ok2018menu


  De orgels van de St.-Clemensparochie
te Nes op Ameland
Friese Orgelkrant 2018


De vroegere orgels

Het huisorgeltje

De statie op Ameland kreeg in Nes haar eerste kerk je in 1645. Het werd in 1846 vergroot, maar het duurde nog tot begin 1860 voor er voor het eerst een orgel werd gebruikt. (*1) In dat jaar zorgde de toenmalige minister van R.K. Eredienst, J. van Romunde, voor de aanschaf van een ‘oud huisorgeltje’, mogelijk een secretaireorgel. Het moest echter nog wel worden gerepareerd en bovendien was een geschikte organist ook niet direct voorhanden. Dit orgel was een primeur voor het eiland. Het was volgens Pastoor Scholten misschien voor het eerst “sedert de Schepping der wereld dat God op het eiland door Orgelklank verheerlijkt werd”. Erg lang is dit instrument niet gebruikt, want reeds na drie jaar bleek het ‘door de vochtige lucht des eilands uit elkaar te vallen.’

Het Adema-orgel

Gelukkig maakten in 1863 enkele giften en een inzameling het mogelijk een nieuw instrument aan te schaffen in de vorm van een klein nieuw pijporgel van Gebr. Adema, sinds 8 jaar actief als orgelmakers in Leeuwarden. Het werd door hen vervaardigd voor ƒ 600,-. Het was een eenmanualig instrument zonder aangehangen pedaal, maar op dat moment nog voldoende toegerust voor haar taak binnen de liturgie. Uit bewaard gebleven gegevens in het archief van de huidige firma Adema te Hillegom blijkt, dat het enige kenmerken had van een huispijporgel, zoals de Adema’s er in behoorlijk groten getale hebben gebouwd. De doorsnedetekening toont een magazijnbalg met daaronder twee kleine schepbalgen. Of de verbinding met de windlade een vast kanaal was, dan wel via een harmonikaverbinding is niet aangegeven. De toetsmechaniek was zoals bij hun huisorgels, met een ‘blind klavier’ (balansmechaniek met stoters naar de ventielen). Daaruit volgt dat de windlade chromatisch was ingedeeld. Of de registers waren verdeeld in bas- en discant is onbekend. Uit de dispositieopgaves is dat niet op te maken, terwijl ook in de tekening elke aanwijzing voor de registermechaniek en de plaatsing van de registerknoppen ontbreekt. Een uitslaglijst voor het front laat zien, dat (in de tekening) het front drie pijpvelden bevatte met in de beide zijvakken elk 7 pijpen van de Octaaf 4 vt, terwijl het middenvak 7 pijpen aanwezig waren in Octaaf 4 vt-mensuur, sprekend als c-fis van de Prestant 8 vt. Op grond hiervan had het orgel waarschijnlijk een eenvoudig rechthoekig front met drie even grote pijpvelden en stond het in de balustrade. De claviatuur bevond zich aan de achterzijde. Windbediening met twee tredes daaronder.

Deze dispositie was voor de afbraak in 1926 als volgt:

Prestant 8 vt; C-B in Holpijp, c-fis in front (middenveld), rest op de lade
Holpijp 8 vt; C-B hout, rest metaal
Octaaf 4 vt; C-cis in het front (zijvelden), rest op de lade
Fluit 4 vt; metaal
Octaaf 2 vt; metaal
Manuaalomvang: C-f3, geen aangehangen pedaal.
Pels noteerde in dezelfde periode ook de dispositie. Daarin werd de Holpijp Bourdon genoemd. (*2)

Na een stembeurt in 1871 door Gebr. Adema voor ƒ 28,- volgde 8 jaar later overplaatsing naar de nieuwe Cuyperskerk door Eeltje Ypma (Bolsward); deze klaarde het werk voor 70 gulden. Ook daarna was er slechts incidenteel onderhoud: in 1888 door de firma Van Dam (ƒ 10,-) in 1906 en 1911 weer door (inmiddels firma) Gebr. Adema Leeuwarden voor ƒ 20,-, resp. ƒ 32,-, waarna het bij de plaatsing van het nieuwe orgel door Pels in 1929 (ƒ 5190,-) voor ƒ 250,- werd overgenomen door genoemde firma. In hun offerte van 9 februari 1927 had Pels nog ƒ 200,- voor het Adema-orgel geboden. (*3) Hoewel pijpwerk, windlade en mechaniek mogelijk nog heel goed bruikbaar zouden kunnen zijn in het nieuwe orgel, is het daar niet van gekomen. Wat Pels met de onderdelen van het oude orgel heeft gedaan, is onbekend. Wel was enkele jaren daarvoor nog ‘Leeuwarden’ benaderd over eventuele nieuwbouw, maar dat was op niets uitgelopen. (*4)

Het Pels-orgel (*5)

Op 29 december 1924 zocht pastoor Th. W. van de Pavert van de parochie te Nes contact met de franciscaner pater Dr. Caecilianus Huigens die als orgeldeskundige binnen de Nederlandse R.-K. Kerk bekend stond. Pas in april 1926 werd het contact hernomen. De pastoor liet pater Huigens weten dat er ƒ 2.500,- beschikbaar was voor het orgel en dat er bij de arme parochie in Nes hoogstens geld was voor een vergoeding van de reiskosten van de adviseur, niet voor een advieshonorarium. Op 27 augustus van dat jaar bezocht pater Huigens de kerk van Nes en noteerde in zijn aantekeningen ook de dispositie van het Adema-orgel en een schets van de te ontwerpen situatie voor een orgel met twee fronten ter weerszijden van de drie spitsboogvensters in de westmuur. Hij merkte op dat het aanwezige orgel te klein was voor de kerk, maar dat de pijpen mogelijk nog te gebruiken waren. De aanwezige balg zou gebruikt kunnen worden als motorbalg. Hoewel de pastoor graag zag dat het orgel in september 1927 speelbaar zou zijn opgeleverd, duurde het tot 1929 voordat het nieuwe orgel was geplaatst.

Pater Huigens ontwierp een dispositie en stelde gedetailleerde voorwaarden (desiderata) op waaraan het orgel moest voldoen. Hij gaf duidelijk aan hoe hij de opstelling in twee kassen voor ogen had. De vrijstaande speeltafel van massief eiken zijn, geen fineer, en op zo’n wijze midden tussen de kasten worden opgesteld dat de organist op het altaar kon kijken. Vanwege het vochtige klimaat op het eiland moest alle stangen en draadwerk in het orgel van vertind koper (messing) worden. De pijpstokken moesten worden belegd met een Mahonie dekplaat (tegen de tinpest). De Basson-Hobo moest van “Fransch fabricaat met decrescendo aan den baskant” zijn.

Dispositie:

Hoofdwerk (I, C-g3): Prestant 8 vt, Bourdon 8 vt, Octaaf 4 vt

Zwelwerk (II, C-g3): Viola di Gamba 8 vt, Vox caelestis 8 vt, Holpijp 8 vt, Dolce 8 vt (*6), Basson-Hobo 8 vt

Pedaal (C-f1): Subbas 16 vt, Octaafbas 8 vt (tr.) (*7)

Speelhulpen: I+II, P+I, P+II, I+II sub, II+II sub, Vaste combinaties pp, p, mf, f, Tutti, Oplosser, Transponeerinrichting

In februari 1927 kwamen drie offertes binnen die waren ingediend door J. Elbertse namens de Vereenigde Kerkorgelfabrieken te Aalten en Utrecht, Bernard Pels te Alkmaar en Jos Vermeulen, eveneens te Alkmaar.

Hoewel de dispositie naar de huidige opvattingen een wel zeer eenzijdig grondtonig karakter had, was deze voor de toenmalige r.-k. liturgische praktijk, waarbij het orgel vrijwel uitsluitend werd gebruikt voor de begeleiding van de koorzang en af en toe voor de begeleiding van de volkszang, was deze dispositie met zijn vele 8-voetskleuren zeer geschikt. Uitzonderlijk voor de tijd was de eis dat de Basson-Hobo van Franse makelij moest zijn.

Het is opmerkelijk dat uiteindelijk noch Adema Leeuwarden noch de Amsterdamse tak werd uitgenodigd voor het uitbrengen van een offerte voor een nieuw orgel, ook al had pater Huigens de naam Adema wel genoemd in bovengenoemde notities. Waren de Friese Adema’s behoudender, Joseph Adema uit Amsterdam had inmiddels wel een zekere reputatie opgebouwd met zijn buizenpneumatische kegelladeorgels. Echter, in de periode tussen beide Wereldoorlogen waren Pels en Vermeulen, beide voortkomend uit de orgelmakerij van Ypma de twee grootste spelers op het rooms-katholieke erf wat betreft de levering van orgels. De kegelladen, speeltafels en pijpen van al deze orgelbouwers werden echter alle toegeleverd door een en hetzelfde bedrijf: Laukhuff te Weikersheim. De offerte van Pels was het goedkoopst: ƒ 5.550,- voor het complete orgel. Bovendien was de door hem ontworpen façade veel levendiger dan die van Vermeulen. Van Elbertse bleef geen tekening bewaard. En, zoals uit een inventarisatie van het instrument in 2005 bleek, was de Basson-Hobo naar Frans model. Uit de aantekeningen van pater Huigens bleek dat deze was vervaardigd in de ateliers van Gustave Masure te Parijs. Opvallend was ook de ruime windvoorziening van het instrument. Deze bestond uit een magazijnbalg met in- en uitspringende vouw, die voorzien was van een trapinrichting, voor als de stroom op het eiland zou uitvallen, en met voor elk van de werken een regulateurbalg.

Dat de opdracht naar Pels ging, komt mogelijk mede omdat pater Huigens ook een zekere voorkeur voor deze orgelbouwer had. Pels was degene die, kort na de stichting van de Rooms-katholieke Kerkmuziekschool in Utrecht in 1926, waarvan Caeacilianus Huigens directeur was, in de kapel van dat instituut een orgel plaatste. De opbouw van het orgel in Nes startte op 17 september 1929 door de heer Bernard Pels “met assistentie van de heren W. Bakkum en C. Madder”. Het orgel werd op 9 oktober 1929 in gebruik genomen en gewijd, daags voor de viering van het 50-jarig jubileum van de “Cuyperskerk”. Hierbij werd het orgel bespeeld door Herman Strategier uit Arnhem. (*8)

Het orgel van Fonteijn & Gaal

Het Pels-orgel functioneerde met een ongewijzigde dispositie tot 2010 en moest toen helaas wijken voor een instrument dat Fonteijn & Gaal in 1961 bouwde voor de Zuiderkerk te Hoogeveen. Kaat & Tijhuis uit Kampen plaatste het achter, door parochianen, nieuw gemaakte kassen. De frontpijpen van het Pels-orgel werden in dezelfde opstelling in het front herplaatst. Daarnaast werden de Pels-registers Vox Caelestis en Basson Hobo geplaatst in het zwelwerk op de plaats van de Quint en de Dulciaan. Laatst genoemde registers zijn door Kaat & Tijhuis ingenomen. Dit instrument ging bij de kerkbrand in de nacht van 4 op 5 februari 2013 geheel verloren.

De dispositie voor overplaatsing naar Ameland was:

Hoofdwerk (I, C-g3): Prestant 8 vt, Roerfluit 8 vt, Octaaf 4 vt Gemshoorn 4 vt, Prestant 2 vt,
Mixtuur 4-5 st. (1 1/3), Trompet 8 vt

Zwelwerk (II, C-g3): Gedekt 8 vt, Salicionaal 8 vt, Speelfluit 4 vt, Nachthoorn 2 vt, Quint 1 1/3 vt, Sesquialter 2 st., Dulciaan 8 vt

Pedaal (C-f1): Subbas 16 vt, Gedekt 8 vt, Octaaf 8 vt, Quint 5 1/3 vt, Octaaf 4 vt, Fagot 16 vt

Speelhulpen: Koppel Ped+I, Koppel Ped+II, Koppel Ped+II super, Koppel I+II, Tremolo Zwelwerk, Automatisch Pedaal Vrije Combinatie, Zweltrede, Tutti

Na de brand bleek dat de verzekering voor het orgel, na de plaatsing van het instrument van Fonteijn & Gaal, niet was aangepast aan de veel grotere omvang daarvan t.o.v. het orgel van Pels. Dit betekende dat er voor een vervangend orgel slechts een beperkt budget was en zeker geen nieuw instrument vervaardigd zou kunnen worden.

Het huidige orgel

Het Vermeulen-orgel in Schijndel (*9)

In de uit 1929 daterende kerk van Onze Lieve Vrouw van de Heilige Rozenkrans aan de Boschweg te Schijndel, gebouwd naar een ontwerp van de architecten Chr. van Liempd te Schijndel en Ph. Donders te Tilburg, waarvan het schip in 1954/55 werd verlengd en voorzien van een toren, werd op 17 juni 1956 een nieuw elektro-pneumatisch kegelladeorgel in gebruik genomen door Hub. Houët, die bij de bouw tevens als adviseur namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad optrad. Het instrument was gebouwd door de firma Vermeulen te Weert. Het oude orgel van de kerk, dat in 1939 eveneens was geleverd door Vermeulen uit Weert, werd in januari 1956 overgeplaatst naar de in 1998 gesloopte Don Boscokerk in Oss.

Opmerkelijk voor de bouwtijd is dat beide kassen uit massief eiken zijn vervaardigd en dat de frontpijpen van tin zijn. Ze zijn voorzien van opgeworpen spitsbooglabia. In het front van de linker kas (vanuit de kerk gezien) staan de grootste pijpen van de Prestant 8’ van het Hoofdwerk en in dat van de rechterkas de grootste pijpen van de Octaafbas 8’ van het Pedaal. Voor die tijd was dat in de r.-k. kerken in ons land uitzonderlijk. Tot in het midden van de jaren zestig werden nieuwe orgels voorzien van zinken frontpijpen en van gefineerd, gelaagd hout. In het inwendige van dit orgel zijn wél zinken pijpen te vinden. In het algemeen zijn de metalen pijpen langer dan vier voet van zink.

De dispositie was als volgt:

Hoofdwerk (I, C-g3): Prestant 8 vt , Roerfluit 8 vt, Octaaf 4 vt, Blokfluit 4 vt, Quint 3 vt, Nachthoorn 2 vt, Mixtuur 4-6 st. (1 1/3), Sesquialter 2-3 st., Trompet 8 vt, Klaroen 4 vt

Zwelwerk (II, C-g3): Gemshoorn 8 vt, Holpijp 8 vt, Prestant 4 vt, Roerfluit 4 vt, Nasard 3 vt, Octaaf 2 vt, Scherp 3 st., Tertiaan 2 st., Solo-Trompet 8 vt

Pedaal (C-f1): Subbas 16 vt, Octaaf 8 vt, Gedekt 8 vt (tr.), Koraal 4 vt (tr.), Bazuin 16 vt,
Trompet 8 vt (tr.)

Koppelingen: I+II*, Pedaal+ I*, Pedaal+II*, Pedaal+II 4’ *ook te bedienen met treden

Speelhulpen: Vaste combinaties: p, mf, f, ff, Tutti, Oplosser
1 vrije combinatie
Tongwerkafstellers
Vrij instelbaar Automatisch Pedaal

Wat de dispositie betreft had het instrument een wat hybride karakter. Enerzijds vertoonde het kenmerken van het synthese-orgel zoals dat ook al voor de Tweede Wereldoorlog werd gebouwd, hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van een zwelkast en van elektropneumatische tractuur. Anderzijds had het ook enkele trekken van de uit Scandinavië overgewaaide neobarok, wat blijkt uit de aanwezigheid van vier meerkorige vulstemmen en het geheel ontbreken van strijkende registers, laat staan dat er een zwevende strijker zoals de Voix Céleste op voorkwam.

In 1994/95 onderging het instrument een schoonmaak- en revisiebeurt door Frans Vermeulen, de laatste firmant van Vermeulen te Weert. Daarbij werden de membranen vernieuwd.

De verplaatsing naar Nes

Na de sluiting van het kerkgebouw, waar de laatste viering op 30 juni 2013 plaatsvond, is het orgel in 2014 aangekocht door de parochie in Nes op Ameland. In 2017 en 2018 kon het, na de restauratie en herbouw van het kerkgebouw, worden opgesteld. De demontage en plaatsing vond plaats door Adema’s Kerkorgelbouw te Hillegom. Opstelling op dezelfde wijze als in Schijndel bleek niet mogelijk omdat er in Nes in de breedte minder ruimte was. Om de drie spitsboogvensters in de gevel vrij te laten werden zowel beide kassen als de windladen een kwartslag gedraaid zodat deze laatste, loodrecht op het front, in de lengteas van de kerk liggen. Dit is een oplossing die men ook aantreft in andere neogotische kerken, die van een groot westvenster zijn voorzien, zoals bij de Adema-orgels in Workum (1885), Harlingen (1898) en Lisse (1913). Temeer omdat de kerk in Nes veel kleiner was dan die in Schijndel was dit een aangewezen moment om de klank meer naar de romantiek om te buigen en tegelijkertijd milder en minder luid te maken.

Op het Hoofdwerk werd de Mixtuur vervangen door een exemplaar in strijkermensuur, uit voorraad van de orgelmaker. De Sesquialter 2-3 st. werd vervangen door een Sesquialter 2 st. waarvan de pijpen in de jaren ’60 van de vorige eeuw door Hubert Schreurs in een historisch orgel waren geplaatst maar werden verwijderd bij de restauratie daarvan enkele jaren terug. Doordat deze Sesquialter fluitmensuur heeft, en dus eigenlijk een 2 sterke Cornet is, klinkt hij milder.
Op het Zwelwerk verdwenen de Tertiaan en de Scherp ten gunste van een Viola di Gamba 8 vt en Voix Céleste 8 vt uit de voorraad van de orgelmaker. Daarbij werd de inwendige volgorde van de registers op de lade aangepast om weer een logische volgorde op de lade te scheppen. Door twee schenkingen konden de nieuwe frontzijden van het orgel van nieuw tinnen (loos) pijpwerk worden voorzien en een cimbelster worden toegevoegd.

Bij de overplaatsing trad Ton van Eck op als adviseur namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad.

De huidige dispositie is als volgt:

Hoofdwerk (I, C-g3): Prestant 8 vt, Roerfluit 8 vt, Octaaf 4 vt, Blokfluit 4 vt, Quint 2 2/3 vt, Octaaf 2vt, Mixtuur 4-5 st. (1 1/3), Sesquialter 1-2 st., Trompet 8 vt, Klaroen 4 vt

Zwelwerk (II, C-g3): Gemshoorn 8 vt, Holpijp 8 vt, Viola di Gamba 8 vt, Voix celeste 8 vt, Prestant 4 vt, Roerfluit 4 vt, Nasard 2 2/3 vt, Nachthoorn 2 vt, Solo-Trompet 8 vt

Pedaal (C-f1): Subbas 16 vt, Octaaf 8 vt, Gedektbas 8 vt (tr.), Koraal 4 vt (tr.), Bazuin 16 vt,
Trompet 8 vt (tr.)

Koppelingen: I+II, Pedaal+ I, Pedaal+II, Pedaal+II super

Speelhulpen: Cimbelster

Vaste combinaties: Oplosser
1 vrije combinatie
Tongwerken af (per tongwerk)
Vrij instelbaar Automatisch Pedaal


Met de plaatsing van dit instrument heeft de parochie tegen een alleszins redelijk bedrag een solide vervaardigd pijporgel dat als instrument voor de liturgie, maar ook daarbuiten voor concerten goede diensten kan bewijzen. Critici zullen opmerken dat een mechanisch sleeplade-orgel zoveel beter geweest zou zijn, maar daarvoor was eenvoudig binnen het beschikbare budget geen geld. Men heeft in Nes ook keuzes gemaakt voor bijvoorbeeld sanitaire voorzieningen zodat het kerkgebouw in de toekomst ook buiten de liturgie exploitabel is. Je kunt het ook positiever zien: voor Ameland is het een aanwinst dat dit orgel in het zomerseizoen zelfstandig tevens voor concerten ingezet kan worden en dan qua literatuur breed inzetbaar is, zodat vele bezoekers van dit mooie Waddeneiland ervan kunnen genieten.

TON VAN ECK & VICTOR TIMMER
(met dank aan Ard Lukassen voor het verstrekken van aanvullende gegevens)

Eindnoten:
1. De informatie over het eerste orgel werd ontleend aan: Victor Timmer, ‘…een orgel oud en zwak…’ R.K. orgelbezit in Friesland omstreeks het begin der herleving’, de Mixtuur 83, augustus 1996, 128 en 129.
2. Geven ontleend aan het archief van de Fa. Pels, thans te Rosmalen.
3. Archief Fa. Pels.
4. Adema-dossier van de auteurs.
5. De gegevens over het Pels-orgel zijn ontleend aan het archief van Dr. Caecilianus Huigens OFM dat wordt beheerd door de Hogeschool voor Kunsten te Utrecht. Met dank aan bibliothecaris Simeon Bodden die mij welwillend inzage verleende in de betreffende archivalia.
6. Bij de oplevering in 1929 bleek dat in plaats van dit register een Gedekte Fluit 4 vt stond.
7. Bij de oplevering in 1929 bleek dat dit register te zijn vervallen.
8. Bron: Registrum Memoriale Parochiae Si. Clementis in insula Ameland.
9. De gegevens over dit orgel zijn ontleend aan het dossier van de auteurs.


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard