ok2017menu


  orgelbouw in (vooral) rooms-katholieke
kerken in Friesland omstreeks 1800
Friese Orgelkrant 2017


Een eerste, zo volledig mogelijk overzicht van de tot dan toe nagenoeg onbekende orgelgeschiedenis van de Friese rooms-katholieke staties tot omstreeks 1850 verscheen in 1996 (*1), gevolgd in 2005 door een globaler artikel in de Friese Orgelkrant 2005. (*2) Sindsdien zijn mondjesmaat nog corrigerende en aanvullende gegevens boven water gekomen, onder andere dankzij het steeds meer online beschikbaar komen van tot nu toe weinig toegankelijke of onbekende bronnen. In het bijzonder bleek de in de Franse Tijd van 1785-1805 in Leeuwarden verschenen Bataafsche Leeuwarder Courant nieuwe informatie op te leveren, die we u niet willen onthouden. (*3) Op die manier krijgen we iets meer zicht op een relatief weinig onderzochte periode uit de Friese orgelgeschiedenis, in het bijzonder die van de rooms-katholieke kerkgemeenschappen in die tijd. Het was een periode waarin deze geloofsgemeenschappen geleidelijk meer ruimte kregen, al zouden ze uiteindelijk tot 1853 moeten wachten voor ze volledige vrijheid van handelen hadden. Omstreeks 1800 kwamen de rooms-katholieken in hun staties (de voorgangers van de latere parochies) nog samen in hun schuilkerken. (*4) Daar verschenen nu ook steeds meer orgels, met als 'hofleverancier' de oorspronkelijk uit de provincie Groningen afkomstige orgelmaker Albertus van Gruisen. Na zijn eerste schuilkerkorgel in de statie in het Groningse Sappemeer (1776), bouwde hij daarna in Friesland in de periode 1780-1811 orgels in de staties te Bolsward (Sint-Martinus, 1780), Harlingen (1783), Irnsum (1791), Roodhuis (1804), Dokkum (1805), Joure (1809) en Woudsend (1811), om deze reeks in 1814 in Groningen af te sluiten met een instrument in de schuilkerk van Den Hoorn. In principe zijn al deze instrumenten al beschreven (*5), zodat we navolgend alleen aangeven wat inmiddels nog meer bekend is geworden.

Dokkum
    
Tot nu toe werd aangenomen, dat Albertus van Gruisen in de rooms-katholieke zolderkerk aldaar een nieuw orgel plaatste in 1808. Zoals uit onderzoek door Auke Vlagsma kon worden vastgesteld, betrof het hier feitelijk nieuwbouw met gebruik van onderdelen van het daar al aanwezige or gel, te weten delen van de kas en pijpwerk. (*6) Hij acht het aannemelijk dat het Verbeeck-pijpwerk afkomstig is uit het voormalige orgel in de Jacobijnerkerk in Leeuwarden en was vrijgekomen bij een verbouwing door Jan Harmens Kamp omstreeks 1700, die het weggenomen pijpwerk gebruikte in een klein orgel voor de kerk van Brantgum (dat later werd verkocht naar Dokkum). Dankzij informatie uit de Bataafsche Leeuwarder Courant blijkt nu dat het instrument door Albertus van Gruisen in Dokkum al enkele jaren eerder werd opgeleverd en wel in 1805. Zo meldde een annonce op 28 maart van dat jaar: “Het was op voorleden Zondag LETARE, dat alhier in de Roomsch-Catholijke Kerk, het nieuw ORGEL, door den wydvermaarden Meester Orgelmaker, de Heer A. GRUISEN gemaakt, voor de eerste reize bespeeld en ingewyd is, dewyl een groote toevloed van Menschen den Dienst en weltoegepaste Predikatie, met het allergrootste genoegen hebben bygewoond. Dockum den 27 Maart 1805.” Een aanvullend bericht verscheen op 6 april in dezelfde krant (zie afbeelding). Het instrument zou later – na eerst nog te zijn overgeplaatst naar de huidige neogotische Cuyperskerk – dienst doen in gereformeerde kerken in Enumatil en Boerakker en staat sinds 2005 in gereconstrueerde vorm (naar de situatie-Van Gruisen, maar nu met een nieuwe onderkas met voorkantbespeling) in de hervormde kerk van Wadenoijen.

Roodhuis

Er zijn vage aanwijzingen voor de aanwezigheid in deze statie van een (ongetwijfeld klein) orgel, voorafgaande aan het orgel van Albertus van Gruisen uit 1804. Zo is op een verder niet nader gedateerde 'Plattegrond Oud-Roodhuis 18e eeuw' een 'orgelzolder' ingetekend. Of dat betekent dat er inderdaad voor 1804 al een orgel in die kerk aanwezig was of dat deze beun was ingetekend met het oog op een nog aan te schaffen orgel, is niet duidelijk. (*7) Verder is er nog een notitie uit circa 1800, waarin sprake is van werk aan glazen en muren bij het orgel. (*8) Door het ontbreken van een nauwkeurig jaartal blijft de vraag naar een al dan niet aanwezig orgel vooralsnog onbeantwoord. Een verslag van de ingebruikneming van het Van Gruisen-orgel is afgedrukt in de Bataafche Leeuwarder Courant van 2 oktober 1804 (zie afbeelding).

Een Belgische bijdrage in Sneek en Blauwhuis

    
Door de Belgische musicoloog E.G.J. Gregoir (1822-1890) werd al in 1865 gememoreerd dat de rooms-katholieke schuilkerk in Sneek op enig moment van een orgel was voorzien door zijn landgenoot J.J. Loret: “Il a placé des orgues dans la Frise, entre autres un orgue à Sneeck.” (*9) Om welke kerken het verder zou gaan en wanneer gedateerd, was echter niet bekend. Gelukkig geeft een advertentie in de Bataafsche Leeuwarder Courant van 16, 20 en 27 oktober 1804 hierover nu meer duidelijkheid (zie afbeelding).

Mede doordat uit de periode tot circa 1850 zeer weinig archivalia van Friese rooms-katholieke kerken bewaard bleven en ook andersoortige informatie ontbreekt, is het niet meer na te gaan of deze annonce ná Sneek en Blauwhuis nog andere opdrachten voor Loret heeft opgeleverd. Het is overigens, voor zover we momenteel weten, wel de enige keer dat hij zich hier of elders in Nederland via kranten als “Orgel en Forto Pianomaaker” presenteerde met “KERK-ORGELS”. Waarom hij dat alleen in Friesland deed, is vooralsnog onbekend. Enige decennia later leverde het bedrijf van zijn zoon François Bernard Loret (firma Loret-Vermeersch), een nieuw orgel aan de rooms-katholieke statie in Dronrijp. (*10) Hoe de contacten met 'het zuiden' tot stand kwamen, weten we niet. Vermoedelijk zullen relaties met bepaalde vertegenwoordigers van de clerus hier een rol hebben gespeeld. Wel kunnen we een relatie aannemen tussen de aanschaf van de orgels in Sneek en de naburige statie van Blauwhuis. Onderstaand zullen we beide transacties nader bekijken.

Loret in Sneek (Sint-Martinus)

Al in het begin van de 17e eeuw kwamen de katholieke gelovigen in de stad Sneek samen in een huis aan de Singel, dat aan het eind van die eeuw na allerlei verbouwingen (althans inwendig) op een kerk begon te lijken. (*11) In 1766 verrees op dezelfde plek een nieuwe schuilkerk, “eene ruime lugtige en cierlijke kerk (…), van binnen met grote kraken of hang-solders, (…) in deselve is een orgel (…)”. Over dit instrument is vooralsnog niets met enige zekerheid bekend, maar gezien de grootte van het gebouw zal het zeker van beperkte omvang zijn geweest. Zo'n zestig jaar later was dit kerkje zelf ook al weer te klein voor het toenemend aantal gelovigen (de statie telde toen zo'n 1300 zielen) en ook was de bouwkundige staat weinig florissant, gezien de uitspraak dat deze “door de slechte bouwing zoo zwak is, dat reeds de muren uitwijken”. Inmiddels was het bovengenoemde orgel al tijdens de Franse Tijd vervangen door een ander instrument, dat kort na 1800 moet zijn geplaatst door Jean Joseph Loret (1757-1847), getuige de eerder genoemde annonce in de Bataafsche Leeuwarder Courant in 1804. J.J. Loret genoot in zijn tijd in en buiten zijn woonplaats in het Vlaamse Dendermonde niet alleen bekendheid als orgelmaker, maar ook als organist, beiaardier en als kenner van fysica. (*12) De aanduiding “nieuw gemaakt” in de annonce uit 1804 hoeft niet per sé te betekenen dat hier sprake was van nieuwbouw, er kan even goed 'vernieuwd' of 'als nieuw gemaakt' mee zijn bedoeld: een qua klavieromvang (“Lang Clavier”), dispositie etc. gemoderniseerd bestaand orgel, aangepast dus aan 'de nieuwste stijl'. In dat geval zou het ook om een 'occasion' kunnen gaan, zoals orgels die waren vrijgekomen uit gesloten Belgische kloosters en die beschikbaar waren voor een 'civiele prijs' (*13). Gregoir zegt over Loret ook, dat deze een groot aantal orgels “de petite dimensions” had geleverd aan vooral kloosters. Bovendien was hij belast met onderhoud en stembeurten van orgels in die kloosters, waarvan volgens Gregoir een groot aantal in 1797 werd opgeheven. (*14) Hij zat dus als het ware op de eerste rang bij de mogelijkheid om overtollige orgels te kunnen verkopen. Afgaande op de beschikbare gegevens gold dat in elk geval voor het orgel dat aan de statie in Sneek werd geleverd. Overigens is het opvallend dat men in Sneek (en Blauwhuis) niet koos voor de 'eigen' Friese rooms-katholieke orgelmaker Albertus van Gruisen, die al langer in Sneek bekend was en in 1804 toch ook in de buurt was. Zo plaatste hij in september 1804 nog een nieuw orgel in de statie te Roodhuis. Een half jaar later al leverde hij een grondig vernieuwd orgel aan de statie in Dokkum. Had hij het daarmee te druk of zou een “zeer civiele prijs” in het voordeel van Loret hebben gewerkt?

In 1835 plaatste Willem van Gruisen tot tevredenheid van de kerkmeesters het orgel over naar de inmiddels grotendeels vernieuwde en vergrote kerk, getuige onderstaande advertentie: (*15)
Hoe het door hem herstelde en uitgebreide instrument er omstreeks 1850 uitzag, is af te lezen in het handsschrift-Broekhuyzen: (*16)

SNEEK, provintie Friesland – het orgel in de kerk der r.cath. gemeente aldaar, H. Martinus gewijd, is uit een kerk in Belgien aangekocht, naam der maker en datum der stichting onbekend. In 1834 aanmerkelijk gerepareerd en met een positief of tweede klavier vermeerderd, gemaakt door W. van Gruissen, orgelmaker te Leeuwaarde. Heeft 18 stemmen, twee handclavieren, aangehangen pedaal en drie blaasbalgen.

Manuaal
Prestant
Roerfluit
Octaaf
Roerfluit
Roerquint
Cornet disc.
Tertiaan
Mixtuur
Quintfluit
Trompet B
Trompet D
   4 vt
8 vt
2 vt
4 vt
3 vt
5 st.
3 vt [?]
4-5 st.
1 ½ vt
8 vt
8 vt

Positief
Speelfluit
Woudfluit
Voxhumana
Flutedouce D.
Prestant D.
Flute travers D.
Flutedouce B.
   4 vt
2 vt
8 vt
8 vt
8 vt
8 vt
8 vt
Pedaalkoppeling, tremblant, ventil

Hoe ingrijpend Willem van Gruisen (1788-1843) het orgel wijzigde is niet geheel duidelijk: zou men het Hoofdwerk nog voor het grootste deel aan Loret kunnen toeschrijven, het door Willem van Gruisen toegevoegde Positief is niet specifiek 'rooms', want de dispositie is vrijwel gelijk aan die van het Positief in diens orgel uit 1836, dat hij bouwde in de hervormde kerk van Jutrijp. (*17) Daar had het Positief oorspronkelijk de volgende samenstelling: Fluit Douce B/D 8 vt, Fluit Travers D 8 vt, Prestant 4 vt, Fluit 4 vt, Woudfluit 2 vt en Dulciaan 8 vt. (*18) Het past geheel in het dispositie-stramien voor dit soort nevenwerken, die hij altijd plaatste als onderpositieven. In het front was dit zichtbaar door in de onderkas opgenomen vlakke pijpvelden, een soort tweedimensionale vertaling van het Hoofdwerkfront. In Sneek zal Van Gruisen vermoedelijk het bestaande orgel (als dat een balustrade-orgel was) van een onderkas hebben voorzien, met daarin enkele pijpvelden (zoals hij ook al deed in Oosternijkerk, 1831, of zoals bij zijn latere tweeklaviers orgels in bijvoorbeeld Nijland en Kollum). (*19) Willem van Gruisen voorzag al zijn tweeklaviers orgels van zijkantbespeling. Of dat in Sneek (nu ook) het geval was, is niet bekend. In 1857 verkeerde het instrument in slechte staat, derhalve volgde twee jaar later een 'zuivering' door E.S. Ypma uit Bolsward. In 1871 werd het orgel door hem voor ruim 380 gulden overgeplaatst naar de nieuwe huidige neogotische kerk, een creatie van de bekende bouwmeester Pierre Cuypers. Het orgel werd bij die gelegenheidgerepareerd en gewijzigd, maar details zijn niet bekend. Zes jaar later moest het orgel weer speelbaar worden gemaakt na de nodige bouwschade (bij een storm in januari 1877 was de westelijke sluitmuur van de kerk naar binnen gedrukt en ingestort). Het orgel werd dermate onbruikbaar, dat de koorleden en hun directeur in 1884 zelfs dreigden hun muzikale activiteitente staken als niet werd ingrepen. Wegens geldgebrek nodige het kerkbestuur de koorleden uit de herstelkosten dan desnoods zelf maar te betalen! Vijf jaar later waren die zorgen op slag voorbij dankzij een (zeker voor die tijd) gigantisch legaat aan de parochie van meer dan 300.000 gulden, maar het betekende wel direct het einde van het Loret/Van Gruisen-orgel, dat in 1891 in een groot Maarschalkerweerd-orgel de nog steeds aanwezige opvolger vond.

Intermezzo: de rol van Reinder Monkel

Een interessant persoon is in verband met het orgel in Roodhuis en de beide orgels in Sneek en Blauwhuis de 'Mr. Timmerman'/aannemer Reinder Monkel (140/1741-1821) uit Sneek. In Roodhuis kwamen we hem in verband met het nieuwe Van Gruisen-orgel tegen, waar hij voor 160 gulden zorgde voor een “Poesterkas [de kas waarin de spaanbalgen lagen], zolder lambrizeeringe, Snywerk, Orgelbank en kapstokken [voor de organist, balgtreder en koorleden] enz.” In Sneek (en waarschijnlijk ook in Blauwhuis) fungeerde hij kennelijk als contactpersoon met Loret; ongetwijfeld zal hij betreffende het onderdeel 'hout' een rol hebben gespeeld bij de werkzaamheden van Loret in beide plaatsen. Daarmee houdt zijn bemoeienis met orgel niet op, want opmerkelijk is een advertentie in de Leeuwarder Courant van 28 september en 5 en 12 oktober 1805, waarin hij zelf een orgel te koop aanbood (zie afbeelding).

Het blijft gissen welk instrument het betrof: mogelijk het oude orgel uit de statie in Sneek, door hem (in samenwerking met Loret) opgeknapt? Het kan echter ook een ander instrument betreffen: een mogelijk ouder orgel uit Roodhuis of Blauwhuis, dan wel van onbekende andere herkomst? Het heeft in elk geval de kenmerken van het soort positieven of huisorgels, zoals in die tijd in schuilkerken heel bruikbaar zou zijn geweest. Als voorbeeld geven we hier de dispositie van een in 1753 aangeboden huisorgel: Helaas is over verdere lotgevallen van het door Monkel aangeboden orgel niets bekend. Aangezien van hem op orgelgebied vooralsnog verder geen aanwijsbare activiteiten bekend zijn, zullen de bovengenoemde zaken rechtstreeks te maken hebben gehad met de plaatsing van het Van Gruisen-orgel in Roodhuis en van de beide Loret-orgels in Sneek en Blauwhuis.

Loret in Blauwhuis

Aan de huidige kerk (ontwerp Pierre Cuypers) ging een schuilkerk vooraf uit 1784; het was de eerste rooms-katholieke kerk met ronde ramen (dat wil zeggen met een rondboog) in Friesland sinds de Reformatie. Of daar vanaf het begin al een orgeltje aanwezig was is niet bekend. Dankzij de al genoemde advertentie uit 1804 weten we nu dat, behalve in Sneek, Loret ook hier een orgel leverde. Het was een voor toenmalige Friese rooms-katholieke begrippen groot instrument, want het was op dat moment waarschijnlijk het enige tweeklaviers orgel in een Friese statie. Het was ook veel groter dan qua gebruik in deze kleine plattelandsgemeenschap strikt nodig was, terwijl op dat moment dit soort kerkjes eigenlijk allemaal kleinere éénklaviers orgel hadden, veelal ook nog zonder aangehangen pedaal. Het zal ook hier een gelegenheidsaanbieding zijn geweest, al bestaat daarover geen zekerheid.

Na een kleine reparatie in 1805 voor 3 gulden (*20) werd het orgel in 1819 voor 20 gulden gerepareerd door Jacob van Dam, telg van de bekende Leeuwarder orgelmakerij Van Dam. Dit bedrijf verzorgde het (niet jaarlijkse) onderhoud in de volgende jaren: van 1820-1835 voor 12 gulden per keer (alleen in 1825 was dat 12 gulden en vijf stuivers, in 1825 10 gulden), terwijl in 1829 250 gulden werd betaald voor “scomaaken en Repperasie”. Mogelijk was het onderhoud vanaf 1836 in handen van orgelmaker Dirk Ypma uit Bolsward; hij werd voor het eerst genoemd in 1838 voor 13 gulden. Vanaf circa 1855 zal het onderhoud zijn overgegaan naar zijn broer Eeltje, die toentertijd in Bolward een eigen orgelmakerij had gesticht (zijn broers Dirk en Lodewijk hadden zich in 1842 of 1843 als orgelmaker gevestigd in Alkmaar). Sindsdien bedroeg de onderhoudskosten circa 10 gulden.

De beschrijving in het handschrift-Broekhuyzen omstreeks 1850 geeft waarschijnlijk nog een goed beeld van de oorspronkelijke staat van het instrument: (*21)

Manuaal
Prestant
Bourdon
Fluit
Quint
Octaaf
Mixtuur
Cornet
Cimbel
Sesquialter
Carillon
Voxhuma[na]
Trompet
   4 vt
8 vt
4 vt
3 vt
2 vt
3 sterk
5 sterk

2 sterk

8 vt
8 vt bas/discant

Positief
Prestant
Fluit
Nazard
Terts
Octaaf
Cornet
Fourniture
Nachtigaal
   4 vt bas/discant
4 vt
3 vt
1 ½ vt
2 vt
3 sterk

Pedaal
   aangehangen

Daarnaast waren aanwezig een (manuaal)koppel, tremulant en een ventiel. De windvoorziening bestond uit twee blaasbalgen Waar het Positief was gepositioneerd, is hieruit niet af te leiden; mogelijk was het een onderpositief.

In 1871 volgde de bouw van de huidige Cuyperskerk. Het was de eerste kerk van deze beroemde bouwmeester voor een parochie in Friesland. Nadien zouden nog onder andere volgen de kerken in Sneek, Dokkum, Heeg en Leeuwarden (Sint-Bonifatius). In het kader van de bouw van de nieuwe kerk in Blauwhuis kwam ook op enig moment het bestaande orgel ter sprake en de vraag hoe daarmee aan te vangen in de nieuw te bouwen kerk. Op 8 december 1870 kwam Carolus (Carel) Adema – een van de beide firmanten van de 'orgelfabriek' Gebroeders Adema te Leeuwarden en Amsterdam – over uit Leeuwarden voor een “afspreking orge” van anderhalve dag. (*22) Voor reis- en logementskosten en het gebruiken van een rijtuig naar Blauwhuis werd fl. 9,50 in rekening gebracht. In aansluiting daarop stelde zijn broer Petrus (Piet) vanuit Amsterdam (waar hij het bedrijfsfiliaal in de hoofdstad leidde) in januari 1871 een “Dispositie en begrooting” op, waarvoor 10 gulden in rekening werd gebracht. Of dit plan betrekking had op werkzaamheden (zoals een dispositiewijziging en modernisering van de windvoorziening?) aan het bestaande en eventueel over te plaatsen orgel, dan wel op levering van een nieuw instrument, is niet bekend. Hun voorstellen leidden niet tot resultaat; mogelijk vonden de kerkmeesters ze te duur. Men heeft zich weer gewend tot Eeltje Ypma die een goedkoper voorstel zal hebben gedaan. Op 23 oktober 1871 is genoteerd: “Aan den Orgelmaker Ypma te Bolsward voor het vermaken en vernieuwen van 't orgel f. 600,-“. (*23) Wat de 'verandering van het oude orgel' door Ypma inhield, is niet meer na te gaan. Vermoedelijk heeft men gemeend het instrument ook uiterlijk aan te passen aan het nieuwe kerkinterieur. De aanwezigheid in het parochie-archief van een (ongedateerd) frontontwerp wijst hier mogelijk op. (*24) Het lijkt er niet op dat het ontwerp is uitgevoerd. In een beschrijving van de nieuwe kerk, enige jaren na de ingebruikneming, wordt namelijk over het orgel gezegd: “een trap (…) voert naar het zangkoor, waar een eenvoudig orgel staat, het enige dat nog niet in overeenstemming is met de rijke uitvoering van al het overige”. (*25) Mogelijk zijn de oorspronkelijke kas en front vervangen door een eenvoudiger omhulling om het (gezien een latere opmerking) kennelijk door Ypma verkleinde instrument, waarvan hij vermoedelijk het positief heeft verwijderd en het resterende orgel wat heeft aangepast aan de eisen des tijds (waarbij overigens een deel van het oude klankbeeld bewaard bleef). Ypma ontving in zowel 1873 als 1874 voor het onderhoud 16 gulden. Daarnaast ontving hij in het laatste jaar ook nog en niet nader gespecificeerd bedrag van 28 gulden. Tot 1890 zou Ypma het onderhoud verzorgen.

In die laatste jaren bleek ook herstel van de kerk nodig; de mogelijkheid daarvoor een legaat te gebruiken werd van (kerkelijke) hogerhand geblokkeerd, aangezien dat specifiek was bedoeld voor een nieuw orgel. Maar ook dat kwam er niet en vermoedelijk niet lang daarna is het inmiddels kennelijk onbruikbaar geworden orgel afgedankt, zoals we kunnen opmaken uit een schrijven aan 'Utrecht' in 1923: “Een Kerkorgel bezit onze Parochiekerk niet, slechts een harmonium. Dertig jaar lang hebben wij gepot om over een voor onze kerk passend orgel te kunnen beschikken.” (*26) Ook al was het in 1938 zelfs al bijna zo'n 45 jaar geleden, dat het oude orgel uit de kerk was verdwenen, toch wist zich er nog het een en ander over te herinneren: “Voor dien tijd [d.w.z. voordat men het harmonium aanschafte] hadden wij een zeer oud pijporgel, 1 klavier zonder meer, met eenige schreeuwende registers, totdat dit oud stuk is opgeruimd en vervangen door een groot soort harmonium.” (*27)

Makkum

Tenslotte nog enige aanvullende informatie over het vroegere schuilkerkorgel uit Makkum, waarvan we nog steeds niet weten hoe lang het vóór 1842 al in de statie aldaar stond. De oorsprong van het in 1929 gesloopte orgel moeten we, gelet op kenmerken van front en ornamentiek, vermoedelijk zoeken in de eerste helft van de 18e eeuw in Holland, en niet zoals eerder was gedacht in Zuid-Nederland. Bij de aanschaf van het nieuwe Pels-orgel trad pater Caecilianus Huigens (1878-1966), van 1925-1948 directeur van de rooms-katholieke Kerkmuziekschool te Utrecht, op als adviseur. In zijn archief bleef een notitie aanwezig te zijn met de dispositie van het afgebroken orgel (in ladevolgorde): (*28)

[manuaal, omvang : C-c''']
Prestant 4 voet
Viola di Gamba 8 voet
Holpijp 8 voet
Fluit 8 voet discant
Quint 3 voet
Fluit 4 voet
Octaaf 2 voet
Mixtuur 2-3 sterk
[Trompet of Prestant] 8 voet

De laatste regel is helaas zodanig onduidelijk dat het zowel de afkorting voor Trompet of Prestant kan zijn. Was hier een Prestant bedoeld, dan zal dit register vermoedelijk samen met de Viola di Gamba door Gebr. Adema zijn geleverd bij de overplaatsing naar de nieuwe kerk in 1861. Het zou dan op de plaats voor een tongwerk zijn gezet. Of al dan niet een (aangehangen) pedaalklavier aanwezig was, wordt niet vermeld.

Tot besluit

Ondanks de bijzondere activiteiten van Loret was toch vooral Albertus van Gruisen de belangrijkste speler op het Friese orgeltoneel in rooms-katholieke kerken rond 1800. Daarnaast was hij intussen ook op het protestantse erf actief getuige zijn nieuwe orgels voor onder andere Jorwerd en Marssum. In de Bataafsche Leeuwarder Courant komen we naast berichten over orgels, door hem geplaatst in rooms-katholieke kerken zoals in Roodhuis, Dokkum en Joure, ook informatie tegen over nieuwe orgels van zijn hand in hervormde kerken, zoals (op 26 oktober 1799) van zijn orgel te Jorwerd. Ter illustratie en tot slot van deze bijdrage plaatsen we hier het uitgebreide verslag van de inwijding van het nieuwe orgel in Heeg.

Dit illustreert eens te meer hoe belangrijk krantenberichten kunnen zijn als aanvullende (en soms zelfs als enige) bron van informatie kunnen dienen bij nader onderzoek van de orgelgeschiedenis.

VICTOR TIMMER

Voetnoten:
   1. Victor Timmer, '… een orgel oud en zwak… R.K. orgelbezit in Friesland omstreeks het begin der herleving', de Mixtuur 83
       (augustus 1996, themanummer), blz. 97-144, o.a. te raadplegen in Tresoar Leeuwarden.
   2. Victor Timmer, 'Rooms-katholiek orgelbezit door de eeuwen heen', Friese Orgelkrant 2005, blz. 9-11.
   3. Aanwezig in de collectie van de Koninklijke bibliotheek Den Haag.
   4. Hoewel de aanduiding 'statie' eigenlijk betrekking heeft op de betreffende r.-k. geloofsgemeenschap, wordt het woord in
       de praktijk ook vaak gebruikt als aanduiding voor het kerkgebouw.
   5. Ton van Eck en Victor Timmer, Over Albertus van Gruisen en zijn orgel in Woudsend, Woudsend 2011, blz. 11-19.
   6. Auke Hendrik Vlagsma: 'EEN VERLEDENONTRAADSELD. Over de herkomst en samenstelling van een voormalig Fries
       schuilkerkorgel', Het Orgel, 100/5 (september/oktober 2004), blz. 32-41. Het oude pijpwerk zou volgens hem grotendeels
       afkomstig kunnen zijn uit een orgel van Anthonie Verbeeck.
   7. Zie: M.H. de Vries, Het geheim van de Oude Polle, Roodhuis 1987, blz. 189).
   8. Tresoar, toegang 273-08, archief r.-k. parochie Roodhuis, inv. nr. 5, register met diverse aantekeningen w.o. die op
       7 oktober (1800 ?) voor een betaling aan Pieter Hooghen.
   9. E.G.J. Gregoir, Historique de la facture et des facteurs d'orgues, Antwerpen 1865, repr. Amsterdam 1972, blz. 136.
10. Voor uitgebreide informatie over dit aparte Loret-orgel zie: Victor Timmer, '... uit een kerk in Belgien aangekocht…
       Drie verdwenen Loret-orgels in Friesland', Orgelkunst 39/3 (september 2016), blz. 144-145.
11. Historische informatie over het gebouw is hoofdzakelijk ontleend aan: Sible de Blaauw, De Sint Martinuskerk te Sneek.
       Gotische vormen in negentiende-eeuwse bezieling, Sneek, 1984, blz. 7-29 (hoofdstuk 1). Voor informatie over het orgel
       zie: Victor Timmer, '…een orgel oud en zwak..', blz. 131 en 132.
12. E.G.J. Gregoir, blz. 136.
13. Bekende voorbeelden hiervan in Nederland zijn de Robustelly-orgels in Helmond (afkomstig uit de abdij van Averbode) en
       het uit Luik afkomstige orgel in de Sint-Martinuskerk te Cuyk.
14. Als noot 12. Een totaaloverzicht van deze 'orgelvolksverhuizing' – die in sommige delen van het huidige België al een
       aantal jaren eerder begon, is nog nooit gemaakt. Een deelpublicatie hieromtrent is die van Jean-Pierre Felix, 'Le sort des
       orgues dans la province de Brabant (Belgique) aux suppressions de couvents par Joseph II (1783-1789)', Albert Dunning
       (red.), Visitatio organorum [Feestbundel voor Maarten Albert Vente], Buren 1980, deel 1, blz. 131-188.
15. Steven W. Velds, die het orgel kennelijk had gekeurd, was zoals bekend organist van de hervormde Martinikerk in Sneek;
       hij trad geregeld op als adviseur bij nieuwbouw en reparaties van orgels in Friesland.
16. G.H. Broekhuyzen Senior, Orgelbeschrijvingen, Amsterdam 1986, blz. 722 (S 19).
17. Het orgel staat sinds 1911 in de (vroeger gereformeerde) Stadslaankerk te IJlst. Het had trouwens op het Hoofdwerk ook
       een Tertiaan.
18. Voor meer informatie over dit instrument zie: Het Historische Orgel in Nederland 1819-1840, Amsterdam 2001,
       blz. 335-337.
19. Zijn vader, Albertus van Gruisen, had een dergelijk onderfront voor het eerste toegepast in de doopsgezinde kerk te
       Harlingen (1811). Hij zal dit soort fronten van orgels van Schnitger en Lohman hebben gekend in zijn geboorteprovincie
       Groningen.
20. Deze en volgende uitgaven zijn ontleend aan: Tresoar (Leeuwarden), toegang 273-01, archief van de r.-k. parochie
       Blauwhuis (PA), inv. nrs. 70, 152, 175 en 188.
21. G.H. Broekhuyzen Senior, Orgelbeschrijvingen, Amsterdam 1986, 178 (B 103).
22. Adema-documentatie Ton van Eck & Victor Timmer.
23. PA, inv.nr. 93, Uitgaven t.b.v. de nieuwe kerk.
24. Tresoar, collectie kaarten en prenten, stamnummer 10.219 (Blauwhuis), z.j. Het frontwerp (waarvan ook niet bekend is
       door wie het werd vervaardigd), toont mogelijk een neogotische 'vertaling' van het voorheen aanwezige zuidelijke
       orgelfront.
25. A.J. Andreae e.a., Friesland en de Friezen, Leeuwarden 1877 (repr. 1974), 180.
26. Groninger Archieven, archief van de bisschop van Groningen, inv.nr. 26.1 (Blauwhuis), brief d.d. 4 december 1923.
27. G.H. Broekhuyzen Sr., Orgelbeschrijvingen (deel II, commentaar), Amsterdam 1993, blz. 192-193, brief uit
       archief-Oosterhof.
28. Als onderdeel van de bibliotheek van het Nederlands Instituut voor Kerkmuziek, gedeponeerd in de bibliotheek van de
       Hogeschool voor Kunsten te Utrecht.


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard