ok2021menu


  Over de bouw en ondergang van
het mooiste orgel van Meppel
Friese Orgelkrant 2021


“Dit orgel maakt mij overbodig, het is veel te solide, er valt niets aan te verdienen”

De faam van de Leeuwarder orgelmakersfirma Van Dam verspreidde zich in de 19e eeuw tot ver buiten Fryslân, zodat hun orgels ook elders veel aftrek vonden, van Groningen tot in Zeeland. Zo ook in de provincie Drenthe (in Assen, Eelde, Gieten, Nieuw Amsterdam en Meppel; veel later volgde als occasion nog Oosterhesselen). Daarvan is niet alles bewaard gebleven. In deze bijdrage willen we enige aandacht besteden aan een verdwenen instrument en wel een orgel dat door (toevallige) oorlogshandelingen werd vernietigd. Het betreft het orgel in de vroegere remonstrantse kerk te Meppel. Of het – zoals elders wordt gezegd – indertijd werkelijk het mooiste orgel in Meppel was, is niet meer na te gaan, bovendien valt over smaak nu eenmaal niet te twisten. Anderzijds zal bij de toen heersende muzikale smaak dit instrument positiever zijn beoordeeld dan bijvoorbeeld het veel oudere Kamp/Schnitger-orgel in de Grote (hervormde) Kerk, dat na de ingrepen door Zwier van Dijk (1882), Proper (in 1905) en Spiering (1927) veel van zijn oorspronkelijke muzikale zeggingskracht had verloren. (*1) Het Van Dam-orgel had in elk geval decennia ná de ingebruikneming nog een zeer goede naam en als het dezelfde kwaliteiten had als een aantal nog bestaande vergelijkbare instrumenten van deze firma, dan was er ongetwijfeld alle reden om tot bovengenoemd oordeel te komen.

“Deze organist werd kennelijk zo gewaardeerd,
dat tot in het laatste oorlogsjaar zijn portret
in het vergaderlokaal hing bij die van de predikanten”

De remonstrantse kerk in Meppel werd in 1945 getroffen door een bom en volledig verwoest. Daarmee ging niet alleen het Van Dam-orgel verloren, dat gold ook voor het archief van de kerk (dat bewaard werd in het aangebouwde vergaderlokaal) met voor ons wellicht nuttige informatie over bouw en verdere lotgevallen. Veel gegevens voor dit artikel werden daarom ontleend aan de onvolprezen website ‘Orgels in Drenthe’ (*2), alsmede aan een boekje over de verwoeste kerk (*3); laatstgenoemde publicatie, die in kleine oplage (50 exemplaren) na de bevrijding verscheen, was bedoeld om met een terugblik op het verleden van dit gebouw mensen te motiveren de bouw van een nieuwe kerk mogelijk te maken.

De remonstrantse kerk te Meppel

Nadat er in Meppel in 1879 voor het eerst een bijeenkomst was gehouden van wat toen de Remonstrants Gereformeerde Gemeente heette, kon binnen twee jaar een eigen, aanvankelijk zeer sober ingericht kerkgebouw worden betrokken aan de Heerengracht 23, met – gelet op het aantal klaar te zetten stoven – zo’n 100 zitplaatsen. De energieke predikant ds. P. Heering zorgde ervoor dat de kerk in 1885 werd voorzien van een pijporgel, nadat de zang de voorafgaande vier jaren door een ’Frans serafijntje’ (harmonium) was begeleid.
Vanaf het allereerste begin was dhr. L. Mulder er vele jaren lang organist; hij werd kennelijk zó gewaardeerd, dat tot in het laatste oorlogsjaar zijn portret in het vergaderlokaal hing bij dat van de predikanten die tot dan de kerk hadden gediend.

Na in de loop der tijd te zijn verfraaid en gemoderniseerd, ging het gebouw in 1945 op dramatische wijze verloren: door een “mankement in de [vlieg]machine daarboven” waren op zondag 28 januari 1945 om 13.15 uur per ongeluk vier geallieerde bommen in Meppel neergekomen, met als gevolg zo’n kleine 20 doden en grote schade in enkele straten. (*4) Eén van die bommen trof de remonstrantse kerk, die volledig werd verwoest, gelukkig precies tussen twee kerkdiensten in (’s morgens van de Remonstranten, ’s middag van de Doopsgezinden), toen het gebouw leeg was.

“Goede orgelbouwers zijn kunstenaars.
Een klank is immers zo teer, zo ijl, zo gevoelig”

Hoewel enkele onderdelen van het interieur de explosie nagenoeg ongeschonden overleefden (zoals een handgeknoopt vloerkleed, dat elders op het dak van een schuur werd teruggevonden!), werd verder vrijwel alles vernietigd of zeer zwaar beschadigd. Van de voorheen aanwezige zitplaatsen was er bijvoorbeeld slechts één stoel heel gebleven (merkwaardigerwijs die met ‘no. 13’!). In de puinhopen werden ook nog wat restanten van het orgel aangetroffen, waarover later meer. Het resterende hout van de kerk werd in 200 porties verdeeld over gezinnen, die dat afbraakmateriaal op dat moment dank baar als brandhout konden gebruiken. Het gegeven dat het instrument ondanks zijn duidelijke kwaliteit nog geen 60 jaar bestond, is er mede oorzaak van geweest, dat het buiten Meppel vrijwel onbekend is gebleven, ook bij ‘Van Dam-kenners’. Dat vormt een goede reden aandacht te besteden aan dit orgel.

De komst van het Van Dam-orgel in 1885

Dankzij de in maart 1884 geslaagde intekening op een renteloze lening (groot 4500 gulden in 180 aandelen van 25 gulden), kon ruim een maand later de opdracht voor de bouw van een pijporgel worden verleend aan de firma L. van Dam & Zonen te Leeuwarden. Hoe het contact met hen tot stand kwam, is niet bekend, ook niet of er meer gegadigden waren. Het orgel was ruim een jaar later gereed en werd in gebruik genomen op 30 augustus 1885: ’s morgens in een kerkdienst, waaraan de bekende organist Jan Worp (van de Martinikerk in Groningen) met een kinderkoor medewerking verleende, ’s middags met een concert, ook door Worp, waaraan een sopraan en een ad hoc gemengd koor meewerkten. Worp had het orgel de dag tevoren gekeurd en was vol lof over het nieuwe instrument. Die reputatie zou het instrument in de jaren daarna behouden.
Mevrouw Wilzen-Bruins schreef zestig jaar later:
“Het orgel bezit een bijzonder mooie klank. Met trots vertellen de Remonstranten u: ‘Het is het mooiste orgel van Meppel’. Het is gebouwd door een degelijke ouderwetse firma, daar ginds in de Friese hoofdstad. Elk onderdeel is van prima kwaliteit, soliede en oersterk, De bouwer wist: voor een kerkorgel is het beste nog niet genoeg. Voor het gieten van de pijpen zijn allerhande metalen nodig. Het mengen van de metalen en het gieten van de pijpen is vakwerk, dat het kunstenaarsvak evenaart. Goede orgelbouwers zijn kunstenaars. Een klank is immers zo teer, zo ijl, zo gevoelig. Een beetje meer van dat en de toon van de pijp heeft weer een andere klank. Daarom zijn er nog geen twee orgels gelijk. Het orgel der Remonstrantse kerk is mooi; schoon om te horen en schoon om te zien, want dat orgelfront mag er zijn. Dat past bij het kerkinterieur, het is ermee in goede harmonie, het vormt een waardig sluitstuk. Het orgel bezit 2 klavieren, met aanhangend pedaal en een twintig registers. Dat zijn bijzonderheden, die de leken en de meeste kerkgangers weinig kunnen schelen. Maar allen weten, dat het een bèst orgel is en wanneer het door meesterhand bespeeld wordt wondermooie muziek kan weergeven.” (*5)
Na al deze lyrische en prozaïsche woorden is het tijd de blik op het nieuwe instrument te richten.

Een succesvol frontconcept van Van Dam

Gelet op bewaard gebleven afbeeldingen van het instrument, kan het orgel in Meppel worden geplaatst in een reeks middelgrote orgels van de firma L. van Dam & Zonen uit de tweede helft van de 19e eeuw/begin 20e eeuw, waarbij als nieuw element het onderfront de vorm kreeg van een schijnrugwerk (zelfs met eigen vleugelstukken). Van Dam-kenner Jan Jongepier noemde dit “het meest monumentale ontwerp voor een tweeklaviers orgel in hun oeuvre”. (*6)
Voor het oog lijken we op die manier van doen te hebben met een orgel met Hoofdwerk, Rugwerk en (vrij) Pedaal. In werkelijkheid bevatte de orgelkas een instrument met Hoofd- en Bovenwerk, doorgaans aangevuld met een vrij Pedaal, zoals bij het eerste instrument met dit front in Anjum (hervormde kerk, 1875). Bij het iets latere orgel in Buitenpost (1877) was het pedaal oorspronkelijk echter aangehangen (de plaats voor een vrij Pedaal was daar wel gereserveerd). De instrumenten uit deze reeks telden zo’n 18- 23 registers. Orgels met een dergelijk front werden verder geleverd naar: Nieuwe Niedorp (hervormde kerk, 1877, tegenwoordig in Ede), Meppel (1885), Schagen (hervormde kerk, 1901) en Maassluis (1904, geref. Noorderkerk; kerk en orgel verwoest in 1943). Het veel grotere drieklaviers orgel (1892) in de Grote Kerk van Enschede heeft een sterk vergelijkbaar front.

Het Van Dam-orgel in Meppel

Weten we dankzij bewaard gebleven afbeeldingen hoe het orgel in Meppel er uitzag, minder goed zijn we ingelicht over de samenstelling van het binnenwerk. Wilzen-Bruins meldde: “Het orgel bezit 2 klavieren, met aanhangend pedaal en een twintig registers”. (*7) Volgens een bericht over de ingebruikneming in de Meppeler Courant van 2 september 1885 was het een “1/16 [sic] voets dubbel werk, bevat 2 klavieren en 25 registers. Het geheel bestaat uit een 1100 pijpen en de fabriekanten verdienen ten volle door hun degelijk werk aanbevolen te worden als meesters in hun vak”. Afgaande hierop was de dispositie waarschijnlijk het beste te vergelijken met die van Buitenpost, welke tot 1974 als volgt was: (*8)
Hoofdwerk: Bourdon 16 vt, Violon 16 vt. disc., Prestant 8 vt, Holpijp 8 vt, Octaaf 4 vt, Roerfluit 4 vt, Quintprestant 3 vt, Octaaf 2 vt, Cornet 3 sterk disc., Trompet 8 vt (bas en discant);
Bovenwerk: Roerfluit 8 vt, Salicional 8 vt, Viola di Gamba 8 vt, Salicet 4 vt, Fluit Travers 4 vt, Quintfluit 3 vt, Gemshoorn 2 vt, Klarinet 8 vt.
Voegt men daar de registerknoppen aan toe voor de werktuigelijke registers die worden genoemd bij de andere voorbeelden van dit orgeltype, zoals Manuaalkoppel, Pedaalkoppel, Afsluiter Hoofdwerk, Afsluiter Boven werk, Tremulant en Windlosser, dan komen we (registerknoppen tellend!) inderdaad uit op het bovengenoemde aantal van 25 registers.

De onderhoudsgeschiedenis van het orgel in Meppel is nauwelijks bekend door het in 1945 verloren gaan van het kerkarchief. Het instrument was echter kennelijk zó solide gebouwd, dat reparaties eigenlijk nauwelijks nodig waren en met normaal onderhoud kon worden volstaan. Uit de volgende decennia is alleen een revisie in 1936 bekend door Valckx & Van Kouteren. Het volgende bericht geeft enige details van de uit te voeren werkzaamheden:
“In het kerkgebouw der Remonstrantsch-Geref. Gemeente te Meppel zal het orgel worden gereviseerd. Het mechaniek van dit overigens zeer mooi mechanische instrument, hetwelk wat hinderlijk geruisch veroorzaakt, vooral bij pedaalspel, zal worden herzien. Vervolgens zal een nieuwe Meidinger windmachine worden geplaatst”. (*9)

De Meidinger-windmotor werd in het boekje van mevr. Wilzen aangeduid als een “electrische windkast”. (*10) Het jaar daarna ging men in zee met orgelmaker Johann Reil (Heerde), die in 1939 het orgel voor het eerst stemde en de volgende veelzeggende beoordeling gaf: “dit orgel maakt mij overbodig, het is veel te solide, er valt niets aan te verdienen”. (*11) Deze uitspraak pleitte – ook na een gebruik gedurende ruim 50 jaar! – alleen maar voor de degelijkheid en de kwaliteit van dit werk van de firma Van Dam.

“Maar allen weten, dat het een bèst orgel is en wanneer het
door meesterhand bespeeld wordt wondermooie muziek kan weergeven”

De ondergang van het Van Dam-orgel

Een eerste beschrijving van de al genoemde verwoesting in 1945, met name over het orgel, is te lezen in een aangrijpende brief enige dagen daarna van organist H. Smit aan orgelmaker Johann Reil. Hij schreef onder meer: “(…) er is van kerk en orgel niets meer over. Is het niet meer dan verschrikkelijk. Ik heb zondag op de puinhoopen staan huilen om het verlies van zo’n mooi instrument. (…) U zult zich kunnen indenken wat een gemis het orgel voor mij als organist beteekent”. Wat trof hij nog aan? “Het grootste gedeelte der metalen pijpen is te redden. De meeste zijn natuurlijk stuk en verbogen, doch er zijn ook nog heele bij. Ik ben bezig alles te verzamelen en bij elkaar te zoeken. (…) Verschillende andere onderdeelen, als motor en klavier heb ik nog niet gezien, daar ik er nog niet bij kon komen. Van de verschillende andere onderdelen is er volgens mij op het eerste gezicht te oordeelen, weinig te redden, daar m.i. alles grondig vernield is. De te redden metalen pijpen hebben zeker momenteel nog al eenige waarde nietwaar?” Elders in dezelfde brief vroeg hij naar de waarde van “de geredde hoeveelheid metalen pijpen” welke “zoo goed als alle zullen terecht komen (± 13 à 1400)” Mogelijk hoopte hij dat een aantal pijpen nog bruikbaar zou zijn voor een nieuw orgel, dan wel dat de metaalwaarde van de overige pijpen de aanschafkosten van een vervangend instrument zouden kunnen beperken. Mevrouw Wilzen-Bruins gaf wat later dat jaar een vollediger beeld van wat er werd aangetroffen: “Het orgel is – vermoedelijk na een buiteling door de lucht – naar beneden gesmakt. Het hout van het portaal daaronder en van het trappenhuis is totaal versplinterd, bijna verpulverd. De orgelpijpen, die zo schoon de klanken vormden, zijn kapot, verbogen of verwrongen, alleen de beide klavieren zijn vrijwel ongeschonden teruggevonden. Zelfs de electische windmotor van het orgel is een wrakstuk geworden. Dat wondermooie orgel, zo degelijk gebouwd, dat degene, die het in onderhoud had, placht te zeggen: ‘dit orgel maakt mij overbodig, het is veel te solide, er valt niets aan te verdienen’, dat orgel is tot brandhout geworden. Slechts de orgelpijpen zijn voorzichtig tevoorschijn gehaald en met zorg geborgen. Ze zijn van bijzondere metaallegeringen, door kunstenaarshanden gemengd, gegoten. Men kan de pijpen smelten en opnieuw gieten en wie weet, gebruiken voor ons nieuwe orgel. En dan is daar nog gevonden een engeltje met een bazuintje. Is dat ongeschonden gebleven om ons moed in te blazen? Moed en volharding om een nieuwe kerk te bouwen?”. (*12)

Tussen alle ‘wrakhout’ werden ook enkele resten van de orgelkas aangetroffen: “( …) en wat verguld was, een rood of blauw randje had, een sierlijke krul bezat, of een verguld roosje was, ja dat moest wel van het orgel afkomstig zijn. Een enkele heeft een stukje schoon gemaakt, opgewreven en bewaard als een dierbaar aandenken aan de oude kerk. Zo is er o.a. van een paar roosjes van het orgel, van een stuk snijwerk van een der borden met spreuken een wandversiering gemaakt”. Zou er nog iets van deze werkjes bewaard zijn gebleven?
Blijft over de vraag wat er eventueel met het resterende materiaal van het Van Dam-orgel is gebeurd. Het is niet duidelijk of Johann Reil in 1945 (of kort daarna) het door de heer Smit verzamelde pijpwerk (en ook de klavieren?) heeft overgenomen uit de puinhoop. In elk geval informeerde organist Rabenort in 1980 nog eens bij Reil, of men daar wellicht nog wist wat er met het afkomende materiaal van het Van Dam-orgel was gebeurd. Het is het laatste wat we over het orgel horen, want het antwoord van Reil is niet bekend.

VICTOR TIMMER

Noten:
  1. Zie hierover o.a. N. (Nico) Verrips, Het orgel in de Grote- of Mariakerk te Meppel, Meppel 1968 (?), p. 16-22.
  2. Te vinden op www.orgelsindrenthe.nl. Deze website vermeldt, door het verloren gaan van het kerkarchief voor de
  periode tot 1945, alleen berichten uit periodieken, alsmede uit het archief van de firma Reil bewaard gebleven
  correspondentie met betrekking tot onderhoud e.d. van het orgel.
  3. E.J. Wilzen-Bruins, De Remonstrantse kerk te Meppel, Meppel 1945.
  4. Wilzen-Bruins, p. 21 en 22.
  5. Wilzen-Bruins, p. 8.
  6. Jan Jongepier, Vijf Eeuwen Friese Orgelbouw. Een schoone voorraad waarlyk, Leeuwarden 2004, 40.
  7. Wilzen-Bruins, p. 8.
  8. In dat jaar werd het instrument gerestaureerd door Fama & Raadgever en voorzien van een vrij Pedaal.
  9. Gelezen in De Standaard d.d. 15 mei 1936. 10. Wilzen-Bruins, p. 14. 11. Wilzen-Bruins, p. 24
10. Wilzen-Bruins, p. 14.
11. Wilzen-Bruins, p. 24.
12. Wilzen-Bruins, p. 24 en 25.



stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard