ok2014menu


  138 jaar orgelmakershuis
van de Van Dams
Friese Orgelkrant 2014

A. Het pand Grachtswal L8 en L8a te Leeuwarden

Vanaf 1779 tot aan 1917 zijn de orgelmakers Van Dam in dit pand gevestigd geweest. Het ontbreken van een opvolger deed Pieter van Dam jr. besluiten de zaak om te zetten in een NV en het familiehuis te verkopen. De werkplaatsen verhuisden naar Eewal 69 en Pieter ging met vrouw en dochter wonen in een nieuw pand aan het Emmaplein 1. In dit artikel iets over het oude orgelmakershuis.

Een zeer aanzienlyk Huis

In 1779 op 14 april biedt koopman Durk Klaases via een advertentie in de Leeuwarder Courant ‘een zeer aanzienlyk Huis (...) voorzien van alderhande geryf (...) en extra mooye tuin’ aan ‘staande op de Gragtswal buiten Leeuwarden’. Durk Klaases had dit pand in 1768 gekocht van Beitske Hanenberg-Visser voor 2050 guldens. Op 23 april koopt Lambertus van Dam het pand voor 3500 Carolus guldens. Een derde van de koopsom werd direct betaald de rest in termijnen (*1). Gezien het verschil in aan- en verkoopprijs moet het pand tussen 1768 en 1779 zijn verbouwd. Amper twee jaar later in het voorjaar van 1781 wordt het pand al weer te koop aangeboden. In de advertentie wordt het een ‘Nieuw getimmerde zeer vermakelijke HUIZINGE’ genoemd. Wie belangstelling had kon zich vervoegen bij notaris Gysbertus van der Ley in de St. Jacobstraat (*2). Het pand wordt evenwel niet verkocht. Veel zal de familie van Dam hier niet zijn geweest, gezien het vele werk dat Lambertus buiten Leeuwarden had aangenomen. Wel is het tweede kind Catharina hier geboren op 5 mei 1779. Haar broers Luitje Jacob (1783, Langweer) en Jacob (1787, Burgum) zijn ‘op locatie’ geboren. Op 18 augustus 1814 draagt Lambertus de orgelmakerij over aan zijn twee zonen Luitje Jacob en Jacob (*3). Dat is de reden dat het pand te koop wordt aangeboden (*4). Vader Lambertus (orgelmaker), dochter Catharina (zonder beroep) en Luitje Jacob van Dam – in de akte zonder beroep genoemd (sic) – machtigen zoon en broer Jacob (orgelmaker) de verkoop af te handelen (*5). Lambertus is dan eigenaar voor de helft en zijn drie kinderen ieder voor één zesde. Horlogemaker Klomp biedt 3450 gulden, een bod dat later op 15 augustus 1814 wordt verhoogd tot 3470 gulden door timmerman Martinus Nijenhuis (*6). Dit laatste bod werd niet verhoogd en het pand is niet verkocht. Waarschijnlijk wilden de Van Dams alleen maar de waarde weten om zuster Catharina haar deel te kunnen geven. Voor ons is van belang hoe het huis wordt omschreven: ‘Een zeer hechte en ruime HUIZINGE bestaande in 2 gangen en voordeuren, in 2 voorkamers, in 1 achterkamer, in 1 keuken, 1 klein kamertje daarboven, 1 groot bovenvertrek met 6 schuiframen, voorts zolders, alles onder beschooten dak; achter de huizinge eene zeer groote en fraaije TUIN’ (*7). Het huis had toen dus al het uiterlijk zoals op de foto van het orgelmakershuis van vóór 1917 te zien is.

Het huis in tweeën bewoond

In 1820 overlijdt vader Lambertus en blijven de kinderen in het grote huis achter. Catharina huwt in december 1822 met Gerlof Schiere en verlaat de ouderlijke woning. Enkele maanden eerder – op 17 juli van datzelfde jaar – trouwde Luitje Jacob met Juliana Frank. Zij gingen het rechter (westelijke) gedeelte van het pand bewonen waartoe het pand werd gesplitst. Jacob huwde in 1823 te Dokkum met Maria Uitterdijk uit Rinsumageest. Zij vestigden zich in het linker gedeelte. Voor het eerst werd het huis nu door 2 gezinnen bewoond; vandaar dat het vanaf dat moment nummerde als L8 (rechts) en L8a (links). Na de dood van Jacob van Dam in 1839 blijft zijn weduwe Maria Uitterdijk er wonen met haar jonge kinderen en de kostgangers Willem Hardorff en Dirk Bouma Nieuwenhuis (*8). Luitje Jacob van Dam die de orgelmakerij voortzet sterft in 1846 waarna zijn drie zonen Lambertus II, Pieter en Jacob II met de zaak verder gaan. In 1848 wordt op gerechtelijk bevel het pand wederom te koop aangeboden, nu in twee percelen (*9). De reden is dat de erfgenamen dienen te worden uitgekocht. Onder de bieders is ook Willem Hardorff die waarschijnlijk als stroman voor zijn voormalige patroon optreedt. Op 20 maart 1848 wordt voor beide percelen samen 5330 gulden geboden, waarna Lambertus II van Dam dit bedrag met 10 gulden verhoogd en zodoende koper wordt. Hij deelt mee dat hij mede namens zijn broer Pieter (1824-1889) het bod heeft uitgebracht zodat zij gezamenlijk het pand in eigendom verwerven (*10). Samen leenden ze ook 3000 gulden van het Sint-Anthony Gasthuis (*11).

De derde generatie

Lambertus II betrekt zijn ouderlijke woning (L8), terwijl Pieter op nummer L8a gaat wonen. Zijn tante Maria Uitterdijk is inmiddels met haar kinderen verhuisd naar de Monnikemuurstraat (K88) om uiteindelijk in 1856 naar het Popta Gasthuis in Marsum (Marssum) te vertrekken. Haar zonen zijn geen orgelmaker geworden. Aan notaris Jan Albarda Hzn. hebben we een uitgebreide beschrijving van het pand te danken (1848). Van de kopers wordt onder andere geëist dat ze tussenmuren en dergelijke gaan maken (*12).

We maken een sprong naar het jaar 1885. Pieter Senior en Lambertus II bewoonden nog steeds het familiehuis. Pieter had zich echter meer en meer teruggetrokken uit de orgelmakerij en zich toegelegd op de handel in harmoniums en piano’s. Eerst vanuit zijn woning (L8a) maar in 1880 kocht hij een pand aan de (Ooster)Grachtswal U35 dat hij gedeeltelijk verhuurde en daarnaast benutte voor zijn eigen zaak (*13). Hier is hij in 1889 ook gestorven. Tot juli 1888 woonde de ongehuwde Pieter Senior in het familiehuis (L8a) samen met zijn ongehuwde broer Jacob II, zijn eveneens ongehuwde zuster Catharina Maria en Jan Pruis, de man van zijn overleden zuster Anna. Rond 1875 is nummer L8a met een achterhuis vergroot. Later, in 1892, werd dat van een verdieping voorzien, zodat het een chaletachtig uiterlijk kreeg (*14).

Lambertus II alleen eigenaar

In 1888 op 23 juli vindt voor notaris Allert Ottema een scheiding van onroerende goederen plaats bestaande uit twee huizen met orgelfabriek. De waarde is getaxeerd op 11800 gulden. Lambertus II betaalt zijn jongere broer Pieter Senior 5900 gulden en wordt zodoende eigenaar van het totale complex. Het geheel wordt omschreven als: Sectie G. ‘ • Nr: 3253, huis en erf groot een roede vijf el; • Nr: 4349, huis acht en tachtig el; • Nr: 5021, tuin en koepel tien roede vijf en tachtig el; • Nr: 5022, orgelfabriek en erf één roede tachtig el; Zamen groot veertien roede en acht en vijftig el. (*15). Pieter Senior verhuisde naar zijn pand aan de Grachtswal U35 en ging daar verder met zijn piano- en harmoniumhandel. Jacob II (1828-1907) trok zich in de loop van de tijd eveneens terug uit de zaak en ging wat anders doen. Hij vertrok in 1888 naar Wartena. In 1889 woonde hij te Mantgum om later koemelker te worden in Ouwe Mieden onder Suawoude, waar hij in 1907 stierf. Lambertus II dreef de orgelmakerij verder samen met zijn zonen Luitje-Jacob II, Haije en Pieter Junior. Laatstgenoemde was degene die na de dood van vader Lambertus II in 1904 de leiding over de orgelmakerij kreeg. Pieter Junior woonde met echtgenote en dochter eerst op de bovenverdieping van U 157 (=L8a), terwijl Haije en echtgenote het achterhuis (chalet) boven bewoonden. Later kreeg Pieter Junior de beschikking over de gehele woning (*16).

Pieter Junior alleen eigenaar


Op 1 januari 1909 vond er een scheiding plaats tussen de drie broers. Pieter Junior wordt alleen eigenaar van de huizen en van de fabriek zoals de orgelmakerij nu genoemd wordt. Hiertoe leent Pieter 8700 gulden van Into Nauta-Andreae (*17). De waarde van het geheel wordt geschat op 14500 gulden en voor de inventaris van de fabriek rekent men 1115 gulden. Haije krijgt drie maanden de tijd om een ander onderkomen te vinden en Pieter Junior moet Luitje-Jacob in dienst houden voor 15 gulden per week en deze mag zolang hij bij Pieter Junior in dienst is, zijn aandeel niet opeisen (*18). Het rechter huis (L8 later U159) wordt voortaan verhuurd. Als Pieter van Dam in 1913 een hinderwetvergunnig voor een elektromotor aanvraagt, is op de bijgeleverde tekening te zien dat een gedeelte van de tuin verkocht is. Het stuk ten oosten van de werkplaats (275 m2) hoort niet meer bij het pand. In 1909 heeft Pieter van Dam dit verkocht voor fl. 2500,00 aan de doopsgezinde koopman Otto Ottema die woonde op U149a (*19).

Het familiehuis wordt verkocht


In 1917 – Pieter Junior is dan 61 jaar – valt het besluit om het familiehuis te verlaten. Opvolgers waren er niet en besloten werd een NV te stichten met als aandeelhouders Pieter van Dam, Bertus Frans Bergmeyer en Johannes Vaas (*20). De werkplaats werd gevestigd op het adres Eewal 69 en Pieter van Dam ging wonen aan het Emmaplein 1 waar hij op 10 januari 1917 voor fl. 7000,00 een pand had gekocht van Klaas Reitzes Koopmans (*21). Zo kwam er een einde aan een traditie van 138 jaar. Het orgelmakershuis, de tuin en de werkplaats werden verkocht aan Albert Schootstra. Voortaan werden er fietsen gemaakt op de Zuidergrachtswal 19 en 20 (*22) van het merk Phoenix (*23). Hiertoe werden de woonhuizen en werkplaatsen verbouwd. Inmiddels zijn de werkplaatsen jaren geleden gesloopt en is van de woonhuizen niet veel meer over dan een gedeelte van de voorgevel, zijmuren en de balklagen.

B. De werkplaatsen


Hoe de werkplaatsen van de orgelmakers Van Dam er uit hebben gezien is nog min of meer te reconstrueren. Omstreeks 1972 kwam ik in contact met de heer Anne van Gelder (1898-1992) uit Leeuwarden. Hij had in zijn jeugd nog bij Pieter van Dam gewerkt waar ook zijn vader en broer werkzaam waren. Op mijn verzoek heeft hij uit zijn geheugen een plattegrond van de werkplaatsen getekend die naadloos bleek aan te sluiten bij de blauwdrukken van de verbouwingstekening tot rijwielfabriek in 1917. Hierdoor waren de afmetingen en de indeling bekend.

Bij toeval ontdekte ik in 2013 in het fotoarchief van het Historisch Centrum Leeuwarden een foto van de bouw van de Gemeenteschool 12 – later de gemeentelijke HBS – aan Achter de Hoven. Het bouwterrein lag direct ten zuiden van de orgelmakerij. Op de achtergrond is de achterzijde van de werkplaatsen duidelijk zichtbaar. Wat deze foto tevens duidelijk maakt, is het feit dat de werkplaatsen in verschillende etappes zijn gebouwd.

Nadat Lambertus (I) van Dam het pand Grachtswal L8 heeft gekocht, werkt hij meestal op locatie. Het feit dat sommige van zijn kinderen niet in Leeuwarden zijn geboren wijst daar al op. Bekend is dat toen Van Dam in Burgum het nieuwe orgel voltooid had, huisraad en gereedschappen rechtstreeks naar Wirdum werden overgebracht en de orgelmaker aldaar zijn intrek nam in een door de kerkvoogden beschikbaar gesteld huis. Zelfs een tuinman werd betaald (*24). Wirdum is nu een onderdeel van de gemeente Leeuwarden maar lag in die tijd kennelijk ver genoeg van huis om een werkplaats ter plekke te hebben. Als het huis in Leeuwarden in 1814 door Lambertus van Dam te koop wordt aangeboden, is er in de beschrijving geen sprake van een werkplaats (*25). In 1832 en 1841 dient het huis als onderpand bij leningen (*26). Het wordt omschreven als: ‘Eene Huizinge gekwoteerd Letter L nummer acht a en b met grooten tuin en schuur c.a.’ De tuin was inderdaad groot omdat er een stuk grond bijgekocht was van de buurman (L10), de zeefmaker Egidius Renaud. Dat moet vóór 1830 zijn geweest want toen verkocht Renaud zijn pand (*27). De tuin werd toen plusminus 1100 m2 groot (*28).

Inpandige werkplaats op de verdieping

De schuur waarvan sprake is, zou als werkplaats gediend kunnen hebben maar zeker is dat de eerste verdieping en de zolders hiervoor gebruikt werden. In 1848 als het pand uitgebreid door een notaris wordt beschreven, is er sprake van diverse werkplaatsen: allereerst op de eerste verdieping een ruime werkplaats die over het eerste (rechter gedeelte) en tweede (linker gedeelte) perceel loopt met vier vensters aan de straat. Op de foto van de voorgevel de vier ramen helemaal rechts. Deze werkplaats kon ook vanuit het tweede perceel (linker huis) worden bereikt. De zolder werd voor opslag van de orgelmakerij gebruikt.

Werkplaats in de tuin

Volgens kadastrale gegevens is er vóór 1836 een werkplaats gesticht in de tuin (*29). Op de kadastrale kaart van 1843 heeft die werkplaats een L-vorm (op de tekening met de plattegrond van de werkplaatsen A en B). In 1848 was er volgens de beschrijving van de notaris in de tuin ‘eene hechte werkplaats met 4 vensters ten oosten en 2 ten zuiden, 2 lichtscheppingen ten westen. Gemetseld fournuis. Bij de ingang eene trap naar een ruime zolder’. De grootte was toen circa 1 roede = 100 m2 (*30). De L-vormige werkplaats die we kennen van de foto en plattegrond was inderdaad 100 m2 groot, maar dan klopt de beschrijving van de vensters niet. Die klopt wel als alleen het gedeelte wordt bedoeld dat zuid-noord gericht was (op de tekening: A). Maar daarvan bedroeg de oppervlakte slechts plusminus 55 m2. Spoedig daarna zou er dan aan de oostkant een uitbreiding tegenaan gebouwd moeten zijn, die oost-west gericht was en een hoek van 90 graden vormde met de eerste werkplaats. Waarschijnlijk is de L-vormige werkplaats echter in één keer gebouwd, omdat er in de kadastrale leggers altijd sprake is van een werkplaats met een oppervlakte van 1 roede. Vermoedelijk heeft de notarisklerk zich vergist bij de beschrijving van de vensters – bijvoorbeeld door oost en zuid te verwisselen. Op de kadastrale kaart van 1887 heeft de werkplaats nog steeds dezelfde vorm en grootte (*31).

De werkplaatsen worden groter

In 1899 (*32) is naast de oude werkplaats aan de westzijde (rechterkant) over de gehele lengte van circa 11 meter een nieuwe werkplaats gebouwd van ongeveer 3,5 meter breed, door een tussenmuur in twee gelijke stukken verdeeld en met verdieping onder een zadeldak (op de tekening D). Deze werkplaatsen konden niet binnendoor bereikt worden en hadden een aparte ingang. Vóór deze nieuwe werkplaats was er aan de rechterkant en tegen de schutting met het eerste perceel een kistenbergplaats van circa 12 m2. Tussen deze bergplaats en de werkplaats bevond zich een eenvoudig hokje dat als toilet (ton) dienst deed. Aan de linkerkant van de L-vormige oude werkplaats is in 1900 (*33) een eenvoudige uitbreiding gekomen van zo’n 4,5 m breed en zonder verdieping (op de tekening C). Deze kleine werkplaats had een eigen buitendeur doch kon ook vanuit de grote werkplaats bereikt worden door een tussendeur. De oorspronkelijke L-vormige werkplaats bezat een verdieping onder een zadeldak. Hier waren onder andere de houtzolders. Tijdens de bouw van het grote orgel voor de Sint-Jacobskerk te Vlissingen (opgeleverd 1915 en gesloopt in 1965) werd de werkplaats verhoogd (*34). Bedoeld zal zijn meer hoogte te krijgen door de zoldering plus enkele balken te verwijderen. Op de verbouwingstekening tot fietsenfabriek (1917) is er namelijk geen ‘verhoging’ te zien (*35).

Inrichting (*36)

In de tijd van Pieter van Dam Junior was de lage linkeraanbouw (op de tekening C) in gebruik als intoneerkamer. Tegen de noordmuur naast de ingang stond het intoneerorgel. Tegen de oostmuur van deze ruimte was onder de drie vensters een lange werkbank geplaatst. Ook stond hier de tekentafel van Pieter van Dam en de familieportretten c.q. -foto’s hingen er. In het linker gedeelte van de oorspronkelijk werkplaats (op de tekening B) was de opbouwruimte. In het midden werden de orgels opgebouwd. Hiernaast was een trap naar boven. Tegen de zuiden noordmuren stonden de werkbanken. Ook hier weer onder de vensters. In de zuidmuur zat een deur naar buiten die liep naar de achtergelegen steeg. Naast deze deurstond een moerbeiboom. Het rechter gedeelte van de oude werkplaats (op de tekening A) was de ruimte waar de platen orgelmetaal werden gegoten. Hier stond de giettafel. Tegen de zuidgevel stond een ‘fournuis’ waar lood en tin gesmolten werd. De schoorsteen is duidelijk op de foto te zien. In deze ruimte bevond zich ook een zogenaamde lange kachel voor de verwarming en tegen de oostwand een werkbank. In de noordmuur was de hoofdtoegangsdeur tot de werkplaatsen. Bij binnenkomst was links een trap naar de houtzolders. Op de verdieping en rechts stond de slijpsteen tegen de muur van de nieuwe uitbreiding. In de nieuw aangebouwde werkplaats (op de tekening D) waren twee machines aanwezig. Zodra men deze werkplaats binnentrad stond aan de rechterhand een boormachine aangedreven door een 1,5 pk elektromotor die tevens ertoe diende de slijpsteen aan de andere kant van de scheidingsmuur aan te drijven. Rechtdoor stond de zaagmachine die al sinds 1779 in gebruik was en sinds 1913 door een elektromotor van 1 pk werd aangedreven (*37). Beide elektromotoren waren geleverd door de firma Van Eyck en Heslinga te Leeuwarden (*38). Tegen de westmuur stond onder de drie vensters een werkbank. In de werkplaats hierachter stond ook een werkbank tegen de westmuur. In de werkplaatsen waren omstreeks 1900 gemiddeld zo’n acht man werkzaam.

Aardig om te weten is dat op 22 juni 1912 in de werkplaatsen het 25-jarig huwelijksfeest is gevierd van Pieter van Dam en zijn echtgenote Catharina Christina ter Maat. Behalve familie en bekenden was ook het personeel hierbij uitgenodigd. Op 2 juli 1912 bedanken zij hun ‘hooggeachten Patroon den weled. Heer P. van Dam en zijne ECHTGENOOTE, voor het aangename en gezellige feest’ (*39).

Ad Fahner

Noten:
1. Groot consentboek 14 mei 1779 (1779-22)
2. Leeuwarder Courant (afgekort LC) van 5 mei 1781
3. LC 19 aug. 1814
4. LC 12 aug. 1814
5. Tresoar. Notarieël archief Toegang:26. inventarisnr: 76014
6. Zie 5
7. Zie 4
8. Volkstelling Leeuwarden 1839
9. LC 25 febr. 1848
10. Tresoar (Leeuwarden). Not. Archief 26-78052 repetoirnrs: 44 en 53
11. Tresoar. Not. Archief 26-78953 repetoirnr: 184
12. Zie 10
13. Tresoar. Not. Archief 26-80039 repetoirnr: 2432
14. Tresoar. Digilegger Kadaster
15. Tresoar. Not. Archief 26-80037 repetoirnr: 2032
16. Hist. Centrum Lwd. Bevolkingsregister 1876-1904 pag.30
17. Tresoar. Not. Archief 26-79130 repetoirnr: 20
18. Tresoar. Not. Archief 26-81060 repetoirnr: 123
19. Tresoar. Not. Archief 26-80065 repetoirnr: 8240
20. Tresoar. Not. Archief 26-78162 repetoirnr: 2132 en 2146
21. Tresoar. Not. Archief 26-78162 repetoirnr: 2078
22. Na de doorgraving van de Grachtswal voor het Nieuwe Kanaal (1895) werd het gedeelte waar de orgelmakers woonden Zuidergrachtswal genoemd.
23. Tresoar. Not. Archief 26-78162 repetoirnr: 2106 en 2113 t/m 2115
24. Jan Jongepier, ‘ Vijf eeuwen Friese orgelbouw’
25. LC 12 aug.1814. Deze ‘verkoop’geschiedde op gerechtelijk bevel om vanwege de overname van de zaak door Jacob en Luitje Jacob de waarde te laten bepalen.
26. Tresoar. Not. Archief 26-78021 repetoirnr: 342
27. Tresoar. Digilegger Kadaster
28. Tresoar. Digilegger Kadaster
29. Tresoar. Digilegger Kadaster
30. Tresoar. Not. Archief 26-78052 repetoirnr: 44 en 53 N.B. 1 roede = 100 m2 en 1 el = 1 m2
31. Tresoar. Kaartnr: 15839a. Lwd sectie G5
32. Tresoar. Digilegger Kadaster
33. Tresoar. Digilegger Kadaster
34. Interview met Anne van Gelder.
35. Hist. Centrum Lwd. Bouwtekeningen
36. Tekening gemaakt door Anne van Gelder
37. Aanvraag hinderwetvergunning door P. van Dam 1913 secr. Arch. 1811-1941 inv.nr: 7583
38. Anne van Gelder
39. Anne van Gelder en LC 2 juli 1912



stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard