en dat in de eerste plaats bedoeld is om een koor of cantorij
te begeleiden en in de tweede plaats om kleinschalige kerkdiensten, als
bijvoorbeeld rouw- en trouwdiensten, te begeleiden. De dispositie bevat
dan ook meestal geen of slechts weinig vulstemmen. De schrijvers van
dit artikel zijn van plan om een inventarisatie van koororgels in Fryslân,
van Balk tot Sexbierum, Leeuwarden en Dokkum, te maken. In dit artikel
worden er bij wijze van voorproefje alvast drie beschreven: een historisch
koororgel uit 1903 van Adema in Blauwhuis, een door Bakker & Timmenga
nieuw in historiserende stijl met veel oud materiaal gebouwd koororgel
uit 1978 in Dokkum én een nieuw koororgel uit 1985 in de Martinikerk te
Sneek van orgelbouwer Van den Heuvel.
Het koororgel in de Sint-Vituskerk van Blauwhuis
Het koororgel dat is te vinden in de Sint-Vituskerk te Blauwhuis kent een boeiende
geschiedenis. In 1903 bouwde de orgelmakerij C.B. Adema & Zonen, gevestigd in de
Friese hoofdstad, een orgel voor het Sint-Fredericusgesticht. Dit tehuis voor armen en
weesmeisjes werd gebouwd in 1882 naar een ontwerp van P.J.H. Cuypers in opdracht
van het parochiaal armbestuur en toegewijd aan Sint-Fredericus van Hallum. Het gebouw
stond op de hoek van de Kruisstraat en de Keizersgracht aan de noordkant van de in
1874 verrezen Bijzondere Strafgevangenis en het Huis van Bewaring uit 1881. Daar
moest een weeshuis en een aantal daartoe aangekochte arbeidershuizen voor worden
afgebroken.
Waar het orgel in het gesticht is geplaatst is niet duidelijk, want bij de bouw was niet
voorzien in een kapel. Dit blijkt uit een klacht van de zusters, die om dit tekort in de geestelijke
verzorging van de bewoners dreigden uit Leeuwarden te vertrekken. Mogelijk dat
ten tijde van de bouw van het orgel toch een ruimte als kapel is ingericht. De orgelkas was
in zoverre bijzonder dat het loze neogotische orgelfront aan de ene korte kant van de
rechthoek werd geplaatst en het klavier aan de andere korte kant, de achterzijde dus. De
dispositie van het orgel luidde:
Manuaal (C-f3): Prestant 8’, Holpijp 8’ B/D (gedeeld tussen f en fis), Viola 8’ (vanaf fis),
Vox Celeste 8’ (vanaf fis) en Prestant 4’. Er was geen (aangehangen) pedaal.
Het Fredericusgesticht voldeed in de dertiger jaren van de vorige eeuw niet meer
aan de gestelde eisen van hygiëne, ruimte en comfort. Daarom werd besloten om een
geheel nieuw gebouw te realiseren. Het terrein rond het zogenoemde Amelandhuis, gebouwd
door de familie Cammingha in 1678 en in 1906 omgebouwd tot het Sint-Bonifatius
Hospitaal (nabij de Sint-Bonifatiuskerk, 1884), werd verworven en deken J.H. Vaas
legde op 20 juni 1936 de eerste steen van het te bouwen nieuwe complex. Dit zou bestaan
uit: het Sint-Fredericus Liefdesgesticht voor rooms-katholieke bejaarden, het klooster
der zusters uit het Sint-Jozefpension (een pensionaat voor bejaarden van alle gezindten)
én uit de tot weeshuis en kindertehuis (het ‘Mariahuis’) omgebouwde pastorie van
de Sint-Bonifatiuskerk.
Op 20 april 1937 werd de nieuwbouw in gebruik genomen en het verlaten Liefdesgesticht
verkocht. Het Adema-orgel verhuisde mee naar het nieuwe complex en werd geplaatst
in de kapel van het Sint-Jozefpension. Deze overplaatsing werd verzorgd door
de orgelmakerij van de Gebr. Adema, zoals die inmiddels heette.
Het orgel van C.B. Adema uit 1903 deed in de kapel van het Sint-Jozefpension dienst tot
1979. In dat jaar werd het woonzorgcentrum Sint Jozef aan de Dokkumer Ee voltooid met
verschillende verzorgingsniveaus voor ouderen. De kapel werd gesloten. Bij het nieuwe
tehuis werd ook een nieuwe kapel in gebruik genomen.
Het Adema-orgel kreeg echter een andere bestemming. In 1980/81 is het instrument
eerst door H. Dantuma gereviseerd en vervolgens overgeplaatst naar de rooms-katholieke
Sint-Wirokerk in Easterwierrum (Oosterwierum).
In deze kerk stond rond 1850 vermoedelijk een klein orgel. In 1892 kwam er een harmonium.
De revisie van het Adema-orgel mag naar huidige criteria drastisch worden genoemd.
Allereerst betrof dit de orgelkas. Het orgel werd 180 graden gedraaid, zodat het
nu aan de voorkant werd bespeeld. Het front moest, om zichtbaar te blijven, boven het klavier
worden geplaatst. Maar er vonden nog andere belangrijke wijzigingen plaats: de
zwelinrichting, die door Adema op een onbekend moment tussen 1903 en 1937 werd
aangebracht, werd verwijderd. Verder werd de dispositie gewijzigd: de Viola 8’ en de Celeste
8’ werden vervangen door een Quint 2 2/3’ (klinkend vanaf fis) en een Octaaf 2’
(eveneens klinkend vanaf fis). Eén en ander is in 1980/81 in eigen beheer uitgevoerd,
maar helaas duidelijk onoordeelkundig en zonder enig orgelbouwkundig toezicht.
In 2015 is het Adema-orgel opnieuw verhuisd, toen de Sint-Wirokerk werd gesloten.
In opdracht van het kerkbestuur van de Heilige Antonius van Paduaparochie te Sneek,
Blauwhuis, Roodhuis (Reahûs) en Heeg werd het als koororgel geplaatst in de Sint-
Vituskerk van Blauwhuis. Deze kerk is, net als het bovengenoemde Sint-Fredericusgesticht,
gebouwd naar een ontwerp van P.J.H. Cuypers.
De overplaatsing van het orgel geschiedde door Wim J. te Groen uit Tersoal (gelegen
vlakbij Sneek), die het orgel in Easterwierrum sinds de tweede helft van de jaren negentig
in onderhoud had. Te Groen, die orgelreparateur, stemmer en intonateur bij Van
Vulpen en Vierdag was, pleegde uitgebreid technisch herstel alvorens het Adema-instrument
in Blauwhuis te herplaatsen. Zo werden de abstract-draden van het klavier naar
de winkelhaakbalk vervangen en afstelbaar gemaakt en lekkages aan balg en windkanalen
verholpen. De stemming werd iets boven 440 Hz gesteld en daarmee in overeenstemming
met het hoofdorgel gebracht.
Deze werkzaamheden waren erop gericht het orgel weer goed speelbaar te krijgen en
werden met respect voor het instrument verricht. Dat alles vergde 50 procent meer tijd dan voorzien.
Van enig herstel naar de oude situatie, zoals die van de dispositie, kon
daarom op dat moment geen sprake zijn.
Huidige dispositie van het mechanische Adema-koororgel (1903): Manuaal (C-f3): Prestant 8’, Holpyp 8’ (gedeeld tussen f en fis), Prestant 4’, Quint 2 2/3’
(vanaf fis), Octaaf 2’ (vanaf fis). Pedaal: afwezig
In het eindrapport van de Katholieke Klokken- en Orgelraad (KKOR) betreffende
de overplaatsing van Easterwierrum naar Blauwhuis wordt geïnventariseerd wat er nodig
zou zijn om het orgel zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat te herstellen om zo
mogelijk voor dit bijzondere instrument een monumentenstatus te verkrijgen.
1. Er zijn twee registers pijpwerk verdwenen en vervangen door exemplaren die niet
in het concept van het orgel passen. Het is onduidelijk waar het oorspronkelijke pijpwerk
gebleven is. Die registers zijn niet meer in de voorraad van Adema’s Kerkorgelbouw, zoals
de orgelmakerij nu heet, aanwezig. De huidige directeur Ronald van Baekel kan zich ook
niet herinneren dat ze er ooit waren. Waarschijnlijk heeft de orgelmakerij onder de vorige
directeur Antoine Schreurs deze in de jaren negentig gebruikt ter vervanging van
hogere registers in een ander orgel. Het is alleen onbekend in welk orgel. Het pijpwerk
kan mogelijk ook onderhands zijn verkocht. Volgens ingewijden valt één en ander niet
meer na te gaan.
2. Het orgel is in Easterwierrum 180 graden gedraaid, het sierfrontje is op een grove manier
uit de achterkant weggezaagd en boven de claviatuur geschroefd, waardoor het disproportioneel
hoog boven de orgelkas uitsteekt.
3. De handpompinrichting is nog wel aanwezig, maar de hefboom is binnen in de kas afgezaagd,
waardoor deze inrichting niet meer gebruikt kan worden.
4. In 1981 zijn dak en achterwand van de kas vernieuwd met behulp van plaatmateriaal.
De wijze waarop dit is gebeurd, verdient zeker geen schoonheidsprijs.
De weg naar een de monumentenstatus is nog lang. ‘Herstel van de oorspronkelijke
dispositie door een nieuwe factuur van het verdwenen pijpwerk lijkt een voorwaarde’.
Dit zal niet alleen de klank van het orgel ten goede herstellen maar ook de functie van
koorbegeleidingsinstrument versterken. Bovendien zal het in klank beter aansluiten bij
het hoofdorgel van de Blauwhuister kerk, dat in 1924 gebouwd werd door de gebroeders
Rohlfing. Restauratie naar het oorspronkelijk concept zou zeer de moeite waard zijn.
Maar ook in de huidige vorm bewijst het koororgel in de Sint-Vituskerk te Blauwhuis
goede diensten, en wordt het regelmatig bespeeld, zeker ook in de coronaperiode.
Mars van ’t Veer
Het koororgel in de Grote of Sint-Martinuskerk te Dokkum
Sinds november 2015 beschikt de Grote of Sint-Martinuskerk, naast het Helman/
Flentrop-orgel (1688/1979), over een koororgel dat zich op de overgang van schip naar
koorgedeelte van de kerk bevindt. Met de aanschaf hiervan ging een lang gekoesterde
wens in vervulling om in het koor een instrument te hebben dat gebruikt kan worden
voor vespers, bijzondere vieringen, begeleiding van solisten, koren of solo. Er was al
enigszins nagedacht over welk soort instrument er zou kunnen komen: Engels, romantisch,
modern… Uiteindelijk viel de keuze op weer een gebruikt, ‘tweedehands’ orgel uit
Leeuwarden. Eigenlijk een gelegenheidsaanbieding, maar wat voor één!
Al eerder had men in Dokkum een tweedehandsorgel uit Leeuwarden gekocht. In 1584
was het de magistraat van Dokkum die voor de Grote Kerk het orgel van de voormalige
Sint Vituskerk, de kerk die ooit bij de Oldehove stond, aangeschaft. In 2015 moest de
wijkgemeente van de Sint-Martinuskerk het orgel zelf betalen. Een bijzonder instrument,
afkomstig uit het voormalige kerkgebouw De Open Hof in Leeuwarden, dat sinds 2014
De Fontein heet. Hier heeft het van 1981 tot 2013 gestaan. De kerk kon de beschikking
krijgen over het grotere Van den Berg & Wendt-orgel uit 1976. Dit kwam beschikbaar
door het afstoten van de Adelaarkerk in de wijk Bilgaard.
Maar voor de ontstaansgeschiedenis van het orgel moeten we terug naar 1979.
Destijds was er in het Fries Museum een tentoonstelling Achter het Friese Orgelfront,
over orgelbouw in Fryslân in de periode 1776 tot 1926. Op deze tentoonstelling waren veel
frontontwerpen en bouwtekeningen van Friese orgels, bestekken, rekeningen, brieven,
keuringsrapporten, gedenkboeken van orgelinwijdingen, huwelijksaktes en portretten
van orgelmakers te zien. Verder ook instructies voor de organisten en oude psalm- en
gezangboeken, orgelmakergereedschappen en fragmenten van instrumenten als klaviatuur,
pijpen, registerplaatjes, etcetera.
Ook waren er enkele instrumenten te zien én
te horen, zoals drie huisorgels van Albertus en Willem van Gruisen en een positief. Dit
laatste orgel had de orgelmakerij Bakker & Timmenga voor deze tentoonstelling speciaal
gemaakt met gebruikmaking van ouder materiaal, zoals een windlade uit ca. 1800
en enig ouder pijpwerk van ca. 1700. Hiervoor werd een nieuwe quasi-historiserende
orgelkast gemaakt van eikenhout. De fluitregisters Holpijp 8’ en Fluit d’Amour 4’ zijn
nieuw gemaakt, de Prestant 8’ discant, Prestant 4’, Quint 3’ en Octaaf 2’ bestaan uit ouder
pijpwerk. De Holpijp, Fluit en de Quint zijn gedeeld in bas en discant. Ook kreeg
het klavier een transpositie, mogelijk om de toonhoogte een halve toon te kunnen verschuiven.
Herkomst van de materialen en hun makers konden niet worden achterhaald. Het betreft
overigens materiaal dat tijdens restauratiewerkzaamheden aan orgels ten gevolge van
reconstructie is vrijgekomen. Het pijpwerk was zo verbluffend goed, dat besloten werd
tot het opnieuw gebruiken hiervan op een bestaande lade. Het resultaat laat zich prima
horen in de fraaie akoestiek van de Grote Kerk in Dokkum.
Een saillant detail is dat de kerk nu een hoofdorgel heeft met historische Helmankassen
uit 1688 en een binnenwerkreconstructie door Flentrop uit 1979 én omgekeerd
een koororgel met een B&T-kas uit 1979 en een deels historisch binnenwerk.
Het betreft dus een ‘tweedehands’ orgel. Maar daarvan zijn er in Fryslân heel veel te
vinden. Vaak zijn het ‘afdankertjes’ van elders, die hier een tweede leven krijgen. In
de orgelkrant van 2021 hebt u hierover meer kunnen lezen. In Dokkum is men blij met dit
fraai klinkende koororgel, dat inmiddels een goede plaats in concerten en erediensten
heeft gekregen en daarnaast als continuoinstrument ook in kerksonates van Mozart of
cantates van Buxtehude mag klinken.
De toonhoogte van het hoofdorgel en koororgel zijn gelijk, waardoor zij samen kunnen
klinken. Ieder jaar is er in de zomerserie daarom ‘musica per due organi’.
Rond 1982 vatte het bestuur van de hervormde Martinigemeente in Sneek het plan op regelmatig
zondagavonddiensten te houden in het oosterkoor* van de Grote of Martinikerk.
Hiervoor wilde men een koororgel aanschaffen, dat zou kunnen dienen als begeleidingsinstrument
voor zowel de zondagse avonddiensten als rouw- en trouwdiensten.
Aan organist-beiaardier Dirk S. Donker werd gevraagd een eerste opzet voor een daartoe
geschikt koororgel te maken. Zo ging het balletje voor de aanschaf en plaatsing van het
Van den Heuvel-koororgel in 1984/85 rollen.
Organist Dirk S. Donker maakte een ontwerpdispositie van 6 à 7 registers voor een
éénklaviers koororgel met enkele aanvullende eisen. Die eisen betroffen niet alleen
de manuaal- en pedaalomvang en de toonhoogte (a1 = 440 Hz), maar ook praktische
dingen als de afmetingen en de verplaatsbaarheid. Aanvankelijk opteerde hij voor een
uitneembaar aangehangen pedaal.
Hoewel een tweedehands instrument niet bij voorbaat werd uitgesloten en kleine orgels in
onder andere Hoorn en Groningen werden bezocht, verried het ontwerp toch de voorkeur
voor ‘maatwerk’ en dus een nieuw orgel.
Het ontwerp ging uit van: Prestant 8’ (discant), Holpijp 8’, Prestant 4’, Fluit 4’ (gedeeld),
Quint 3’ (gedeeld) en Octaaf 2’. Voor een Terts 1 3/5’ (discant) en een transpositieklavier
(1/2 toon hoger) zou Donker graag een aparte, aanvullende prijsopgaaf wensen.
Op basis van dit ‘ontwerp’ werd in eerste instantie offerte aangevraagd bij de orgelbouwers
Bakker & Timmenga (Leeuwarden), Blank (Herwijnen), Flentrop (Zaandam) en
Van Vulpen (Utrecht). De door deze orgelbouwers begrote bedragen schommelden
tussen de 80.000 tot 85.000 gulden, inclusief btw. Op basis van de ontvangen offertes
werd ‘intern’ druk overlegd en het ontwerp wat bijgesteld. Gevolg was dat in tweede instantie
nog een paar orgelbouwers werden benaderd, waaronder Van den Heuvel (Dordrecht).
Het contact met Van den Heuvel verliep het vlotst en gemakkelijkst. Daar kwam bij dat
Van den Heuvel een nieuw orgel met een aantrekkelijke vormgeving kon leveren: een
orgelkas gebaseerd op een ontwerp uit 1889 van de beroemde Aristide Cavaillé-Coll.
Dat jaar werd in Parijs een Wereldtentoonstelling gehouden, die achteraf erkend is als
de 10e universele Wereldtentoonstelling. De tentoonstelling is vooral bekend omdat ter
gelegenheid ervan de Eiffeltoren werd gebouwd. Bovendien werd dat jaar gevierd dat
100 jaar geleden de bestorming van de Bastille plaatsvond, hetgeen als het begin van
de Franse Revolutie wordt beschouwd. Een reconstructie van de Bastille deed tijdens de
tentoonstelling dienst als bijeenkomstpunt en balzaal.
Vanwege deze wereldtentoonstelling presenteerde orgelbouwer Cavaillé-Coll, sinds 1834
in Parijs gevestigd, zich door middel van een boekwerkje over de geschiedenis van
het bedrijf, dat tevens diende als een soort catalogus waarin orgelontwerpen vermeld
werden, die besteld konden worden. Van den Heuvel verwees in zijn offerte naar een
koororgel op basis van bladzijde 28 en 29 uit het boekwerkje van Cavaillé-Coll. Eventueel
kon het instrument met een vrijstaande speeltafel geleverd worden, te vergelijken
met de afbeelding op de achterflap van het boekje. Bijzonder detail is, dat in die tijd de
chef van de werkplaats van Cavaillé-Coll ene Piet Veerkamp (1849-1923) was. Deze was
geboren en getogen in Sneek.
Op 1 november 1984 stuurt J.L. van den Heuvel Orgelbouw de tekst van de overeenkomst
naar de kerkvoogdij van de Nederlandse Hervormde Gemeente Sneek. De
tekst van deze overeenkomst is grotendeels gebaseerd op een offerte en een uitgebreid,
gedetailleerd ‘bestek’ van 19 maart 1984. “Wij gebruiken geen kant en klaaronderdelen
[sic] van Duitse toeleveringsbedrijven zoals blaasbalgen, walsborden, windladen,
houten pijpen of speeltafelmechaniek. Alle onderdelen worden naar eigen gemaakte
berekeningen en tekeningen in onze werkplaatsen … met de hand gemaakt”, zo staat
er te lezen. Het totaalbedrag van de offerte is fl. 75.700,- exclusief btw en eventuele “latere
loonkostenverhogingen uitgaande van het bruto uurloon op 19 maart 1984”, zijnde
fl. 50,-.
Op 21 november 1984 retourneert de hervormde kerkvoogdij een getekend exemplaar
van de overeenkomst aan Van den Heuvel Orgelbouw. De werkzaamheden zullen in de
loop van 1985 plaatsvinden en organist Dirk S. Donker zal tijdens de bouw over de werkzaamheden
contact met Van den Heuvel Orgelbouw houden. Uiteindelijk zal het orgel
in 1985 fl. 90.000,- (inclusief btw) kosten. Daarvan betaalt de kerkvoogdij fl. 75.000,-.
Organist Dirk S. Donker en orgelbouwer Van den Heuvel zorgen ervoor dat het beoogde
project in zijn geheel gerealiseerd wordt: de organist schenkt het register Montre 8’ en
de orgelbouwer levert gratis de vrijstaande speeltafel.
Bij de oplevering in november 1985 is het resultaat een koororgel met een sierlijk uiterlijk
en de volgende dispositie:
Toets- en registertractuur: mechanisch. Windladen: sleepladen Toonhoogte: a1 = 440 Hz Stemming: gelijkzwevend Winddruk: 90 mm wk
Bij de levering van het koororgel in 1985 was sprake van een aangehangen pedaal.
In 1996 werd de gereserveerde Soubasse 16’ op het pedaal aangebracht. Het pedaal
bleef echter ook aangehangen. Vanaf 1996 kende het orgel dus 8 complete stemmen.
De frontpijpen van het koororgel bestaan uit de meeste pijpen van de Montre (Prestant)
8’. De 12 grootste pijpen van het laagste octaaf C-B combineren met de Flûte 8’
en staan in de zwelkast. De 17 kleinste pijpjes van de Montre staan op de lade. De
overige pijpen van het orgel (dus alle niet-Montrepijpen) bevinden zich in een zwelkast.
Op 9 januari 1985 geeft het Friesch Dagblad een vooruitblik over de aanstaande, gefaseerde
restauratie van het Schnitger-Van Damorgel én de nieuwbouw van het koororgel
in de Martinikerk van Sneek. Organist en adviseur Dirk S. Donker stelt daarin, dat de
traditie van Cavaillé-Coll mogelijkheden met meer perspectief biedt. “We streven naar
een brede klankbasis. De stemmen zijn voor meer dan de helft gedeeld in bas en discant.
Samen met de zwelkast, waarin het hele orgel komt te staan, ontstaat een scala van
klankmogelijkheden. Het instrument, dat zeven stemmen krijgt, is beslist meer dan een
koororgel.”
Na de oplevering in november 1985 werd het koororgel een half jaar later officieel in gebruik
genomen. Het kwam een klein eindje van de zuidmuur van het koor te staan. Over
de juiste plaats was enige discussie ontstaan, maar uiteindelijk werd gekozen voor
de plaats aan de zuidmuur, waar het 35 jaar zou staan. Die plek had ook de voorkeur van
orgelbouwer Van den Heuvel.
Het koororgel was in de eerste plaats bedoeld als begeleidingsinstrument van de
zondagavonddiensten, alsmede rouw- en trouwdiensten, die in het ‘oosterkoor’ plaatsvonden.
Maar daarnaast was het ook geschikt als solo- en continuo-instrument bij
concerten. Het eerste concert op het koororgel vond plaats tijdens de ingebruikname
op 27 mei 1986. Organist was Dirk S. Donker en medewerking werd verleend door de basbariton
Aerde Kuiper en het Liturgiekoor uit Sneek onder leiding van Hoite Pruiksma.
De kranten waren in hun recensies van het concert over het algemeen lovend over
het nieuwe orgel. De Leeuwarder Courant noemde de klank “opvallend mild getimbreerd,
plastisch van uitdrukking, vloeiend en vol”. Elders merkt Maarten Seybel, jarenlang
voorzitter van de Stichting tot Behoud van het Nederlandse Orgel op “… dat het orgel
grote bewondering verdient. Het Franse karakter werd zeer knap gekopieerd en men
waant zich in de een of andere Franse kathedraal. De klank is warm, wellicht iets aan de
sterke kant, doch zeer zangrijk”.
De ‘orgelcommissie’, meestal alleen door Dirk S. Donker bemand**, vanwege de kerkvoogdij
belast met de organisatie van wekelijkse orgelconcerten op het grote Schnitger/Van
Damorgel tijdens het zomerseizoen, kreeg er dankzij het nieuwe koororgel een taak bij: de
organisatie van kerkmuziekconcerten, waarbij het koororgel breed kon worden ingezet.
Niet alleen als solo-instrument, maar ook als begeleidingsinstrument van solozang of van
een klein koor en als continuo-instrument in een klein orkest zou het kunnen fungeren.
Er werd gekozen voor zo’n vier tot zes concerten op een zondagmiddag met uitzondering
van de zomermaanden. Afhankelijk van programma en bezetting zouden deze in
het koor of in het grote middenschip van de Martinikerk plaatsvinden. Aanvankelijk was
er geen budget en moest er zoveel mogelijk van de ‘eigen’ kerkelijke musici gebruik worden
gemaakt, dat wil zeggen van de organisten Dirk S. Donker (Martinikerk) en Jan de
Jong (Ichtuskerk) en het Liturgiekoor Sneek onder leiding van Hoite Pruiksma. De serie
viel in de smaak bij het publiek uit Sneek en wijde omtrek.
Geleidelijk groeide de behoefte aan meer kwaliteit. Maar met een hogere artistieke
ambitie kwam ook de financiële lat hoger te liggen. Ondanks de verheugende bezoekersaantallen
was de recette-opbrengst onvoldoende om een hoog ambitieniveau te
handhaven.
kwaliteit en dus aan meer financiën werd vooral in de 21e eeuw voelbaar. Het gebrek
aan financiële armslag leidde ertoe dat na zo’n 30 jaar de zondagmiddagconcerten
beëindigd moesten worden. Zo bleek herhaling van een concert door de Nederlandse
Bach Vereniging in de Martinikerk financieel niet haalbaar. En vanwege de komst van
een nieuw theater in Sneek – op de plaats van het vroegere postkantoor – ging financiële
steun van de gemeente Sneek naar een door burgerlijk en kerkelijk bestuur opgerichte
stichting, die met concerten en voorstellingen een theaterloze periode van 5 jaar
moest overbruggen. Hoewel deze Stichting Culturele Evenementen Martinikerk (SCEM)
geen concerten met orgel heeft georganiseerd, ondervonden naar het gevoel van
de kerkelijke ‘orgelcommissie’ haar zondagmiddagconcerten toch concurrentie van de
SCEM-concerten. Ook de wekelijkse orgelconcerten op het grote Schnitger/Van Damorgel
op de maandagavond tijdens het zomerseizoen kregen het moeilijk.
De orgelcommissie ging zich wat de zondagmiddag betreft beperken tot concerten door
het in 1995 opgerichte Martini Jongenskoor Sneek, aanvankelijk onder de directie van
Bouwe Dijkstra. Voor het Adventsconcert door dit jongenskoor werd al gauw uitgeweken
naar de Bolswarder Martinikerk. Ondanks alle ambitie en inspanning bleken de
zondagmiddagconcerten in de Martinikerk van Sneek niet te redden.
Na gedegen voorbereiding vanaf 1994 werd in 1996 het gereserveerde 16-voets pedaalregister
gerealiseerd. De registerknop voor de Soubasse 16’ was in 1985 reeds aangebracht.
Daarnaast bleef het pedaal permanent aangehangen.
Een gedegen voorbereiding van de plaatsing van de pedaalpijpen was nodig met het oog
op de toegankelijkheid van het binnenwerk. Volgens de eerste plannen moest het koororgel
naar voren worden verplaatst, zodat de pedaalpijpen die tegen de muur achter het
orgel gedacht waren, in de toekomst voor onderhouds- en stembeurten goed benaderbaar
zouden zijn. Deze verplaatsing van het koororgel zou een nogal complexe operatie
worden. Het orgel moest omhoog worden gekrikt en op metalen ‘regels’ vervolgens naar
voren geschoven, een soort slee-effect. De ondergrond moest extra verstevigd worden
en de ‘flonder’ die de speeltafel met de kas verbindt eveneens. Het koororgel zou vanwege
de nieuwe Subbaspijpen niet alleen 40 tot 50 cm naar voren worden verplaatst maar
ook zo’n 30 cm hoger komen te staan.
Na enkele alternatieven om de plaatsing van de pedaalpijpen bevredigend te realiseren,
te hebben gewikt en gewogen, hakten Dirk S. Donker en Van den Heuvel in de loop
van 1995 de knoop door: de keus werd gemaakt een nis in de dikke muur achter het
koororgel uit te houwen. Hierin zouden de Subbaspijpen dan komen te staan. Op die
manier hoefde het koororgel niet te worden verplaatst. Deze keus werd door het College
van Kerkvoogden overgenomen. Zo kwamen de pijpen van het pedaalregister dus in een
nis achter het orgel te staan.
Er werd een rasterwerk aangebracht om deze aan het oog te onttrekken. En zo is de
situatie – vóór de ingrijpende verbouwing van de Martinikerk die aanstaande is – anno
2021 nog steeds.
Op donderdag 2 november 2017 heeft de Sneker protestantse kerkenraad definitief
besloten de Grote of Martinikerk te zullen verbouwen en dat de Ooster- en de Zuiderkerk
zullen worden afgestoten. Voor veel gemeenteleden valt dit besluit zwaar. De
kerkenraad heeft dit besluit dan ook niet lichtvaardig genomen en pas na een periode
waarin veel is onderzocht en intensief is samengewerkt tussen kerkrentmeesters,
bouwcommissie, kerkenraad en moderamen om de knoop door te hakken.
Hoewel er nog heel wat overleg moet plaatsvinden eer de verbouwing start, belooft het
volgens de presentatie van de plannen een ingrijpende aangelegenheid te worden. De
hoofdbeuk wordt iets kleiner gemaakt en zal tot een nieuw schip van de kerk worden omgevormd.
Aan het grote Schnitger/Van Damorgel hoeft niks te veranderen. In de noordbeuk
komen twee zalen en de zuidbeuk wordt een open ontmoetingsruimte.
Het oosterkoor wordt grondig verbouwd tot een kleine kerkruimte, die ongeschikt lijkt te
worden voor het koororgel. Het Van den Heuvel-koororgel wordt in de plannen dan ook
verplaatst naar de open ontmoetingsruimte, schuin achter de preekstoel die waarschijnlijk
op zijn huidige plaats blijft, maar dan wel omgeven zal worden door een nieuw liturgisch
centrum.
Deze verplaatsing van het koororgel biedt volgens Bob van der Linde, sinds 2020 de
nieuwe organist van de Sneker Martinikerk, nieuwe kansen. Het koororgel is krachtig
genoeg om − als dat bij bepaalde gelegenheden wenselijk geacht wordt − het nieuwe
schip van de kerk te bespelen. De nieuwe plek biedt ook meer gelegenheid om orgelconcerten
met zowel het grote orgel als het koororgel te geven. Verder zijn vanwege de
toonhoogte a1 = 440 Hz concerten van het koororgel met andere instrumenten mogelijk,
waarbij de open ruimte eenvoudig met stoelen voor de bezoekers te vullen is.
In oktober 2021 is het koororgel gedemonteerd en door Orgelbouwer Van den Heuvel
meegenomen naar de werkplaats in Dordrecht. Er is een plan voor groot onderhoud
aan het instrument, maar de financiering moet nog worden geregeld en daarom is het
geheel nog niet zeker. Vanwege de gasverwarming in het Oosterkoor is er sprake van
schimmelvorming op het houtwerk in het orgel en de speeltafel. Dit zal allemaal schoongemaakt
worden. Daarnaast bestaat het plan om enkele wijzigingen aan te brengen
in de opstelling, om zo enkele stemmingsproblemen te verhelpen. Om de Soubasse
zal een kast gebouwd worden. Opnieuw een nis uit de muur – de zuidelijke buitenmuur
– houwen, dat gaat ‘em niet worden. Deze kas wordt onderdeel van de rest van het pijpwerk,
zodat de Soubasse ook mee reageert op de zweltrede. Kortom, de voorliggende
plannen met het koororgel lijken gunstig. Het is echter afwachten wat er nog in de plannen
veranderd gaat worden en of de financiering ervan rondkomt.
Johan Sjoukema
(met dank aan Dirk S. Donker en Bob van der Linde)
Noten:
* De ruimte bij de ingang aan de westzijde van de kerk wordt westerkoor genoemd, vandaar dat
het echte koor van de Martinikerk pleonastisch als oosterkoor wordt aangeduid.
** Een instructie voor de organist uit de 19e eeuw verplichtte de organist van de Martinikerk
ten minste 4 concerten per jaar te geven, waarvan de opbrengst voor de kerkvoogdij was. Door
de kerkvoogdij ervan te overtuigen dat op grond van deze instructie de organisatie van orgel- en
kerkconcerten ook een kerkelijke taak is, kon Dirk S. Donker als organist van de kerk veelal
zonder stichting of commissie(s) concerten organiseren.