ok2016menu


  Twee gerestaureerde Friese orgels
op Groninger grond
Friese Orgelkrant 2016

Tot ongeveer 1900 was het doorgaans gebruikelijk dat orgels in een bepaald gebied werden vervaardigd door ook in de regio woonachtige orgelmakers. Daarnaast waren er ook orgelmakers van buiten dat gebied die er soms instrumenten wisten te plaatsen, maar de makers daarvan hadden dan ook een bovenregionale reputatie. Daaraan dankte Friesland bijvoorbeeld orgels van Arp Schnitger, Christian Müller en A.A. Hinsz. Soms zullen toevallige contacten een rol gespeeld hebben, waardoor een orgel verscheen van een orgelmaker die verder nooit in het gebied actief was. Een voorbeeld daarvan is het onlangs gerestaureerde Mitterreiter-orgel in Berlikum. Omgekeerd vonden ook Friese orgelmakers meer of minder afzet buiten hun eigen gebied. Zo leverden in de 19e eeuw met name de orgelmakers Van Dam heel wat orgels aan andere landsdelen, daarin gevolgd door de Adema’s en later Bakker & Timmenga.

In een provincie als Groningen zien we hetzelfde beeld, waarbij in de 19e eeuw het beeld werd bepaald door o.a. eigen bouwers als Freytag, Timpe, Lohman en met name Van Oeckelen. Toch blijken ook daar Friese orgelmakers actief te zijn geweest, onder andere de firma’s Van Dam en Adema. De ‘wedergeboorte’ van twee Friese orgels is een goede reden Groninger grond te betreden en aan deze restauraties in Nieuw Beerta, respectievelijk Oude Pekela, enige aandacht te geven. Intrigerend in beide gevallen was zeker, dat deze relatief zeer gaaf bewaard gebleven instrumenten sinds jaar en dag onbespeelbaar waren en het dus heel interessant was welk klankbeeld zich bij deze orgels in gerestaureerde staat zou manifesteren. Dat bleek in beide gevallen heel verrassend.

HET HARDORFF-ORGEL IN NIEUW BEERTA

Willem Hardorff (1815-1899) had enige Groninger roots dankzij zijn uit Denemarken afkomstige grootvader – die in Groningen in dienst was bij A.A. Hinsz en voor hem bijvoorbeeld in 1785 het orgel in Uithuizermeeden voltooide – en zijn ook in Uithuizermeeden gedoopte (en er vermoedelijk ook geboren) vader Hans Hardorff. Zelf leefde Willem Hardorff van de wieg tot het graf in Leeuwarden. Voor meer informatie over zijn werk kan men terecht in de publicaties van Jan Jongepier (Vijf eeuwen Friese orgelbouw), resp. Ad Fahner en Theo Jellema (o.a. Friese Orgelkrant 2015). Zijn werkterrein vond hij in Friesland, op één uitzondering na: het orgel in Nieuw Beerta, gelegen in dat deel van Oost-Groningen dat in onze tijd dankzij het boek van Frank Westerman bekend werd als ‘de graanrepubliek’.

Hoe Nieuw Beerta aan een Hardorff-orgel kwam

De eenvoudige neoclassicistische zaalkerk in Nieuw Beerta werd gebouwd in 1856 en had sinds 1666 twee voorgangers, welke beide moesten worden afgebroken wegens bouwvalligheid. In het bouwplan was al rekening gehouden met de plaatsing van een pijporgel. Door een drietal orgelmakers (G.W. Lohman en Petrus van Oeckelen in Groningen, alsmede Willem Hardorff) werd een prijsopgave gedaan, waarvan Petrus van Oeckelen afviel door een opvallend goedkoop aanbod (f. 2200,-). De bouwcommissie vond dit bedrag veel te laag om daarvoor een goed orgel te kunnen bouwen (!) en de keuze viel uiteindelijk op Hardorff. Dat hij überhaupt een opgave deed, zo ver van huis, zal ongetwijfeld door een toevallig contact zijn ontstaan, namelijk het feit dat de in 1855 nieuw aangetreden hervormd predikant in Nieuw Beerta, ds. H.J. van Berkum, hem nog kende uit zijn vorige standplaats Stiens. Daar had Hardorff in 1853 het Bader/De Vries/Van Dam-orgel in de kerk verplaatst van de westzijde naar de koorsluiting en bovendien nog een Bourdon 16vt geplaatst. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Van Berkum Hardorff ‘aangedragen’ heeft voor Nieuw Beerta. In elk geval sloot men met hem een contract voor de bouw van een nieuw orgel voor 2800 gulden, te betalen in twee gelijke termijnen van 1400 gulden.

Bouw en ingebruikneming

Op 11 mei 1857 arriveerden de diverse orgeldelen per schip in Oudezijl (bij Nieuweschans), waarna de laatste kilometers per kar werden afgelegd. Hardorff leverde een tweeklaviers orgel met aangehangen pedaal, dat op de groei gemaakt was. Op de Hoofdwerklade(n) was plaats voor 9 registers en het Positief kon 6 stemmen herbergen. Drie registers waren gereserveerd, de registerplaatjes zijn dan ook niet van registernamen voorzien. Dankzij het handschrift- Broekhuyzen weten we dat op het Hoofdwerk een Mixuur III-IV sterk en een Trompet 8vt bas/ discant waren gepland, op het Positief een Dulciaan 8vt. Deze registers zijn ook bij de jongste restauratie onbezet gebleven. Bovendien gaf Hardorff zelf de Gamba aan de kerk cadeau. Niet alleen dáárom was men zeer content met het door hem bereikte resultaat, waarvan de feestelijke ingebruikneming plaatsvond op zondag 5 juli 1857, uiteraard met ds. Van Berkum als predikant. In de kerkenraadsnotulen werd daarvan zeer uitvoerig verslag gedaan. De dag daarna werd met Hardorff afgerekend, waarna zeer positieve annonces verschenen in de Groninger en Leeuwarder Courant. Ook gaf de bouwcommissie hem als dank een zilveren ‘vuurkomfoor’ met passende inscriptie. Er werd wel besloten, dankzij het batig bouwsaldo, op de torens van het orgel ‘versiersels’ aan te brengen, maar of die ooit zijn geplaatst is de vraag: niemand heeft ze ooit gezien en er zijn ook geen sporen van teruggevonden.

Verdere lotgevallen

Hardorff onderhield het instrument zelf tot 1876 voor een bedrag van f. 20,- (of iets meer) per jaar; alleen in 1868 werd f. 112,50 betaald, waarvoor is niet bekend. Vanaf 1876 onderhield de firma Van Oeckelen het orgel voor hetzelfde basisbedrag, in 1881 opgevolgd door Roelf Meijer uit Veendam en diens opvolgers. Na 1888 vond onderhoud plaats door Jan Doornbos uit Groningen. In 1896 werd het orgel geschilderd en hersteld voor f. 106,60 en acht jaar later nog eens door hem gerepareerd voor f. 150,-. Zijn zoon Andreas Doornbos (1880-1944) voerde voor ruim 440 gulden een reparatie uit in 1928. In 1937 kreeg de kas een ‘eikehoutkleur’, werden de vergulde frontlabia voorzien van ‘goudbrons’ en werd de achterwand van de kas grijs geschilderd. Een nieuwe restauratie volgde in 1954 door Hendrik Vegter, die toen voor het eerst een elektrische windmotor plaatste. Latere restauratieplannnen (omstreeks 1965, en in 1976 en 1985) werden door geldgebrek niet uitgevoerd. Wel werd in het kader van de kerkrestauratie de orgelkas in 1985 weer voorzien van de oude kleur zwart met gouden biezen. Een laatste reguliere kerkdienst was ondertussen gehouden in 1979, waarna de kerk nog slechts incidenteel werd gebruikt, het orgel steeds verder in verval raakte en uiteindelijk vrijwel onbespeelbaar werd. De in 1991 door een amateur-orgelbouwer begonnen ‘restauratie’ kon in 1992 nog juist worden stopgezet. In 2003 werd de kerk overgenomen door de Stichting Oude Groninger Kerken en die wist in 2014 de broodnodige orgelrestauratie te financieren. Die werd vervolgens uitgevoerd door Orgelmakerij Van der Putten te Finsterwolde voor een bedrag van 112.500 euro. De heringebruikneming vond plaats op 13 september 2015 met o.a. een bespeling door adviseur Theo Jellema.

De jongste restauratie

Opmerkelijk was wel, dat het orgel sinds de bouw nooit echt was gewijzigd. Afgezien van de later toegevoegde windmotor, waarvan het houten windkanaal naar de bovenste van de drie spaanbalgen in 1992 was vervangen door een PVC-buis, was het orgel niet zichtbaar veranderd. Wel had als gevolg van houtwormschade een bijgewerkt stuk bezemsteel een originele koppelwals vervangen en had men rondhout gebruikt voor het maken van nieuwe pijpvoeten bij houten pijpen. Wie deze kunststukjes uitvoerde, is onbekend. Snijwerk van vleugelstukken en in het front was niet meer geheel intact. Leermoeren waren hard geworden, leerverbindingen waren versleten of kapot, de windladen vertoonden lekkage, metalen pijpwerk vertoonde stemschade etc. Een volledige conserverende restauratie met respect voor het originele instrument was hard nodig. Het snijwerk werd hersteld. Er kwam een nieuw houten kanaal van een nieuwe windmotor, met aanzuigopening in de kerk. De windvoorziening werd geheel nagekeken en waar nodig opnieuw beleerd, de trapinstallatie werd weer bruikbaar gemaakt door aanbrengen van nieuwe stoters, de windlades werden volledig gerestaureerd en voorzien van Liegelind-ringen, het pijpwerk voorzichtig hersteld, waarbij ruim 90 pijpen nieuwe bovenranden kregen en vijf pijpen een nieuwe voetpunt.

Ook de claviatuur en verdere speel- en registermechaniek werden hersteld. Het resultaat is een herboren instrument dat volgens Theo Jellema qua opbouw klassieker is dan Van Dam-orgels uit dezelfde tijd en een feestelijk Hoofdwerkplenum heeft, terwijl het Bovenwerk eerder een intiemer en fragieler karakter heeft. Orgelma(a)k(st)er Ingrid Noack (directeur van Orgelmakerij Van der Putten) kenschetst het klankkarakter na deze zeer geslaagde rehabilitatie als ‘gravitätisch, briljant en poëtisch’. Zo staat er nu buiten Friesland een orgel met een nog waarschijnlijk grotendeels oorspronkelijke intonatie, als getuigenis van wat Hardorff als orgelmaker vermocht. Een vergelijking met het ook onlangs gerestaureerde, iets jongere en grotere orgel in Kimswerd is daardoor des te interessanter!

Huidige dispositie, in ladevolgorde vanaf het front:

Hoofdwerk (gescheiden C- en Cis-lade in onderkas, omvang C-f3)
• Prestant 8 vt
       C-h1 in front, rest op de windlades
• Bourdon 16 vt
       C-h eikenhout, rest metaal gedekt
• Holpijp 8 vt
       C-H eikenhout, rest metal gedekt
• Octaaf 4 vt
       C-cis0 met stemlappen
• Quint 2 2/3 vt
       C-E stemlappen
• Fluit 4 vt
       bas gedekt, discant open
• Octaaf 2 vt
• [Mixtuur III - IV st.]
       (gereserveerd)
• [Trompet 8 vt ] bas/disc.
       (gereserveerd

Bovenwerk (C-f3)
• Salicet 8 vt
       C-H gecombineerd met Fluit dolce, c-cis2 in front
• Fiool de Gambe 8 vt disc.
• Fluitdolce 8 vt bas/disc.
       C-H eikenhout, rest metaal
• Fluit d’Amour 4 vt
• Gemshoorn 2 vt
       conisch
• [Dulciaan 8 vt]
       (gereserveerd)

Pedaal (C-c1): aangehangen
Werktuigelijke registers: Klavierkoppel, Pedaalkoppel (aan Hoofdwerk; schuifkoppel) Afsluiting Ond[er].M[anuaal]. Afsluiting Boven M[anuaal]. Generaal ventiel (in voorwand balgkas)
Winddruk: 71 mm; Toonhoogte: 431,5 Hz bij 18º C;
Stemming: evenredig zwevend.

Enkele bijzonderheden: Voor zover niet genoemd, zijn de metalen binnenpijpen op lengte afgesneden. De klavieren zijn uitgevoerd als staartklavieren. Het onderklavier bedient met stoters een liggend walsraam, het bovenklavier hangt met abstracten aan een walsraam onder de Bovenwerklade. De klavierkoppel met koppelhefboompjes, liggend onder het ondermanuaal, is identiek aan het systeem zoals gebruikt door de firma Van Dam. Opvallend is de aanwezigheid van een pedaalkoppel bij een aangehangen pedaal. De windvoorziening heeft nog de originele drie spaanbalgen in de torenkamer. Opmerkelijk zijn de koperen spijkers op de zwikkels. Curieus is ook de aanwezigheid van eiken fineer op de grenen balgbladen, terwijl delen van het windkanaal ook met ijzeren wervels zijn vastgezet.

HET ADEMA-ORGEL IN DE SINT-WILLIBRORDUSKERK TE OUDE PEKELA

Minstens zo lang onbespeelbaar als het orgel in Nieuw Beerta, was het Adema-orgel in de r.-k. St. Willibrorduskerk te Oude Pekela (een schepping van Nicolaas Molenaar uit 1896 en al van verre zichtbaar in het open koloniale landschap). Het orgel hier is weliswaar niet in de oorspronkelijke opzet bewaard gebleven maar in een gewijzigde opstelling, echter wel uitgevoerd door de orgelmakers Adema zélf en inmiddels ook al lang monumentaal verklaard.

Over de orgelmakers C.B. Adema en zonen

Zoals bekend, was het bedrijf van Gebroeders Adema – in 1855 gesticht in Leeuwarden door Carolus en Petrus Adema, en in 1868 uitgebreid met een filiaal in Amsterdam – in 1877 failliet gegaan. Beide broers zetten daarna elk afzonderlijk hun deel van het bedrijf voort. De ‘poot van Piet’ in Amsterdam bestaat nog steeds en is tegenwoordig als Adema’s Kerkorgelbouw gevestigd in Hillegom. ‘Karel’ ging door in Leeuwarden en probeerde daar het atelier weer op gang te brengen. Een aantal mogelijke nieuwe opdrachten kwam echter terecht bij de firma Van Dam, terwijl de kersverse firma Bakker & Timmenga in het gat in de markt van de protestantse kerken sprong, met name bij het groeiend aantal doopsgezinde en gereformeerde kerken die een pijporgel wilden. Voor de Leeuwarder Adema’s, waar zijn zoon Sybrandus (‘Siep’) al direct ging meewerken, iets later ook diens broer Lambertus, resteerden vooral onderhoud en reparaties met een enkele grotere klus. Uiteindelijk had de firma niettemin wel het merendeel van de r.-k. parochies in Friesland en Groningen in de portefeuille voor onderhoud en reparatie. Het aantal door hen nieuw gebouwde orgels bleef echter beperkt. Afgezien van de bouw van een aantal kleinere instrumenten, was hun grootste project de bouw van het tweeklaviers orgel in de Leeuwarder St.-Bonifatiuskerk (1899), waarvan Siep zelf vanaf de bouw tot zijn dood organist was.

Firma gebroeders Adema Leeuwarden

Na het overlijden van hun vader in 1905, kozen de zonen als bedrijfsnaam die van ‘firma gebroeders Adema Leeuwarden’ en gingen op de bestaande weg verder. Doordat ze zich nauwelijks vernieuwden (alles werd met de hand gemaakt en bijvoorbeeld pneumatiek zagen ze pas laat zitten) konden ze zich moeilijk staande houden tussen nieuwe moderner werkende bedrijven (op het r.-k. erf van buiten de provincie, bijvoorbeeld die van Pels en Valckx & Van Kouteren). Na het overlijden van Lambertus Adema (in 1931) zette zijn broer Siep het bedrijf in zijn eentje voort (soms met assistentie), tot zijn eigen overlijden in 1941.

Was in de 19e eeuw in Groningen in protestantse kerken de firma Van Oeckelen dominant, in de r.-k. kerken was dat niet zo, wellicht dankzij de opkomende verzuiling (hoewel Petrus van Oeckelen zelf rooms katholiek was). De Adema’s hebben er dusdoende de nodige activiteiten kunnen ontplooien. Zo waren ze onder andere werkzaam in West- en Noord-Groningen (zoals in Zuidhorn vanaf 1859, Uithuizen vanaf 1861 en Den Hoorn vanaf 1867, later ook meer naar het oosten). In parochiekerken in het veenkoloniale gebied verrichtten ze niet alleen de nodige onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, ook leverden ze nieuwe orgels in Nieuwe Pekela (1866, kabinetorgel en 1913, I/6), Zandberg (1867, I/8), Stadskanaal (1872, II/14) en Oude Pekela (I/9). Aan dit laatste in 2015 gerestaureerde instrument besteden we verder aandacht.

Het Adema-orgel voor Oude Pekela

In de oorspronkelijk uit 1773 daterende schuilkerk werd in 1831 een tweedehands orgel (I/14) geplaatst, afkomstig uit de parochiekerk in Meppen (Emsland, vlak over de grens in Duitsland). Ondanks wijzigingen door Petrus van Oeckelen (in 1847) en N.A.G. Lohman (1863) was het omstreeks 1885 toch aan het eind van zijn Latijn. Het besluit tot vervanging zal ook ingegeven zijn door de veranderde muzikale smaak en de ontwikkelingen op liturgisch gebied. De Adema’s namen het oude orgel voor f. 75,- over en zullen het wel hebben gesloopt. Het nieuwe orgel werd in september 1888 in gebruik genomen. Van dit instrument bleven enkele frontontwerpen bewaard. Uiteindelijk kreeg het instrument een eenvoudige rechthoekige kas met een spitse middentoren, twee tussenvelden en twee vlakke zijvelden met eenvoudig neogotisch snijwerk. Het snijwerk werd zeer waarschijnlijk door Lambertus Adema vervaardigd. Er kwam een vrijstaande speeltafel vóór het orgel, met het zicht richting altaar.

Inwendig was het pijpwerk van dit éénklaviers orgel verdeeld over twee achter elkaar liggende windladen, elk in/uit te schakelen met een trede. Hiermee sloten de orgelmakers aan bij de bouwwijze in moderne (Franse) zin, zoals voor het eerst door hen toegepast in het grote orgel in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk (1871), onder invloed van en met begeleiding door de Franse (vice-)consul en orgelexpert Charles-Marie Philbert. Dit principe van het verdelen van de grondstemmen en de combinatieregisters over twee (of soms meer) windlades werd sindsdien door hen veelvuldig toegepast, ook bij kleinere instrumenten zoals hier in Oude Pekela. In de onderkas lag een grote magazijnbalg. In deze constellatie heeft het orgel tot 1896 dienst gedaan.

De oorspronkelijke dispositie was:
Voorste windlade:

• Prestant 8 vt
       C-e1 in front [sinds 1896 alleen G-e0, rest afgevoerd], f1-f3 op de lade
• Viola 8 vt
       C-H in Prestant 8 vt
• Prestant 4 vt
• Holfluit 8 vt
       C-H hout, rest metaal
• Fernfluit 8 vt
       vanaf f0

Achterste windlade:
• Trompet 8 vt (loos)
• Woudfluit 2 vt
• Kwintfluit 3 vt
• Fluit harmonique 4vt
       C-f1 gedekt, vanaf fis1 overblazend
• Bourdon 16 vt disc.
       metaal
• Bourdon 16 vt bas
       grenenhout

Manuaalomvang: C-f3;
Aangehangen pedaal: C-c1
Twee combinatiepedalen; Ventiel

Verbouwing

Toen de huidige veel grotere kerk werd gebouwd, was duidelijk dat het orgel niet in de bestaande staat zou worden herplaatst, vanwege het vrij willen houden van het raam in de toren. Heeft men eerst nog overwogen het maar te verkopen, uiteindelijk werd besloten het orgel aan de nieuwe situatie aan te passen en op te stellen in twee kassen tegen de zijmuren. De middentoren verviel (console en gesneden opzetstukken bleven tot in onze tijd elders bewaard!), het linker frontdeel ging dienst doen als front voor de rechter kas met daarin een kwart slag gedraaid lade en pijpwerk van de eerste lade, het rechter frontdeel van het oorspronkelijk front werd voorzijde van de kas tegen de linker wand met de tweede windlade. Speel- en registermechaniek werd grotendeels vernieuwd, de kanalisatie werd gewijzigd door een andere plaatsing van de windladen en van de windvoorziening (nu parallel tussen de beide kassen achter de nog steeds vrijstaande speeltafel). Niet uitgevoerd werd (gelukkig) het voorstel van de Adema’s de balg te verplaatsen naar de koude en tochtige zijkamer naast het koor; helaas werd daar later wel een elektrische windmotor geplaatst. Hun voorstel de muren in de orgelkas met hout te beklampen haalde het helaas ook niet, met alle gevolgen van dien in later tijd. In deze toestand is het orgel tot ons gekomen, afgezien van de al genoemde windmotor en het op een onbekend moment na 1930 (bij een reparatie?) verwisselen van windlade van de pijpen c-f3 van Viola en Kwint; mogelijk was dit het werk van Holtman & Leemhuis die na 1929 het onderhoud overnamen. In de loop van de decennia daarna verslechterde de onderhoudstoestand van de kerk en parallel daarmee ook die van het orgel. Toen ik in 1983 het orgel onderzocht in het kader van het Adema-onderzoek was het nagenoeg onbespeelbaar geworden; er was sprake van sterke vervuiling door stof en afvallend kalk van de muren. Plannen voor een restauratie moesten echter voorlopig wachten op de vele jaren voortslepende gefaseerde kerkrestauratie. Het voorstel om als bescherming tegen verder verval en schade door invallend puin etc. tijdens die restauratieperiodes, dan in elk geval het pijpwerk veilig op te slaan en het binnenwerk verder af te dekken, vond helaas geen gehoor.

Restauratie

Dat het orgel desondanks, na nog zo’n 30 jaar wachten, nog goed restaurabel bleek te zijn, pleit alleen maar voor de kwaliteit waarmee het instrument gebouwd was. Enige jaren geleden kwam er dan eindelijk zicht op restauratie en kwamen ook de daarvoor benodigde gelden beschikbaar. Het instrument werd in de periode 2013-2015 volledig gerestaureerd door Adema’s Kerkorgelbouw te Hillegom, onder advies van Ton van Eck namens de KKOR, in nauw overleg met de RCE. Behulpzaam daarbij waren ook bewaard gebleven ontwerptekeningen van de eerste en tweede bouwfase van het orgel. Kon in 1983 nog worden overwogen de 1888-situatie in ere te herstellen terzijde van het priesterkoor (in een tijd met grote liturgische veranderingen, waarbij het parochiële zangkoor beneden in de kerk was gaan zingen), nu werd besloten de al zo lang bestaande huidige situatie-1896 te herstellen, ook al omdat het koor inmiddels weer graag boven zong!

De kassen werden schoongemaakt en hersteld (in imitatie-eiken), waarbij – als blijvende bescherming tegen gruis en stof – aan de muurkanten nu wel houten wanden werd aangebracht en de kassen een dak kregen. Bij de windvoorziening werd de trapinstallatie gereconstrueerd en kwam er een nieuwe motoropstelling. In de aanleg van de bijzondere mechanieken, grotendeels onder de koorvloer, werden delingen in de zeer lange walsen aangebracht om torsie op te heffen. Het deels zwaar beschadigde en vervuilde pijpwerk werd voorzichtig schoongemaakt en hersteld, waar nodig versterkt. Slechts drie van de oorspronkelijke frontpijpen hoefden daarbij te worden vervangen. De winddruk werd proefondervindelijk bepaald op 83 mm, iets hoger dan die in 1888 (80 mm, maar toen in een veel kleinere kerk). Stemming en toonhoogte zijn normaal. Het bleek mogelijk de altijd leeg gebleven plaats voor een Trompet in te vullen met een gelijknamig register, naar voorbeeld van de origineel bewaard gebleven Trompet 8vt van Gebr. Adema (uit 1875 in het Friese Dearsum, door Carolus Adema zelf nog vervaardigd in de werkplaats te Leeuwarden; dit zeer gaaf bewaard gebleven instrument in momenteel in restauratie bij Bakker & Timmenga). Het betekent een waardevolle toevoeging aan een bijzonder orgel uit een weinig bekende (en florissante) periode in het bestaan van de Leeuwarder Adema’s, een instrument dat we nu eindelijk op waarde kunnen schatten. De feestelijke heringebruikneming van het orgel vond plaats op zondag 10 mei 2015.

VICTOR TIMMER

Voor wie meer wil weten:
Van beide instrumenten zal in mei 2016 een uitgebreide monografie verschijnen: op 14 mei die over het Hardorff-orgel als uitgave van de Stichting Oude Groninger Kerken te Groningen, op 29 mei die in Oude Pekela als uitgave van de parochie aldaar. Beide uitgaves zullen zijn voorzien van een uitgebreide bronvermelding.



stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard