ok2014menu


  Muziek in de loge Friese Orgelkrant 2014

Een onbekend orgel in de Leeuwarder binnenstad

Weliswaar niet het oudste, maar vermoedelijk wel het meest onbekende orgel in de binnenstad van Leeuwarden staat in het gebouw van de vrijmetselaarsloge De Friesche Trouw. Hoewel musiceren in bijeenkomsten van deze Loge of equivalenten elders in binnen- en buitenland geen zeldzaam verschijnsel is, zowel in verleden als heden, is de aanwezigheid van een orgel daarbij wel minder vaak voorkomend. Er is dus alle reden de schijnwerper eens op het instrument in Leeuwarden te richten.

Loges en muziek

In veel loges van vrijmetselaars is in broederlijk verband gemusiceerd. Ook is van veel bekende musici bekend dat ze voor meer of minder lange tijd lid waren van een loge. We hoeven slechts te denken aan Mozart, die niet alleen passende muziek schreef voor gebruik in loges, maar bijvoorbeeld ook elementen van de vrijmetselarij verwerkte in zijn opera Die Zauberflöte. Ook in ons land waren bekende musici of componisten lid van een loge, zoals graaf Unico Willem van Wassenaar, Nicolaas Arnoldi Knock en Willem Pijper. Niet alleen instrumentaal werd er in logeverband geregeld gemusiceerd, ook vocaal: daarvan getuigen nog steeds de liedbundels die in de loop der tijd voor diverse loges werden samengesteld, ook in Leeuwarden. Van een aantal loges in ons land is bovendien bekend dat ze in het verleden de beschikking hadden over een eigen orgel: in de 19e eeuw onder andere in Deventer en in Leeuwarden, later ook in Den Haag. In onze tijd is het momenteel in Leeuwarden aanwezige instrument een van de weinige, zo niet het enige nog aanwezige pijporgel in een loge in ons land.

De Leeuwarder loge(s)

Kennis over de geschiedenis van de huidige loge in Leeuwarden is slechts fragmentarisch bewaard gebleven. De belangrijkste oorzaak is de vernietiging van het archief door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daardoor is het ook vrijwel alleen via zijdelingse informatie mogelijk een indruk te krijgen van de vroegere muziekpraktijk aldaar. Voor zover bekend werd een eerste loge in Leeuwarden gesticht in 1734, na een reis van erfstadhouder Prins Willem Carel Hendrik Friso naar Engeland. Toen hij in 1747 vertrok naar Den Haag om daar de functie van ‘Algemeenen Stadhouder’ te gaan bekleden, werd de loge weer opgeheven. Een nieuwe officiële loge was de per 1 april 1781 in Leeuwarden gevestigde ambulante (militaire) loge ‘L’Esprit du Corps’ waarvan ook enkele burgers lid waren, waaronder Nicolaas Arnoldi Knock, bij orgelliefhebbers tegenwoordig bekend door zijn boekje met orgeldisposities uit 1788; van hem bleef ook (als enig relict van deze loge!) zijn toelatingsakte bewaard. Toen een jaar later (in 1782) de militaire leden naar elders vertrokken, stichtten twaalf achterblijvende Friese leden de nieuwe (nog steeds bestaande) loge ‘De Friesche Trouw’. Na eerst in een huis aan de Vleeschmarkt samengekomen te zijn, kochten de broeders in 1791 een pand aan het Zaailand (het latere nummer 49), dat op 3 april 1793 officieel in gebruik werd genomen. Daarbinnen waren op de tweede verdieping een grote en een kleine zaal aanwezig. Nadat men in 1810 besloten had “tot geheelen herbouw van het voorgebouw”, werd in november 1814 echter juist besloten “om de zaken der loge finaal te likwideren en tot dat einde het gebouw en de losse goederen te verkoopen”. Aldus geschiedde in het voorjaar van 1815. In de decennia daarna verbleef de loge in verschillende gehuurde ruimtes, alvorens in 1927 een definitiever onderkomen werd aangekocht: het pand ‘Bij de Put 15’, vlak achter de Jacobijnerkerk, waar men nog steeds gehuisvest is. Dit pand dateerde in oorsprong uit de tweede helft van de 16e eeuw, kreeg in het begin van de 17e eeuw een nieuwe gevel – een gevelsteen vermeldt nog het jaartal 1619 – en werd in de tijd daarna nog al eens verbouwd. Het best proeft men de ouderdom nog onder de dakspanten op de zolderverdieping. In november 1940 moesthet gebouw worden verlaten, dat eerst werd verkocht aan een aannemer en daarna aan een koopman, die het inrichtte als pakhuis. Hoewel eind december 1945 er weer voor het eerst een tempeldienst kon worden gehouden, kreeg de loge het gebouw officieel pas medio 1947 weer in eigendom terug. Het interieur is in de periode nadien enkele malen gemoderniseerd en opgeknapt.

Muziek in de Leeuwarder loge

Evenals elders werd tijdens de tempeldiensten door de broeders ook muziek gemaakt. Is daarover vanuit sommige andere loges vrij veel bekend in de 18e eeuw, hoe dat er in de beginjaren in Leeuwarden toeging weten we nauwelijks. Zoals al genoemd, ontstonden er diverse zangbundels voor gemeenschappelijk gebruik. De meeste broeders, zeker degene die uit aanzienlijke families stamden, zullen van huis uit muziekles hebben gehad en met voorhanden zijnde eigen instrumenten (strijk- en blaasinstrumenten) samen gespeeld hebben in composities van en voor logebroeders. Met de aanwezigheid van vaardige ’toetsenisten’ zal men ook van klavecimbels of kleine pijporgels gebruik hebben gemaakt. Dat dit in Leeuwarden aanvankelijk op die manier ook het geval is geweest, kunnen we afleiden uit de aanwezigheid van de op het klavecimbel zeer vaardige Nicolaas Arnoldi Knock, die ook als orgeldeskundige naam maakte. Toen men in 1793 het al genoemde pand aan het Zaailand betrok, moet men voor gebruik in de grote zaal een klein orgel hebben aangeschaft. Knock was toen al geen lid meer van de loge en zal dus vermoedelijk ook geen bemoeienis meer met dit instrument hebben gehad, aangezien hij toen al niet of nauwelijks meer in Leeuwarden verbleef. Het betrof waarschijnlijk een kabinetorgel, van de hand van de bekende orgelmaker Albertus van Gruisen. Het is namelijk dit instrument dat op maart 1815. Omschreven als “een uitmuntend ZAAL- of KERK-ORGEL, welk Orgel in 1793 gemaakt is door A. van Gruizen, by wien men zich deswegens tot informatie kan vervoegen” te koop werd aangeboden met de rest van de inventaris in de Leeuwarder Courant van 10,17 en 24 maart 1815. De bovenstaande omschrijving zal mede bedoeld zijn geweest om het werk te afficheren voor hergebruik in een klein kerkgebouw; de kabinetorgels van Van Gruisen waren daarvoor doorgaans krachtig genoeg geïntoneerd. Aan wie het instrument is verkocht, is onbekend. Het is dus mogelijk dat het bewaard is gebleven, aangezien van veel nog bestaande oude huispijporgels doorgaans niet bekend is voor wie ze oorspronkelijk zijn gebouwd en ze daarna vaak een niet-traceerbare gang door ons land hebben gemaakt. Met het opgeven van het onderkomen aan het Zaailand is vooralsnog dus helaas ook dit instrument uit het zicht verdwenen.

De volgende honderd jaar zal er ongetwijfeld wel door de broeders zijn gemusiceerd op de diverse locaties waar men in die tijd samen kwam. Men zal in die tijd gebruik hebben gemaakt van piano’s. Van aanwezige musicerende leden is er in elk geval één geïdentificeerd: het betreft de organist, pianofabrikant en -handelaar C. van Leeuwen, die op 13 februari 1874 lid werd van de Loge, maar helaas al in 1876 overleed.

1928: een nieuw orgel

In 1927 werd de aanschaf van het huidige eigen pand gerealiseerd. De architecten en medebroeders H.H. Kramer en A. Baart maakten een verbouwingsplan. In het nieuwe gebouw wilde men ook een pijporgel hebben in de tempel, waarvoor genoemde heren als onderdeel van hun tekeningenpakket ook een ontwerp opnamen voor de orgelgalerij en het orgelfront. Het is in deze vorm niet uitgevoerd.


Op 23 januari 1928 werd met de bekende firma Bakker & Timmenga het contract gesloten voor de bouw van een pneumatisch pijporgel, te gebruiken in de tempel. Het zou als dispositie krijgen:
Manuaal (C-f3): Prestant 8 voet, Aeoline 8 voet, Holpijp 8 voet, Octaaf 4 voet, Roerfluit 4 voet, Violine 4 voet.
Pedaal (C- f1): Subbas 16 voet.
Daarnaast: Tremulant, Superoctaafkoppel, Pedaalkoppel en Ventiel.
Er waren drukknopjes voor P (Piano), M.F. (Mezzo forte), T (Tutti) en A (Aflosser).
Elektrische windvoorziening.


Het binnenwerk is dwars geplaatst achter het front, met tegen de (vanuit de tempelruimte bezien) rechter zijwand de pedaalpijpen. Op de manuaallade is deels ook enig bestaand pijpwerk gebruikt. De magazijnbalg (met in- en uitslaande vouwen) ligt rechts van het orgel. De speeltafel bevindt zich tegen de linkerzijde van de kas.


Het instrument kostte fl. 3225,-. Het huidige front (vermoedelijk een aangepast ontwerp van Baart en Kramer) is vergeleken met de getoonde tekening niet meer vijfdelig, maar driedelig en eenvoudiger gewelfd. Het instrument werd opgeleverd op 5 mei 1928, althans op die dag – ook de dag van de ingebruikneming van het gebouw – werd de bouwsom betaald aan de firma Bakker & Timmenga. Dit bedrijf had het sindsdien ook het jaarlijks onderhoud en repareerde al in 1930 de blaasbalg. In 1940 moest de Loge haar activiteiten staken en de jaren daarna werd het gebouw voor andere doeleinden gebruikt. Dat daarna de toestand van het orgel te wensen overliet, laat zich raden. In 1946 volgde een grondige restauratie: alle pijpen werden schoongemaakt en ontdaan van deuken en 'builen'. De orgelkas werd hersteld, de frontpijpen werden gealumineerd (=voorzien van aluminiumverf). Verder werd de hele speeltafel uit elkaar genomen en van de rest van de 'tractuur' werden vele membranen vernieuwd, relais hersteld en conducten vernieuwd. Ontbrekende onderdelen werden bijgemaakt. De totale operatie kostte fl. 1530,-. In die staat is het orgel sindsdien gebleven. In de naoorlogse periode werd het geleidelijk steeds minder onderhouden en ook steeds minder gebruikt, tegenwoordig klinkt er alleen nog muziek via geluiddragers.

Hoewel de Leeuwarder loge nog steeds over een pijporgel beschikt, wordt het eigenlijk nooit meer gebruikt. Als er in de tempel al muziek weerklinkt, dan komt deze via elektronische geluidsdragers. Het orgel is ondertussen nog steeds bespeelbaar, al behoeft het wel een goede onderhoudsbeurt. Het is te hopen dat de huidige gebruikers van de Loge de betekenis van het instrument (ook in landelijk verband) weer op waarde weten te schatten en het orgel kansen geven zich weer te laten horen, zowel aan de medebroeders als aan de buitenwacht: in Loge-eigen muziek dan wel in composities die op dit type instrument goed klinken. Met dank aan Ad Fahner, met wie ik samen het gebouw van de Loge bezocht en aan Marius van den Berg die ons daar gastvrij ontving en mij toestemming gaf het archief van de Loge te mogen raadplegen]

Victor Timmer

Geraadpleegde bronnen:
• Historisch centrum Leeuwarden (HCL), archief firma Bakker & Timmenga.
• HCL, archief vrijmetselaarsloge De Friesche Trouw.
• Albert Clement, ‘Maçonnerie en muziek in de tijd voorafgaande aan de Bataafse Republiek’, in: Hef aan! Bataaf! Beschouwingen over muziek en muziekleven in Nederland omstreeks 1795, Alphen aan den Rijn , 1997, 54 – 76.
• Victor Timmer, ‘Nicolaas Arnoldi Knock en het Friese orgel’, Friese orgelkrant 2013, p. 8 en 9.
• R. Visscher, [rubriek ‘Oud-Leeuwarden’], ‘De nieuwe Loge’, Leeuwarder Courant d.d. 14 mei 1927.
• ‘De Friesche Trouw 1782 – 1992’, Thoth. Tijdschrift voor vrijmetselaren, 33/1 (februari 1982), jubileumnummer



stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard