ok2015menu


  De frontontwerpen van de
Hardorff-orgels, vaak geleend
Friese Orgelkrant 2015


In “Vijf eeuwen Friese orgelbouw” wijdt Jan Jongepier vijf hoofdstukken aan het werk van Hardorff. Hij geeft daar ook de nodige aandacht aan de relatie tussen de Hardorff-fronten en de Van Dam-fronten, die Hardorff dikwijls tot voorbeeld hebben gediend.

Het eenvoudigste Hardorff-front, met drie ronde torens en daartussen velden in twee verdiepingen, werd toegepast bij acht éénklaviers orgels, waarvan we in Fryslân nu nog zeven kunnen bewonderen: Gaast, Gauw, Elahuizen, Oudeschoot, Húns, Itens en Brantgum. Het komt één keer voor bij een tweeklaviers orgel (Hantum).

Een buitengewoon elegante variant ervan vindt men (óók bij een tweeklaviers orgel) in Britsum (en vond men tot 1924 in Abbega). Karakteristiek voor het front van Britsum is de vorm (en de gesuggereerde beweging) van de lijst tussen de velden. Dit idee gaat terug op Van Dam-voorbeelden in Drachten (dg) en Koudum. Bekend is dat Hardorff in Britsum naar Van Dam-tekening bouwde.

Vijf keer volgde Hardorff het prachtige Van Dam-front na dat in 1864 werd ontwikkeld voor Leeuwarden (Christelijk Afgescheiden Gemeente, vanaf 1989 in Harlingen, daar verbrand in 2004) en daarna door de Van Dams ruim dertig keer is gerealiseerd.
Waar Van Dam de grote pijpvelden hol gewelfd uitvoert, realiseert Hardorff ze in Ysbrechtum, Easterlittens en Winsum vlak (waardoor het optisch effect stijver is) en volgt hij de welving pas later in Baaium en Wânswert na.

Tenslotte komt men bij Hardorff het dubbelfront tegen (een fronttype waarbij men tussen de grote zijtorens duidelijk een onder- en een bovenverdieping onderscheidt). Daarvan bestaan drie varianten.
Tot de 'middenklasse' kunnen de fronten van Kimswerd, Scharnegoutum en Deinum (en buiten Fryslân dat van Nieuw Beerta) gerekend worden, geïnspireerd door Van Dam-fronten uit de jaren '40 (Franeker, Sint Jacobiparochie).
Een klein dubbelfront vindt men in Kûbaard (een vrije navolging van wat Ypma eerder deed in Lemmer en Van Dam in Hemelum). De apotheose van het dubbelfront zien we in Menaam en in Easterein. Hardorff maakte in Menaam gebruik van een Van Dam-tekening (vermoedelijk oorspronkelijk voor Heeg, maar daar niet gerealiseerd). Het vlakke front van Menaam krijgt negen jaar later in Easterein een zwierig gewelfde uitvoering.

De inwendige opbouw van de orgels, zelfstandigheid

Het feit dat Hardorff bij de vormgeving van zijn fronten zo aan de hand van Van Dam loopt, doet verwachten dat hij dat ook wel zal doen bij wat achter die fronten schuilgaat. Maar dat is niet zo. Bij een Van Dam-orgel met zijkantbespeling is de ordening van de pijpen binnenin bijna altijd asymmetrisch: het merendeel van de kleine pijpen aan de claviatuurzijde, de grote pijpen aan de tegenoverliggende zijde. Hardorff is altijd de klassieke symmetrische plaatsing trouw gebleven. Van die principiële regel waren de grootste houten pijpen uitgezonderd. Daarvoor is moeilijk plaats te vinden vlakbij de claviatuur, waar immers veel mechanieken lopen. Daarom moeten die pijpen allemaal een plaats vinden (zowel bij Van Dam als bij Hardorff) aan de tegenoverliggende zijde langs de wand. Van Dam kan die pijpen gemakkelijk van wind voorzien, want zijn cancellen voor de grote pijpen zijn daar al in de buurt. Hardorff, symmetrisch bouwend, ziet zich geconfronteerd met het probleem dat een deel van zijn cancellen voor de grote pijpen ver weg ligt. Hij lost dit op door die grootste opzij staande pijpen een eigen windlaatje te geven.
Hardorff's trouw aan de symmetrie leidde er ook toe dat hij nooit het tweede werk als dwarswerk boven de claviatuur bouwde en dat bij zijn twee grote orgels (Menaam en Easterein) het vrij pedaal achter het orgel gesitueerd wordt, waar Van Dam voor een plaats opzij in de kas, tegenover de claviatuur, zou hebben gekozen.

De disposities, verrassingen

Bij elke orgelbouwer met een oeuvre van enige omvang herkent men bepaalde patronen die de basis vormen voor de opbouw van de dispositie. Dat is bij Hardorff ook zo. Maar minstens zo zeer zijn het aardige uitzonderingen die het onderzoek naar zijn werk zo interessant maken.
Een vroeg Hardorff-orgel dat nog bestaat, het orgel van Kimswerd (1858), is wat dat betreft wel heel boeiend. Het heeft met zijn 19 stemmen op twee klavieren en aangehangen pedaal een buitengewoon luxueus opgezette dispositie. Uniek is op het hoofdwerk de Baarpijp 8vt (naast de 'altijd' aanwezige Prestant 8vt en Holpijp 8vt). Helemaal uitzonderlijk is de aanwezigheid van twee tongwerken op het bovenwerk (een situatie die sinds 1727 in de Grote Kerk in Leeuwarden bestond, maar verder nergens in de provincie, en die pas ruim dertig jaar na Kimswerd gecreëerd werd in de Martinus- en de Martinikerk van Sneek). Eén van de tongwerken was opslaand, het andere doorslaand. Sinds de recente restauratie van dit prachtige orgel is dit opnieuw het geval.

De bekroning van de hoofdwerkklank vertrouwt Hardorff in Kimswerd toe aan een Mixtuur van vrij hoge samenstelling, hij disponeert geen Cornet. Zo ontstaat een totaalklank waarin men nog iets kan bespeuren van een oude 18e-eeuwse traditie. Dat is een volstrekt andere wereld dan die van de deftigheid van lage tertsen in Mixtuur en/of Cornet zoals men die tegenkomt bij de late Hinsz en bij Van Dam in de eerste en tweede generatie.
In Menaam (1861) en Easterein (1870) komen zeer grote orgels tot stand, beide met hoofdwerk, bovenwerk en vrij pedaal. Het orgel van Menaam kan men met 29 stemmen (Easterein heeft er 24) zelfs exorbitant groot noemen. Op beide orgels is de Cornet op klassieke wijze op een verhoogde bank geplaatst, tamelijk ver naar voren boven de windlade. Van Dam koos altijd voor een plaats óp de lade, ver naar achteren.
Als een anachronisme doet in Menaam de Open Fluit 2vt op het pedaal aan. De late Hinsz disponeerde een dergelijk register dikwijls, maar die kroon op zijn pedaaldispositie had bij hem méér zin omdat hij geen pedaalkoppel aanbracht. Verrassende disposities komt men bij Hardorff merkwaardigerwijs vooral bij de grotere en bij de kleinere orgels tegen. Bij de kleinere orgels krijgt men de indruk dat fluitregisters hem bijzonder hebben geïnteresseerd. Zo krijgt het éénklaviers orgel van Húns (ca. 1875) drie achtvoeten, twee viervoeten en twee tweevoeten; hetzelfde gebeurt drie jaar later in Brantgum. Opmerkelijk zijn die twee tweevoetsregisters naast elkaar: één met prestantmensuur (bij beide orgels Salicet genoemd) en één met fluitmensuur. Die Fluit 2vt op een éénklaviers orgel naast de Octaaf 2vt of een daarmee vergelijkbaar register kan men werkelijk als een cadeautje beschouwen. Hardorff's collega's disponeerden zo nooit. We stippen hierbij nog aan dat Hardorff ook enige malen méér dan twee viervoetsregisters op één klavier naast elkaar plaatste en zo de mogelijkheid bood in de viervoetsligging genuanceerd te kleuren. Tenslotte vinden we in Hantum de bijzonderheid van een Bourdon 16vt op het hoofdwerk die geheel van hout is gemaakt, een unicum!

De windvoorziening

Het leidt geen twijfel dat Hardorff bij het ontwerpen van de windvoorzieningen niet alleen naar Van Dam heeft gekeken. Hij past meer dan eens het harmonicakanaal toe, een kanaal dat door zijn harmonica-achtige structuur flexibel is. Daarmee zijn we eigenlijk in de wat vooruitstrevender wereld van Adema terechtgekomen. Zo'n flexibel kanaal is nodig wanneer het punten verbindt waarvan er één niet op zijn plaats blijft. In een klein orgel (bijvoorbeeld Húns) verbindt het de bovenkant van de magazijnbalg met de onderkant van de windlade, in een groot orgel (Easterein bijvoorbeeld) verbindt het twee boven elkaar gelegen magazijnbalgen. Hardorff maakte, anders dan Van Dam, maar net als Van Oeckelen, geen tremulanten.

Vormgeving claviatuur

Wie zich aan de klavieren van een Van Dam- of een Hardorff-orgel zet, herkent altijd direct met wie van de twee hij te maken heeft. De orgels van de derde generatie Van Dam (dat is de periode waarin Van Dam en Hardorff beiden actief zijn) hebben rond de lessenaar altijd een eiken omlijsting (ook de lessenaar zelf is van eiken) waardoor de registertrekkers lopen. Bij Hardorff komen we een lessenaaromlijsting nooit tegen en de eiken lessenaar evenmin; hij schildert zijn lessenaars doorgaans in een lichte houtimitatie-uitvoering.

Bij de factuur van bakstukken, klavierlijstjes en registerknoppen heeft overweegt bij Van Dam ebbenhout, bij Hardorff mahonie. In later tijd komt men bij Van Dam zowel geschilderde registernaamplaatjes tegen (gouden letters op een zwart fond) als porseleinen plaatjes in de knop. Bij Hardorff overweegt de laatste oplossing; hij heeft daarbij voorkeur voor het gotische lettertype (soms met gebruikmaking van zwarte én rode letters) dat men bij Van Dam nooit tegenkomt.
Als regel maken beide orgelmakers de bakstukken in een fraai gewelfde vorm. Opmerkelijk is dat Hardorff het bij de twee grote orgels van Menaam en Easterein anders doet: rechte bakstukken van ebben met ivoren inlegwerk.

Klank, betekenis

In algemene termen opmerkingen maken over de klank van de Hardorff-orgels is niet zo eenvoudig. Bij Schnitger klinkt niet alles gelijk, bij Müller niet, bij Van Dam evenmin. Zo hebben ook Hardorff's orgels ieder hun eigen identiteit. Wat ze gemeen hebben is misschien het best te omschrijven als een krachtige toon die meer treft door directheid dan door verfijning. Méér nog dan bij Van Dam begrijp je direct dat deze orgels bedoeld waren om een krachtig zingende gemeente in het spoor te houden en te inspireren.
Dat het Friese dorpsorgel een instrument van allure is, daaraan heeft Hardorff het zijne bijgedragen. Hij deed dat door, evenals zijn collega's maar op een eigen manier, een balans te zoeken tussen traditionele ambachtelijkheid en avontuurlijke vernieuwing.
Theo Jellema



stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard