ok2017menu


  Najaarsexcursie 2017 Friese Orgelkrant 2017


De kerken die tijdens de najaarsexcursie worden bezocht liggen alle in dorpen van de gemeente Opsterland. De naam Opsterland komt van Upsaterland: 'up' staat voor 'op' en 'sater' is 'zittende op'. Upsaterlanders zijn dus opzitters: de hoog wonende mensen op het zand. De naam werd voor het eerst gebruikt in 1395. De veenafgravingen die in latere eeuwen veelvuldig plaatsgevonden hebben in deze gemeente vormen een belangrijke periode in de geschiedenis, die zich voor de arbeiders kenmerkte door onvoorstelbare armoede en onmenselijk lijden. Deze afgravingen hebben voor een groot deel het landschap bepaald en tegenwoordig vindt u hier een prachtige, afwisselende omgeving met heide, natuurgebieden, grasland, kanalen, veengebieden en bossen. Laatstgenoemde zijn in de 18e en 19e eeuw aangelegd. Achtereenvolgens worden de dorpen Ureterp, Lippenhuizen en Terwispel bezocht. In Ureterp worden twee kerken bezocht, te beginnen in de GKV De Levensbron en daarna de Hervormde kerk aan het Selmien.

Ureterp

De eerste bewoners van dit dorp streken hier zo'n 1000 jaar geleden neer op een dekzandrug, waar Ureterp (Oerterp) de langgerekte vorm ook aan te danken heeft. Het was een klein dorp, waar landbouw en veeteelt de belangrijkste bronnen van inkomsten vormden. Als in de 17e eeuw de Ureterper Vaart (de Feart) wordt gegraven vanwege de verveningen in dit gebied, neemt het aantal inwoners, vooral aan de nieuwe vaart, flink toe met veenarbeiders en schippers. In de loop van de tijd wordt de turfwinning kleiner en stappen de meeste schippers over op vrachtvervoer in het algemeen. De Feart is nog lange tijd de hoofdverkeersader van het dorp. In 1963 wordt de Feart echter gedempt vanwege de ruilverkaveling, maar ook omdat het vervoer over de weg steeds belangrijker wordt. Het dorp is inmiddels flink gegroeid. Bos en heide worden ontgonnen voor landbouwdoeleinden en in het dorp breiden handel en ambacht zich uit. Tegenwoordig heeft Ureterp bijna 5000 inwoners en is het na Gorredijk het tweede dorp van de gemeente Opsterland. Naast de Sint-Piterskerk heeft Ureterp nóg een rijksmonument: het aan alle kanten scheve huis met de kleine raampjes uit 1801 op de Weibuorren 60/62. Onder archeologen geniet Ureterp vooral bekendheid vanwege de opgravingen in 1943 bij de Prinsendobbe, waarbij overblijfselen werden gevonden van rendierjagers uit het eind van de oude steentijd. Omdat vergelijkbare overblijfselen zijn gevonden bij Hamburg staat deze cultuur bekend als de Hamburgercultuur, wat de vondst uniek maakte voor Nederland.

GKV de Levensbron

De excursie begint in het kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt aan De Feart 85. De huidige kerkzaal is in 1907 gebouwd en verving de vorige kerk uit 1860, die te bouwvallig was geworden. Na de Vrijmaking is het kerkgebouw in 1945 in handen gekomen van de vrijgemaakte kerk. De gereformeerden hebben na tijdelijk gezamenlijk gebruik van dit kerkgebouw, elders in het dorp een nieuwe kerk gebouwd. Sinds 1978 staat het oude kerkgebouw uit 1907 binnen in een nieuw gemetselde muur. Na een grote verbouwing/nieuwbouw in 2008, waarbij de lage aanbouw is toegevoegd, is de kerk op 28 december van dat jaar officieel heropend. Toen werd ook de nieuwe naam bekend gemaakt: De Levensbron, ontleend aan Psalm 36: 3-6 (NBG vertaling).

Het orgel werd in 1979 gebouwd door de orgelmakers Van Vulpen uit Utrecht. Het orgel verving een orgel van Dekker uit 1913. De orgelkas en een deel van het pijpwerk van het Dekker-orgel is in 1988 in de Gereformeerde Kerk van Kommerzijl geplaatst door orgelbouwer Haarsma uit Drachten. Het nieuwe orgel is een voorbeeld van historiserende orgelbouw met een nieuwe, inspirerende identiteit. Jan Jongepier noemde onder andere dit orgel de resultante van de ontwikkeling via neobarok naar het proces van historische orgelbouw, waarbij men intensiever en meer gedetailleerd naar oude orgels ging kijken en luisteren. Van Vulpen was één van de pioniers die deze nieuw ingeslagen weg vertegenwoordigden. Bijzonder is ook de Werckmeister-stemming, waardoor de klank meer glans krijgt in de meest gebruikte toonsoorten in de kerkmuziek. De manuaalkoppel werd als schuifkoppel gemaakt naar voorbeelden van onder meer vroege Hinsz-orgels.

Dispositie:

Hoofdwerk (C-g3): Prestant 8 voet, Holpijp 8 voet, Octaaf 4 voet, Quint, 3 voet, Octaaf 2 voet, Mixtuur 4 sterk, Trompet 8 voet

Nevenwerk (C-g3): Gedekt 8 voet, Roerfluit 4 voet, Fluit 2 voet, Sesquialter 2 sterk, Dulciaan 8 voet

Pedaal (C-f1): Bourdon 16 voet, Prestant 8 voet (transmissie), Fagot 16 voet

Werktuiglijke registers: MK (schuifkoppel), P-HW, P-NW

Sint Piterkerk

Deze prachtig gelegen kerk aan het Selmien werd in de 13e eeuw gebouwd. Oorspronkelijk zijn er Friese kloostermoppen gebruikt voor de bouw van de kerk, maar die zijn nu alleen nog terug te vinden in de muren van de toren en de zuidmuur van de kerk. Rond 1800 werd de kerk deels beklampt en vernieuwd. De stevige toren heeft geen fundering maar staat rechtstreeks op een bult zand. De geweldig dikke muren, 1.60 meter aan de onderkant en bovenin een dikte van 70 cm, zorgen ervoor dat de toren niet verzakt. Bovenin de muren van de toren zitten aan elke zijde twee galmgaten, die rond 1600 zijn aangebracht. Daarna werden er twee klokken in de toren gehangen. Rond 1766 verkeerde de toren echter in een dusdanig slechte staat, dat deze het gewicht van de klokken niet meer kon houden. Daarom werd er een klokkenstoel gebouwd, die in 1873 werd vernieuwd. De twee luidklokken uit 1771 en 1932 werden in de Tweede Wereldoorlog geroofd en vervangen in 1948 door twee nieuwe klokken. Het interieur van de kerk is onlangs geheel gerestaureerd. De preekstoel dateert nog uit de 17e eeuw, het klankbord is jonger. Ook hangen er drie opmerkelijke predikantborden in art-deco-stijl. Zodra u de kerk binnenstapt ziet u aan de rechterkant het deurtje naar de ruimte onder in de toren die lang gediend heeft als gevangenis.

Het orgel is in 1904 gebouwd door de firma Bakker & Timmenga uit Leeuwarden en kostte indertijd 1600 gulden. Het vlakke, neoromaanse front was eerder al een keer toegepast bij het orgel in de Hervormde kerk te Damwoude-Murmerwoude uit 1895. De twee velden met grotere pijpen aan de buitenzijden, en de twee verhoogd geplaatste velden in het midden worden met een rondboog afgesloten. De beide kleine middenvelden staan samen nog onder een grote boog. De lijsten daarboven vormen met de overige kanten van het front een vierkant. De windlade heeft twee gereserveerde slepen. De porseleinen plaatjes op de knoppen voor de gereserveerde stemmen zijn blanco. Zeer waarschijnlijk waren deze bedoeld voor een Bourdon 16 voet en een Cornet of tongwerk.

Dispositie:

Manuaal (C-f3): Prestant 8 voet, Bourdon 8 voet, Viola di Gamba 8 voet, Voix Célèste 8 voet, Octaaf 4 voet, Fluit 4 voet, Octaaf 2 voet

Pedaal (C-d1): aangehangen

Werktuiglijk register: Ventiel

Lippenhuizen

De geschiedenis van het dorp Lippenhuizen (Lippenhuzen) begint in de Middeleeuwen, wanneer een groep landbouwers zich hier vestigt. De gebieden aan het Koningsdiep (ook bekend als Alddjip of Boarne) werden ontgonnen voor landbouwdoeleinden, maar het hoogveen klonk in en de toplaag verteerde door blootstelling aan lucht. Op zoek naar betere landbouwgrond en om droge voeten te houden waren de boeren genoodzaakt hun heil verderop te zoeken en nieuw land in cultuur te brengen. In de 13e eeuw bereikten de dorpen langs het water hun huidige plek op de zandrug, die van Gorredijk naar Hemrik en verder loopt. Op de kaart van Schotanus, uit het begin van de 18e eeuw, ziet men Lippenhuizen omgeven door een strookje cultuurland en verder heide in het noorden, en 'boeckweiten ackers' en venen in het zuiden. Deze (hoge) veengronden zorgden er in de 17e en 18e eeuw voor dat de grootschalige turfwinning ook hier op gang kwam. De Compagnonsvaart stamt uit die tijd en is tegenwoordig onderdeel van de Turfroute, een toeristische vaarroute door Zuidoost Friesland. Na de verveningen werd het afgegraven land in cultuur gebracht en was het boerenbedrijf weer de voornaamste inkomstenbron. Lippenhuizen groeide uit tot een dorp dat tegenwoordig ruim 1300 inwoners telt. Het hoogtepunt van het dorp vormt de in expressionistische stijl gebouwde watertoren uit 1932, aan de oostzijde van De Buorren. Dit is een van de rijksmonumenten van het dorp, evenals de Piterkerk.

Piterkerk

Een document uit 1415 toont een verzoek van de toenmalige pastoor aan een geestelijke van het Johanniterklooster in Sneek voor het bouwen van een kapel. Het is niet duidelijk of het verzoek dadelijk werd gehonoreerd, maar de huidige kerk is wel gebouwd op de fundamenten van deze voorganger. In 1743 werd de oude kerk afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe, wat grotere kerk, weliswaar zonder toren, want dat vond men niet nodig vanwege de nog prima functionerende klokkenstoel die er pal naast stond. In 1860 werd de kerk herbouwd en twee jaar later voorzien van een mooie geveltoren met naaldspits. De klokkenstoel werd nu overbodig en werd voor afbraak verkocht. De twee klokken waren niet geschikt voor de nieuwe toren en werden verkocht aan A.H. van Bergen te Heiligerlee, die ook weer een nieuwe klok leverde voor de kerk. Deze klok verdween helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog en is in 1949 vervangen door de huidige klok. Het interieur van de zaalkerk met driezijdige koorsluiting is in 2015 grondig gerestaureerd. De prachtige preekstoel komt nog uit de oude kerk en moet al omstreeks 1660 gemaakt zijn. Het is niet bekend wie dit mooie werk geleverd heeft. Aan de koorzijde voor de vaste banken liggen vijf grafstenen, die men onder de vloer vond toen de kerk in 1968 van binnen werd opgeknapt. De kerk is een van de zeven Pi(e)terkerken in Friesland, genoemd naar de heilige apostel Sint Petrus, in de tijd dat men hier overal nog katholiek was.

Het pas gerestaureerde orgel is gebouwd in 1859 door L. van Dam & Zn., de derde generatie van het familiebedrijf Van Dam. Het orgel kostte 2600 gulden en de komst ervan betekende dat meester Wiegersma nu kon stoppen met zijn werk als voorzanger. Het is een éénklaviers orgel met aangehangen pedaal. Het frontontwerp (het tiende, gerekend vanaf 1848), werd voorafgaand aan dit orgel toegepast in de doopsgezinde kerk te Joure en later nog één keer in de kerk van Echten. Opvallend aan dit front is het pijpveld in het midden waarin de grotere pijpen zijn geplaatst, in plaats van in een halfronde toren. De smalle gedeelde veldjes daarnaast staan samen met het pijpveld op één ovaal gebogen lijst. Aan weerszijden van deze smalle veldjes staan twee velden met grote pijpen, die in een s-vormige buiging naar achteren wijken. De windlade is van twee ventielkasten voorzien, één aan de front- en één aan de achterzijde. Door middel van de forte/piano-trede kunnen de sterke stemmen, de registers die corresponderen met de achterste ventielkast, in- of uitgeschakeld worden (alleen die registers die al door de bespeler geopend zijn).

Dispositie:

Manuaal (C-g3): Bourdon 16 voet, Prestant 8 voet, Holpijp 8 voet, Viola di Gamba 8 voet, Octaaf 4 voet, Roerfluit 4 voet, Quintprestant 3 voet, Octaaf 2 voet, Cornet III sterk discant, Trompet 8 voet bas/discant

Pedaal (C-g0): aangehangen

Werktuiglijke registers: Afsluiting, Tremulant, Ventiel, Forte/piano-trede

Terwispel

De laatste kerk die tijdens de excursie wordt bezocht ligt in Terwispel. Het van oorsprong boerendorp Terwispel is één van de oudste nederzettingen van de gemeente Opsterland en stond eerst bekend als Wispolia. Het dorp dankt zijn naam aan een van de zijstroompjes van het Alddjip (of Koningsdiep), de Wispel. In 1863 werden bij het vervenen zilveren voorwerpen gevonden die hier rond 750 in de grond terechtgekomen zijn, wat er op duidt dat er hier toen al handel plaatsvond. Terwispel was een zeer uitgestrekt dorp, dun bevolkt en verre van rijk. Het was wel een vruchtbaar dorp, dat samen met Beets de hooischuur van Opsterland werd genoemd. In 1664 heette de huidige Bûtewei dan ook de Wispeler Hooywech. Net als in Ureterp en Lippenhuizen heeft later ook hier de vervening een grote stempel op het dorp gedrukt. De vaart die hier rond 1852 werd gegraven, om de afgegraven turf te kunnen vervoeren, vormt een kruising met de weg "De Streek", waaromheen het dorp zich heeft ontwikkeld. De Spaltenbrêge verbindt de beide dorpshelften die door het graven van de vaart was ontstaan. Deze Nieuwe Vaart maakt ook deel uit van de Turfroute, de toeristische vaarroute door dit prachtige gebied. Het dorp heeft tegenwoordig ruim 1000 inwoners.

Vóór het jaar 1150 had Terwispel reeds een kerk, maar die zou door de bliksem zijn getroffen en afgebrand. Het perceel waar deze kerk stond wordt "de ûnwaarskamp" genoemd. Aan de Streek werd daarna een nieuwe kerk gebouwd, zonder toren maar wel met een klokkenhuis met drie klokken. In 1863 werd deze kerk gesloten omdat deze te bouwvallig was geworden. De middeleeuwse kerk werd afgebroken en vervangen door de huidige kerk in eclectische stijl, een zaalkerk met gereduceerd torenlichaam. De kerk staat net buiten de bebouwde kom, omdat de dorpsbebouwing zich heeft verplaatst naar de Nieuwe Vaart. De kerk is, evenals het toegangshek, opgenomen in het rijksmonumentenregister; beide stammen uit 1864. In de toren zitten aan alle vier zijden dubbele galmgaten en de toren wordt bekroond door een achtzijdig ingesnoerde spits. De klok in de toren heeft als opschrift: Ik ben gegoten door Petrus Overney in 1694. Het interieur bevat nog een rijksmonument: de 17e eeuwse preekstoel, afkomstig uit de oude kerk. Deze heeft een vijfzijdige kuip met dorische pilasters tussen de rondboogpanelen, een trap met ijzeren spijlen en een luifelvormig klankbord. Enkele jaren geleden is de kerk gerestaureerd, evenals het orgel.

    
Het tweeklaviers orgel met aangehangen pedaal is in 1878 gemaakt door orgelmakerij L. van Dam & Zn. Het fronttype behoort tot de meest toegepaste van de firma Van Dam: er zijn 31 orgels bekend waarbij het gemaakt is in de periode tussen 1864 en 1905, waarvan 18 in Friesland. Bovendien hebben ook andere Friese orgelmakers dit frontontwerp overgenomen. Kenmerkend voor dit front zijn de dubbele smalle veldjes die samen met de middentoren onder één kap zijn ondergebracht, met aan weerszijden daarvan de iets verhoogd geplaatste ongedeelde pijpvelden. Twee torens aan weerszijden van die velden maken het geheel compleet. De karakteristieke gesneden kuiven en opzetstukken, samen met de aangebrachte blinderingen en vleugelstukken, zorgen voor een prachtige afwerking van de orgelkas en maakt alleen al het bekijken van dit instrument zeer de moeite waard. Het front is toegepast bij zowel éénklaviers als ook tweeklaviers orgels en later ook bij tweeklaviers orgels met bescheiden vrij pedaal. In 2011 is het orgel grondig gerestaureerd door de firma Bakker & Timmenga uit Leeuwarden.

Dispositie:

Hoofdwerk (C-g3): Bourdon 16 voet, Prestant 8 voet, Holpijp 8 voet, Octaaf 4 voet, Roerfluit 4 voet, Quintprestant 3 voet, Octaaf 2 voet, Cornet III sterk discant, Trompet 8 voet bas/discant

Bovenwerk (C-g3): Fluit Dolce 8 voet, Salicionaal 8 voet, Viola di Gamba 8 voet, Fluit Travers 4 voet, Gemshoorn 2 voet

Pedaal (C-g0): aangehangen

Werktuiglijke registers: Manuaalkoppel, Afsluiting hoofdwerk, Afsluiting bovenwerk, Tremulant, Windloser

RIEMKE DIJKSTRA


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard