ok2017menu


  Louis James Alfred Lefébure-Wély Friese Orgelkrant 2017


200 jaar geleden geboren. Beroemd, verguist, herwaardeerd

De eerste kennismaking die ik met de orgelcomponist Louis James Alfred Lefébure-Wély had, was tijdens mijn studententijd zo’n 45 jaar geleden aan het conservatorium. Wij werden goed en degelijk opgeleid en er was nog een duidelijk scheidslijn tussen ‘goede’ en laat ik nu maar zeggen ‘andere’ muziek. Maar gaandeweg tijdens de studie, mede door mijn orgeldocent Jan Jongepier en de bezoekjes aan muziekhandel Boeijenga in Sneek, werden de lijnen vager en nam de waardering voor het ‘andere’ toe. Een van de componisten die in beeld kwam was Lefébure-Wély, een tijdgenoot van de bekende César Franck, die vijf jaar jonger was.

Het eerste werk dat ik leerde kennen was de heel populair geworden Sortie en mi-bémol-majeur uit het 11e boek van de “L’Organiste Moderne”, als los werk bij Harmonia uitgegeven. Bert Wisgerhof schreef destijds in het voorwoord “dat de lezer en de speler zelf maar moest beoordelen of deze Sortie een banaal stuk is of alleen maar een enthousiaste uiting van romantische bourgeoise orgelkunst”. Een spektakelstuk is het in elk geval en men moet het zeker in toenmalige tijdsgeest plaatsen waar Marsen, Sorties, Scéne pastorales, Offertoires of Boléro’s nog de normaalste muziek van de wereld was om ook op orgel te spelen. Overigens niet alleen in Frankrijk, ook elders in Nederland op orgelconcerten. In Italië kon Davide da Bergamo (1791-1863) er in zijn bundel Musica Sacra per Organo ook wat van. Je waant je bij deze muziek meer bij de opera dan in de kerk. Er is weer een groeiende belangstelling voor dit soort ‘luidruchtige’ 19e-eeuwse speelplezier.

Organistschap

Lefébure-Wély werd 200 jaar geleden in 1817 geboren in Parijs als zoon van Isaac Lefébure-Wély. Deze was zelf ook organist. Aanvankelijk van 1802 tot 1805 van de Saint-Jacques-du-Haut-Pas in het 5e Arrondissement. Deze kerk heeft sinds 1866 een Cavaillé-Coll-orgel. En later in de Saint-Roch in Parijs, waar een orgel van Fr. H. Cliquot uit 1770 stond. Ook deze fraaie barokke kerk kreeg in 1842 een groot orgel met vier klavieren en 60 registers van de beroemde orgelmaker Aristide Cavaillé-Coll. Louis James Alfred heeft daar tijdens zijn organistschap in de Saint-Roch ook nog vijf jaar op gespeeld. Hij maakte de overgang van het klassiek Franse barokorgel naar het romantische symfonische orgel mee.

Nadat zijn vader Isaac kwam te overlijden na een verlamming, neemt Louis James Alfred in 1831 op 13-jarige leeftijd de baan van zijn vader in de Saint-Roch over. In 1847 wordt hij de titulaire van de Madeleine. Deze kerk had in 1846 net een nieuw Cavaillé-Coll-orgel gekregen. Charles-Alexandre Fessy was er organist met een salaris van 1250 frank. Lefébure-Wély werd gevraagd, maar wilde 3000 frank, wat hij ook kreeg en Fessy werd de baan in de Saint-Roch aangeboden voor 2000 frank, in de kerk waar Lefébure-Wély toen organist was. Lefébure-Wély blijft in de Madeleine organist tot 1857. Dan stopt hij tijdelijk als kerkorganist om zich volledig op het componeren toe te wijden. Hij blijft echter wel inwijdingsconcerten voor zijn vriend Cavaillé-Colldoen (circa 80 stuks). In de Madeleine wordt in 1858 Camille Saint-Saëns zijn opvolger.

‘La Madeleine’ heeft vele bekende organist-titulaires gekend, waaronder Théodore Dubois (van de bekende Toccata), Gabriël Fauré (het Requiem) en Jeanne Demessieux (Franck vertolkster). In 1863 wordt Lefébure-Wély toch weer kerkorganist en wel van de Saint-Sulpice. Deze kerk is met een lengte van 118 meter en een breedte van 57 meter net iets kleiner dan de Notre-Dame in Parijs. Ook de Église Saint-Sulpice had net voor de benoeming van Lefébure-Wély een nieuw Cavaillé-Coll-orgel met maar liefst 100 registers gekregen, overigens met gebruikmaking van materialen uit het vorige, door Clicquot in 1758 gebouwde instrument met 64 registers. Het was toen een van de grootste instrumenten in Europa.

Het zal ook niet verwonderlijk zijn dat ook deze kerk beroemde organisten heeft gekend. Voordat Lefébure-Wély er organist werd, waren verschillende leden van de familie Clérambault er organist. Na zijn dood in de Nieuwjaarsnacht van 1869 was Widor er maar liefst 67 jaar organist, tot 1934. Widor (van de andere bekende Toccata) had van 1892 tot 1900 Louis Vierne als assistent. Vierne werd toen in 1900 benoemd tot organist van het Cavaillé-Coll-orgel uit 1868 in de Notre-Dame. Na Widor kwamen Marcel Dupré (tot 1971) en Jean-Jacques Grunenwald (tot 1982). Sinds 1985 is Daniel Roth er de titulaireorganist.

Opleiding

Zijn vader Isaac stuurde Louis James Alfred naar orgeldocent François Benoist (1794-1878). Benoist heeft vele beroemde leerlingen gehad, waaronder César Franck (vanaf 1858 organist van Sainte-Clotilde), Camille Saint-Saëns (van de Carnaval des Animaux), George Bizet (opera Carmen), Léo Delibes (ballet Sylvia) en Adolph Adam (van het bekende kerstlied Cantique de Noël). Wellicht hebben Lefébure-Wély en Franck bij elkaar in de orgelklas gezeten. César Franck, die grote bewondering had voor Lefébure-Wély, droeg zijn orgelwerk Final aan hem op. Het Final is in dezelfde stijl als de Sorties van Lefébure-Wély geschreven. Zou Franck gedacht hebben, wat jij kunt, kan ik ook, maar het is niet mijn componeerstijl? Lefébure-Wély studeert in 1835 af op zowel orgel als piano, waarop hij bij zijn eindexamen het pianoconcert opus 11 in e klein van Frederic Chopin uitvoert. Dit werk van 1830 was toen nog erg nieuw. Lefébure-Wély stond bij zijn Parijse collega’s bekend als een aimabel, ietwat buitenissige en flamboyante collega, maar vooral als kundig improvisator. Een jonge Camile Saint-Saëns zei eens “het is een fantastisch improvisator, ja ik weet waarover ik spreek, ik heb het zelf gehoord, maar zijn orgelwerken zijn onbeduidend”. Onovertrefbaar was hij in het uitvoeren of opvoeren van stormen en onweer. Zijn faam was zeer groot, vele toeristen en orgelliefhebbers kwamen naar de Madeleine om hem te horen spelen.

Composities

Nog iets over zijn werken. De bekende Sortie komt uit een 12-delige collectie orgelwerken van Lefébure-Wély, met de naam L’ORGANISTE MODERNE. Dit is een verzameling orgelstukken met verschillende genres, en gedacht voor liturgisch gebruik. Zelf zegt Lefébure-Wély dat de stukken geschreven zijn op motieven waarop werd geïmproviseerd in de Saint-Sulpice. Een andere bundel, de “Meditaciones Religiosas” opus 122, verschijnt in 1858. Een bundel die zich zeker onderscheidt met de Sorties en andere stukken. Hier minder effectbejag, maar gematigd progressieve muziek in een eenvoudige, maar directe en heldere muzikale taal die zich goed leent om in de kerkdienst of op een concert te laten horen. Stukken uit de tijd van de Empire met de toen in zwang zijnde vormen als mars, andante, marche funèbre. Ook schreef hij werken voor het Franse drukwindharmonium zoals de Boléro de concert opus 166, die overigens meestal op orgel wordt uitgevoerd. Ook andere bekende Franse orgelcomponisten als Franck (l’Organiste), Boëllmann (l’Heures Mystiques) en Guilmant schreven voor het harmonium. Daarnaast geeft zijn opuslijst een flink aantal werken voor piano aan, vaak in allerlei arrangementen als viool en piano, cello en piano en zelfs harmonium en piano. Muziek in de sfeer van de in de negentiende eeuw zo opkomende Salonmuziek.

Lefébure-Wély ligt op de bekende begraafplaats Cimetière du Père-Lachaise niet ver van Chopin begraven. Bij de inhuldiging van zijn grafmonument waren onder andere Guilmant en harmoniumbouwer Duban aanwezig. Lefébure-Wély was in zijn tijd zeer beroemd, vooral als improvisator, en als componist wat meer ‘tweederangs’ in vergelijking met zijn tijdgenoot César Franck. Dat wil niet zeggen dat zijn muziek het niet waard is om weer eens uitgevoerd en gehoord te worden, zeker in het huidige jubileumjaar.

AUKE DE BOER


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard