ok2014menu


  Voorjaarsexcursie 2014 Friese Orgelkrant 2014

Voorjaarsexcursie 2014 naar Jellum, Hilaard, Boksum en Goutum.

Op zaterdag 5 april kunnen we weer genieten van de rijke historie der Friese orgelbouw. In Boksum dateren de oudste onderdelen van het Jan Harmens-orgel van 1675. Daarna hebben verscheidene orgelmakers van naam aan het orgel gewerkt. Verder staan tijdens de voorjaarsexcursie twee orgels van de derde generatie Van Dam (Hilaard, 1873 en Goutum, 1865) en één orgel van Bakker & Timmenga (Jellum, 1894) centraal.

Boksum ligt in de gemeente Menameradiel (Menaldumadeel), Jellum en Hilaard in de gemeente Littenseradiel en Goutum in de gemeente Leeuwarden. Duizend jaar geleden stroomde het water van de Middelzee over dit gebied. Tussen 1200 en 1300 slibde de zee tussen Bolsward en Leeuwarden dicht. Inpoldering kon, toen opslibbing van de Middelzee waarschijnlijk als gevolg van de vorming van de Zuiderzee versnelde, met relatief geringe inspanning gerealiseerd worden. Zo werd rond 1275 de Boksumerdijk, in oostwestelijke richting tussen Boksum en Goutum, aangelegd. Net als elders in het land is in Fryslân een proces van gemeentelijke herindelingen gaande. De gemeente Littenseradiel zal daardoor uiterlijk per 1 januari 2018 verdwijnen en worden opgedeeld over een drietal gemeenten. Tien dorpen in Littenseradiel, waaronder Jellum en Hilaard, gaan dan naar alle waarschijnlijkheid tot de gemeente Leeuwarden behoren.

Jellum

Jellum is een klein dorp met zo’n 150 inwoners, dat tot de gemeente Littenseradiel behoort. Het is een lintdorp met bebouwing langs de Hegedyk, de dijk van de vroegere Middelzee. Van 1883 tot 1938 had Jellum, samen met het ‘tweelingdorp’ Boksum, een station aan de spoorlijn van Leeuwarden naar Sneek en Stavoren: het station Jellum-Boxum. De oude kerk van Jellum (1700) werd in 1832 en 1893 getroffen door bliksem. In 1893 brandde de kerk daarbij volledig af, waarna een nieuwe kerk werd gebouwd.

De nieuwe kerk, met laat 19e-eeuwse architectonische kenmerken, kon in 1895 in gebruik worden genomen. Het gaat om een vijfzijdige afgesloten zaalkerk met nog een gaaf interieur uit het einde van de 19e eeuw. Kansel, doophek, mannen- en vrouwenbanken uit de bouwperiode bleven bewaard. Het romaanse, zandstenen doopvont (13e eeuw) uit de oude kerk bevindt zich thans in het kerkmuseum te Jannum, even ten westen van Dokkum. Van 1894-1895 dateert ook het Bakker & Timmenga-orgel dat zich nog steeds in de kerk bevindt.

Het instrument is sinds de bouwtijd volledig ongewijzigd gebleven, er is zelfs geen elektrische windmachine aanwezig. Het orgel van Albertus van Gruisen uit 1811 ging bij de brand van 1893 verloren. Op het informatiebord op de zuidelijke buitenmuur van de kerk staat ten onrechte vermeld dat de kerk van Jellum een Van Dam-orgel uit 1895 bezit. De toren van 21 meter hoog heeft drie geledingen met een ingezwenkte spits. Uurwerk en klok zijn eveneens van 1895. Op internet is een lijst van rijksmonumenten in Littenseradiel te vinden. Volgens deze site, bijgewerkt tot medio 2013, heeft Jellum vier erkende rijksmonumenten, waaronder een stenen brug met toegangshek bij het kerkhof. Kerk en toren zijn geen rijksmonument. Ook de Mammema Stins is geen rijksmonument, simpelweg omdat die stins er niet meer is. De Mammema Stins in Jellum dateerde van rond 1400. De adellijke familie Dekema woonde er. In 1511 heeft deze familie meer dan de helft van het 657 pondemaat grote dorpsgebied van Jellum in eigendom.

In de opgave van de kerkelijke bezittingen van 1543 komt maar liefst 14 keer de naam voor van "Meester Sicko" als naastligger van de landerijen van de kerk. Deze Sicko Juws van Dekema was een staatsman. Tijdens de zomermaanden woonde hij samen met zijn vrouw op Mammema State, maar ’s winters meestal te Sneek in een stins aan de Marktstraat. Deze Mr. Sicko van Dekema wordt op 19 september 1545, samen met een andere gedeputeerde, Sybrand van Roorda, door Karel V tot ridder geslagen en tien jaar later legt hij met een aantal andere Friese edelen staande de eed van trouw af aan koning Philips II. Die eed moest knielend worden afgelegd, maar – zo wil het verhaal – de Friezen hielden hun rug recht en bleven staan onder het motto "Wij Friezen knielen alleen voor God". Sicko overleed in 1558.

Van zijn tien kinderen is met name van Sicke (bijgenaamd ‘de oude’) een en ander bekend. Hij werd in 1548 te Jellum geboren. Hij was dus tien jaar oud toen zijn vader overleed. In 1568 stuurde zijn moeder hem, samen met zijn broer Frans, naar Spanje om daar te studeren. In Spanje stonden ze onder toezicht van de Fries Jochem van Hoppers, die aan het hof van koning Philips II vertoefde en die een vriend was van Viglius van Aytta (vooraanstaand jurist afkomstig uit Friesland en voorzitter van de Geheime Raad en de Raad van State in Brussel). In 1573 reisden Jonker Sicke en Frans voor hun studie naar Pavia in Italië. Frans had het daar al gauw bekeken en reisde terug naar Friesland, maar Sicke bleef en werd er doctor in de rechten. Voor de boedelscheiding in 1575, na de dood van zijn moeder, was hij weer thuis en kreeg Mammema State te Jellum in zijn bezit. Als in de jaren daarna de Hervorming doorzet en het verzet tegen de Spanjaarden openlijke vormen aanneemt, moeten veel rooms-katholieken het land ontvluchten. Drie broers en een zuster van Sicke nemen de wijk naar Keulen, waar ze in ballingschap sterven. Sicke erft "Gruyters huizinge tot Sneeck, met het hof en de heerlijckheyt van de Swanejacht, mitsgaders het Leen tot het voorz. huys behoorende, waaronder ressorterende eene State tot Arum". Hij bleef actief in de politiek, ook de buitenlandse. Op 26 juni 1608 is hij aanwezig bij het sluiten van een verdrag met Engeland. Sicko tekent met de titel "Heer van Jellum, Tamminghaborgh en de Marne". Sicke was getrouwd met Helena Onnes Tamminga, enig kind en erfdochter van Onno Tamminga op Tammingaborg te Hornhuizen in Groningerland. Daardoor kwam hem de titel "Heer van Tammingaborg en de Marne" wel toe, maar niemand mocht zich in Friesland "Heer" noemen en dat schoot de Staten van Friesland daarom in het verkeerde keelgat. Jonker Sicke overleed in 1625, vijf jaar na zijn vrouw. Hun grafkelder ligt in de kerk van Jellum.

Sicke en Helena hadden blijkbaar geen kinderen, want na hen komt de state in handen van het geslacht Botnia. In 1781 stierf eigenaar Jhr. Watze Justus Dominicus Julius Botnia van Burmania. Blijkbaar was het geslacht Botnia (van Burmania) toen uitgestorven, want enkele maanden later was er een ‘boelgoed’ op Mammema State. Het landgoed werd verkocht en kwam aldus weer in andere handen. De stins uit omstreeks 1400 is in de loop van de tijd vele malen verbouwd en gemoderniseerd. Eén van de laatste moderniseringen vond circa 1787 plaats, waarbij de hoge bomen van het park sneuvelden. In 1854 stond het slot te huur, maar er was kennelijk weinig animo voor, want op 8 maart 1856 werd de state op afbraak verkocht en een maand later lag alles tegen de vlakte.

Hilaard

Het terpdorp Hilaard telde in 2013 ongeveer 310 inwoners. Het wordt voor het eerst in 1275 genoemd als Elawerth (‘de terp van Ele’). Tot de aanleg van de N359 lag het dorp nogal geïsoleerd. Ten Westen van Hilaard, aan de andere kant van de N359, ligt het buurtschap Hoptille dat bij Hilaard hoort. Hilaard heeft twee kerkgebouwen. Het voormalige gebouw van de gereformeerde gemeente (synodaal) wordt sinds 2000 gebruikt door de Koptische gemeente. Het gaat om een gemeente van Koptisch-orthodoxe christenen (van Egyptische origine). Friesland heeft een eigen gemeente van zo’n tachtig gezinnen, in oktober 2008 afgesplitst van de koptische gemeente in Amsterdam. Nederland telt ongeveer zevenduizend kopten die – naast Hilaard – in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Enschede, Assen en Eindhoven ter kerke gaan.

De laatgotische hervormde, tegenwoordig protestantse, Johannes de Doperkerk is waarschijnlijk in de 15e eeuw tegen de toren uit 1245 gebouwd ter vervanging van een oudere kerk. De toren is opgemetseld van kloostermoppen, de kerkmuren zijn opgetrokken van rooswinkels, kleiner dan kloostermoppen. De westelijke torentop heeft een elegante in- en uitzwenkende vorm (een soort klokgevel) die wellicht bij een restauratie in 1865 werd aangebracht. Op een tekening van Stellingwerf uit 1723 is de westelijke torengevel nog gelijk aan de oostelijke. De Johannes de Doperkerk, de bijbehorende kerktoren en kerkhof zijn rijksmonument. In 2000 zijn klok, toren en kerk gerestaureerd, in 2011 het Van Dam-orgel. In de kerk worden elke week nog diensten gehouden.

Het orgel werd in 1875 gebouwd door L. van Dam & Zn. De meest recente restauratie vond in 2011-2012 plaats door orgelmakerij Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. Het instrument werd toen geheel gerestaureerd en wijzigingen die Eppinga in 1967 had aangebracht, werden ongedaan gemaakt. Het door Eppinga op het hoofdwerk aangebrachte register Quint 1 1/3 voet kon worden vervangen door een Violon discant 8 voet met historisch pijpwerk uit voorraad van B&T. De pedaalomvang werd teruggebracht van C-f1 naar C-g0. Hierdoor is de oorspronkelijke situatie hersteld. Theo Jellema was adviseur. De ingebruikname van het gerestaureerde orgel vond plaats op 11 maart 2012. In 2000 kreeg de kas – in het kader van de kerkrestauratie – zijn huidige kleur.

De huidige dispositie van het orgel is als volgt:

Hoofdwerk (C-g3): Bourdon 16 voet, Prestant 8 voet, Holpijp 8 voet, Violon D 8 voet, Octaaf 4 voet, Roerfluit 4 voet , Quintprestant 3 voet, Octaaf 2 voet, Cornet D 3 sterk, Trompet B/D 8 voet.

Bovenwerk (C-g3): Fluit Dolce 8 voet, Salicionaal 8 voet, Viola di Gamba 8 voet, Salicet 4 voet, Flute travers 4 voet, Gemshoorn 2 voet, Vox Humana 8 voet.

Pedaal (C-g0): aangehangen.

Voorts een koppel Hoofdwerk-Bovenwerk, afsluiter Hoofdwerk, afsluiter Bovenwerk, een Windlosser en een Tremulant op het Bovenwerk.

Gedenksteen

Vroeger stond de Tsjessingastate bij de kerk, genoemd naar de bewoners, de familie Tjessinga. Later werd de state bewoond door de families Van Aylva en Mockema. De geschiedenis van de Tsjessingastate gaat tot ver vóór 1500 terug. Onderzoek van vondsten die op het vroegere terrein van de state zijn gedaan, maakt het aannemelijk dat rond 1210 een stenen gebouw is opgetrokken dat waarschijnlijk in de 15e eeuw plaats gemaakt heeft voor de Tsjessingastate. Vanaf de 16e eeuw werd de state bewoond door de adellijke familie Van Aylva. In de Johannes de Doperkerk is nog een gedenksteen, ter nagedachtenis aan Hobbe van Aylva en zijn eerste vrouw Frouck, aanwezig. In de kerktoren hangen twee klokken, een kleine van Hermanus uit 1392 en een grote van de Leeuwarder klokkengieter Hans Falck (van Neurenberg) uit 1618. Op deze grote klok staan de namen van grietman Hobbe van Aylva en zijn vrouw Frouck.

Hobbe’s tweede vrouw was Jetske van Mockema. Op een andere tekening van Stellingwerf uit 1723 wordt de state daarom aangeduid als Mockema State. In 1749 is de state afgebroken. De poort die toen bleef staan, is vijfig jaar later verkocht en afgebroken.

Boksum

Boksum is een terpdorp dat enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling is ontstaan. Het lag vroeger aan de Middelzee. Momenteel telt het dorp zo’n 450 inwoners. Op 17 januari 1586 vond tijdens de 80-jarige oorlog bij Boksum een veldslag tussen een Spaans leger en een ‘Staats leger’ plaats. In de periode 1580-1594 van de Tachtigjarige Oorlog had Friesland regelmatig te maken met Spaanse invallen vanuit de nog Spaansgezinde stad Groningen, van waaruit de Spanjaarden dus een solide uitvalsbasis hadden voor verschillende plundertochten.

Tussen 13 en 17 januari 1586 vond een grote inval in Friesland plaats door 3000 Spaanse soldaten en 700 ruiters die via Joure en Heeg tot aan Workum en Koudum trokken. Dankzij een strenge vorst waren de paden goed begaanbaar voor de Spaanse kanonnen en ook de Friese meren vormden geen natuurlijke barrière meer. Na de omgeving grondig geplunderd te hebben trok het leger naar het noorden van de provincie. Toen echter de dooi inviel moest het Spaanse invasieleger zich terug trekken omdat het wel eens geïsoleerd zou kunnen raken. Willem Lodewijk probeerde vanuit Zeeland, waar hij sinds het einde van 1585 vanwege prins Maurits’ ‘intocht’ verbleef, terug te komen naar Leeuwarden, maar bleef bij Stavoren steken. Desondanks zagen de Friezen kans een leger te formeren om tegen de Spaanse invallers ten strijde te trekken. Op 16 januari 1586 sloeg het zijn kamp op bij Oosterlittens (Easterlittens) en de volgende dag vertrok het om zich bij Boksum in te gaan graven. Toen de Spanjaarden op 17 januari op het Friese legertje stuitten, was dit daar nog mee bezig. Nadat de Friezen omsingeld waren, werden zij door de Spanjaarden afgeslacht. Een Staatsvaandel ging verloren. Erger was het aantal slachtoffers: naar overlevering vielen er duizend doden, al is het meer waarschijnlijk dat er aan Friese kant zo'n 500 slachtoffers vielen.

Sint-Margaretakerk

De Sint-Margaretakerk in Boksum, eigendom van de Stichting Âlde Fryske Tsjerken, bezit een gave protestantse inrichting met onder andere een bekroonde herenbank uit 1661 met een wapen van Bouricius en Glinstra. Er is ook een gedenkbord uit 1686 met een opschrift over de slag bij Boksum in januari 1586.

De romano-gotische kerk van Boksum dateert van ongeveer 1100, is grotendeels van tufsteen en werd in 1300 vergroot met kloostermoppen. In 1300 zijn ook de vroeg-gotische spitsboogvensters aangebracht. Daarna hebben nog enkele veranderingen plaats gehad, waarbij de kerk een koor met vijfzijdige afsluiting kreeg. In de noordmuur bevindt zich een dichtgemetselde korfbogige ingang uit ongeveer 1500 met een omlijsting van profielsteen. De toren is van jongere datum, namelijk van 1843. De toren is namelijk – met de oude stenen !! – herbouwd nadat die in 1842 in elkaar stortte. In 1879 is de toren blijkens een gedenksteen in de zuidmuur van de toren nog eens bekleed.

Tijdens de kerkrestauratie begin deze eeuw kwamen enkele interessante gegevens aan het licht. De grootste vondst, een zandstenen sarcofaag (lijkkist) die op het kerkhof is ontdekt, is in de vloer van de voorkerk ingebouwd. Met enige moeite zijn de ingebeitelde motieven aan de binnenkant van de kist te zien: kruizen, kromstaven en een ankerkruis. Tegen de muur staat een rechthoekig stuk zandsteen, waarschijnlijk een oude altaarsteen. Slaat men vanaf de weg Jellum–Deinum in Boksum linksaf naar de Margaretakerk, dan wordt de voormalige Gereformeerde Kerk, met 1909 als bouwjaar, gepasseerd. Dit gebouw is in 2004 afgestoten en sinds 2005 in gebruik als ‘inspiratiecentrum’ van de stichting LOFT. Loft is het Friese woord voor lucht en het Engelse woord voor een hoge, vrij in te delen ruimte.

Het orgel

Het orgel in de Sint-Margaretakerk is in 2012 volledig gerestaureerd door de orgelbouwers Pels & Van Leeuwen uit ’s Hertogenbosch en op 8 februari vorig jaar weer in gebruik genomen. De Stichting Organum Frisicum verstrekte een subsidie voor het herstel van een aantal registerknoppen en voor het aanbrengen van registernaamplaatjes. Orgeladviseur was Aart van Beek. Hij schreef in de Friese Orgelkrant van 2012 een uitgebreid artikel over de orgelrestauratie in Boksum. Op de dag van de heringebruikname verscheen bovendien een brochure van zijn hand over de orgelrestauratie. Vandaar dat we hier volstaan met de hoofdzaken aangaande de restauratie en voor het overige naar de publicatie van Aart van Beek verwijzen.

De historie van het orgel in Boksum

Het orgel in Boksum dateert in eerste aanleg van 1675-1676. Bouwer Harmen Jans uit Berlikum verving toen een ouder instrument. In 1728 voegde Jan Franssen uit Zweins een rugwerk aan het éénklaviers orgel toe. Na een tweetal reparaties vernieuwde Lambertus van Dam het orgel in 1798/1799. Vervolgens maakte Wytse Douwes in 1810 de houten draperieën en voegde Jan Reiders Radersma in 1813 een (aangehangen) pedaal toe. Bij de instorting van de toren in 1842 bleef het orgel grotendeels gespaard. Van 1843 tot 1891 werden enige ‘herstellingen’ en wijzigingen uitgevoerd, voornamelijk door Willem Hardorff. Het onderhoud van het orgel werd van 1891 tot 1907 voortgezet door Hardorffs schoonzoon J.F. Kruse. In 1909 kwam het onderhoud in handen van Bakker & Timmenga. Deze orgelmakerij voerde in 1918 een omvangrijke verbouwing uit. De toen gerealiseerde structuur was tot aan de recente restauratie door Pels & Van Leeuwen nog steeds aanwezig. In 2005 formuleerde Jan Jongepier een drietal opties voor restauratie van het orgel. Eigenaar-opdrachtgever, de Stichting Âlde Fryske Tsjerken, koos voor de optie de bestaande dispositie van het instrument te conserveren. Orgeladviseur Aart van Beek en Rochus van Rumpt van de orgelmakerij Pels & Van Leeuwen zijn vervolgens een grondig onderzoek naar de rijke en dynamische geschiedenis van het instrument gestart. Omtrent de periode van vóór 1798 heeft het orgel met name over zijn dispositiegeschiedenis echter weinig prijs gegeven. In 1798 heeft L. van Dam het orgel naar achteren verplaatst maar de structuur van de hoofdkas ongemoeid gelaten. Daarna is de kas bij verschillende werkzaamheden aan het instrument steeds ‘aangepast’. De ornamentiek stamt naar alle waarschijnlijkheid uit een drietal jaren: 1675, 1726 en vooral uit 1798. De bekroning van de middentoren van het hoofdwerk wordt gevormd door een wapenschild met flankerend lofwerk. Die stamt uit 1675 en is onmiskenbaar kleiner gemaakt om op de middentoren te passen (1798). In het dak van de middentoren zitten enkele gaten die wijzen op de oorspronkelijke bekroning. Over de oorspronkelijke plaats van het wapenschild in zijn originele vorm bestaan verschillende veronderstellingen. De vraagtekens aangaande de bekroning van de zijtorens van het hoofdwerk zijn nog groter. De bekroning van de rugwerktorens dateert van 1726. De vleugelstukken aan de hoofd- en rugwerkkas en het blinderingswerk in torens en velden zijn van 1798.

Windvoorziening, regeer- en pijpwerk

Tot 1918 kende het orgel drie spaanbalgen van Hardorff uit 1844. De thans aanwezige magazijnbalg dateert van 1918. Omstreeks 1950 is voor het eerst een windmachine geplaatst. Waarschijnlijk maakte Lambertus van Dam in 1798 een nieuwe windlade voor het rugwerk. Voor het hoofdwerk is dat onduidelijk. De huidige windladen zijn van 1918. Vóór 1918 was de klavieromvang CDEFGA-c3. Dit blijkt uit analyse van het pijpenbestand. De aanwezigheid van het kort octaaf wordt door het notulenboek van de kerkvoogdij bevestigd. In 1918 maakte orgelmakerij Bakker & Timmenga nieuwe handklavieren. Voor het pedaal gebruikte B&T een deel van een ouder voetklavier, waarschijnlijk een restant van het Radersma-pedaal uit 1813. In 1918 werd het register- en speelmechaniek eveneens nieuw aangelegd. Registerknoppen en naamplaatjes werden nieuw geleverd uit Duitsland (Thüringen). Bij de recente restauratie van 2012 is het kunststof ondertoetsbeleg van 1918 vervangen door beenbeleg. Oude regels van registerwalsen van het hoofdwerk zijn voor de draagconstructie van de klavierbak gebruikt. De pijpen in het orgel stammen in meerderheid uit 1918. Op het hoofdwerk stammen de pijpen van de Bourdon 16 voet, de Viola 8 voet en de Holpijp 8 voet geheel uit 1918. De pijpen van de Mixtuur dateren op één na allemaal uit 1798. Van de Octaaf 2 voet zijn alle pijpen uit 1798, maar in 1918 wél opgeschoven. De pijpen van de Trompet 8 voet dateren eveneens van 1798 maar zijn vernieuwd en aangepast door Hardorff (1868) en B&T (1918). De drie overige hoofdwerkregisters kennen pijpen uit zowel 1798 als 1918. Op het rugwerk is het beeld nog diverser. Alleen de Aeoline 8 voet bestaat geheel uit pijpen van 1918. De Praestant 4 voet en de Holpijp 8 voet kennen voor een deel pijpen van Jan Franssen uit 1728, zo ook de Fluit 4 voet (ten dele gemaakt uit ouder pijpwerk). De pijpen van de Praestant 4 voet en de Woudfluit 2 voet dateren deels van 1798 en eerder. Het betreft mogelijk pijpwerk uit 1675 dat later in het rugwerk is geplaatst. De Vox Celeste 8 voet werd voor een belangrijk deel door Hardorff (1881) gemaakt. In 1918 werden op alle rugwerkregisters aanvullingen of veranderingen aangebracht. Voor de details zij verwezen naar de brochure ‘De restauratie van het orgel in de Sint Margarethekerk te Boksum 2011-2013’ (zie hierna).

De toonhoogte was vóór 1918 ongeveer een halve toon boven a1=435 Hz. Lambertus van Dam handhaafde in 1798 zowel de oude klavieromvang als de toonhoogte. Veel pijpen van het hoofdwerk werden door hem toen nieuw gemaakt. Naast de Praestant 8 voet, Octaaf 4 voet, Quint 3 voet, Octaaf 2 voet, Mixtuur, Holpijp 8 voet, Fluit 4 voet en de Trompet 8 voet moet er in 1798 nog een negende register geweest zijn, welk is onduidelijk. Diverse werkzaamheden van Hardorff zijn slechts summier omschreven, maar moeten (gezien de kosten) aanzienlijk zijn geweest. In 1918 werd de toonhoogte een halve toon verlaagd. Het open pijpwerk werd aangepast door opschuiving, het aanbrengen van expressions en/of inkorting. Bij sommige pijpen vonden andere wijzigingen plaats. De frontpijpen werden in 1918 met aluminiumverf bespoten. In 2011-2013 is die verf verwijderd, zijn de frontpijpen van tinfolie voorzien en de labia verguld.

Groeiorgel en kringlooporgel

Het orgel vormt, zoals het nu is, het resultaat van diverse veranderingsprocessen en kan daardoor met recht – in de terminologie van Jan Jongepier – een ‘groeiorgel’ genoemd worden. Omdat bij de verschillende veranderingen steeds oude materialen zijn gebruikt, spreekt adviseur Aart van Beek van een ‘kringlooporgel’. Wanneer welke materialen precies hergebruikt zijn en wat hun oorspronkelijke plaats en functie was, is niet altijd duidelijk. Adviseur Aart van Beek heeft in samenwerking met orgelmakerij Pels & Van Leeuwen zoveel mogelijk details onderzocht om de wordingsgeschiedenis van het huidige orgel te traceren en vast te leggen. Het is zijn voornemen daarover met een uitgebreide publicatie te komen. De informatie over het Boksumer orgel in dit artikel is ontleend aan de brochure ‘De restauratie van het orgel in de Sint Margarethekerk te Boksum 2011-2013’. Deze is uitgegeven door de Stichting Âlde Fryske Tsjerken en geschreven door Aart van Beek.

Huidige dispositie:

Hoofdwerk (C-f3): Praestant 8 voet, Bourdon 16 voet, Viola 8 voet, Holpijp 8 voet, Octaaf 4 voet, Fluit 4 voet, Octaaf 2 voet, Mixtuur 2-4 sterk, Trompet 8 voet.

Rugwerk (C-f3): Praestant 4 voet, Vox Celeste 8 voet, Aeoline 8 voet, Holpijp 8 voet, Fluit 4 voet, Woudfluit 2 voet.

Pedaal (C-d1): aangehangen.

Voorts aanwezig: ventiel en manuaalkoppel.

Goutum

Goutum is een dorp met circa 3000 inwoners in de gemeente Leeuwarden, van de stad Leeuwarden gescheiden door het Van Harinxmakanaal. De afgelopen decennia is het dorp aanzienlijk gegroeid. Door de ontwikkeling van Leeuwarder nieuwbouwwijken, is het dorp in de 21e eeuw grotendeels binnen de stad Leeuwarden komen te liggen. Goutum ontstond in de vroege Middeleeuwen op enkele terpen. Sinds de 14e eeuw stond ten Zuidwesten van de kerk de Wiarda State. Toen de Wiarda State in 1881 in de kranten te koop werd aangeboden, heeft het Fries Genootschap – dat geleid werd door een aantal vermogende particulieren – overwogen de state aan te trekken en er een museum in onder te brengen. Aanschaf en onderhoud waren echter te duur. De state werd op afbraak verkocht en in 1882 afgebroken. Alleen een marmeren gedenkteken met tekst herinnert ter plekke nog aan het monumentale slot, achtereenvolgens het domicilie van de adellijke families Wiarda, Van Eminga en Van Cammingha. De laatste bewoners behoren niet tot het geslacht van de Cammingha’s uit Leeuwarden waaraan Cambuur (Cam = Cammingha) zijn naam ontleend. Rond de kerk bevinden zich een aantal interessante monumentale panden: de blank gestucte pastorie met koetshuis, de kosterij met paardenstalling, een schoolmeesterhuis en een bakkerswoning.

Agneskerk

De oorspronkelijke, 11e- of 12e-eeuwse kerk werd gewijd aan de heilige Agnes en ligt op een terp die rond 1900 deels is afgegraven. Na diverse verbouwingen en uitbreiding met onder andere een gotische zadeldaktoren ontstond de huidige eenbeukige Agneskerk, omgeven door lindebomen en een smeedijzeren hek, een sieraad binnen de oude dorpskern. Restauratie van het oude hekwerk, gemeentelijk monument, wordt voorbereid in samenspraak met de Gemeente Leeuwarden, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Stichting ‘Behoud Kerkelijke Gebouwen in Friesland’. In de noordmuur zijn tufsteendelen van de oorspronkelijke kerk te zien. Rond de neoclassicistische ingang uit de 19e eeuw zijn sporen van een vroegere, met baksteen dichtgemetselde, ingang te zien. De huidige ramen zijn eveneens in de 19e eeuw aangebracht, waarbij de vensters werden verkleind. Aan de buitenzijde is niets te zien van een piscinanis (een diepe muurnis naast het altaar met een afvoer naar buiten) die in 2006 aan de zuidoostzijde binnenin de kerk werd aangetroffen.

Onder de toren bevindt zich een grafkelder uit de 18e eeuw van de familie Van Cammingha. De 15e-eeuwse zadeldaktoren bestaat uit drie geledingen. De onderste is vrijwel niet versierd, in de tweede bevinden zich eenvoudige spitsboognissen en de derde geleding heeft galmgaten in spitsboognissen. De toren moet diverse malen zijn hersteld, getuige de jaartalstenen in de westgevel onder meer in 1631 en 1737. De wijzerplaat vermeldt eveneens het jaartal 1737. De klok uit 1511 die in de toren hangt, is gegoten door Geert van Wou en Johan Schonenborch. Het interieur van de kerk wordt gedekt door een houten tongewelf met trekstangen. Binnen de sluiting van het vijfzijdige koor staat de preekstoel. De kerkenraadsbanken en het doophek zijn bij de restauratie van 2006 verwijderd. De twee wapenborden van de familie Cammingha bleven gehandhaafd.

Tijdens de restauratie van het interieur in 2006 kwamen van onder de vloeren onbekende grafzerken te voorschijn; grafzerken van onder andere de familie Wyarda (Wiarda), bewoners van de afgebroken Wiarda State, en van meestersteen- en beeldhouwer Vincent Lucas (hij maakte onder andere grafzerken in Burgwerd en Weidum). Ter wille van deze grafzerken is toen het ontwerp en de uitvoering van een nieuwe vloer drastisch aangepast. Er is een glazen vloer aangelegd om de zerken te behoeden voor slijtage én zichtbaar te maken in de kerk. In 2006 is verder een oud venster opengebroken en ingevuld met glas in lood, waarin het wapen van Goutum is aangebracht. Ook het raam boven de ingang in de toren is naar de oorspronkelijke vorm teruggebracht. De hal en de voorkerk hebben een ware metamorfose ondergaan, met een geheel andere indeling, een nieuwe trap en een heel bijzondere zoldering. Om de gebruiksmogelijkheden van de kerk te vergroten werd tenslotte een nieuwe toiletgroep aangebracht en een keukentje ingericht.

De heilige Agnes

Agnes is overleden in Rome op 21 januari 254 of 304. Zij stierf als martelares voor het christelijk geloof. Agnes werd als dertienjarige aan heidense goden gewijd maar weigerde zich tegen God te keren. Vele jonge mannen vroegen haar ten huwelijk, maar zij weigerde en zei dat ze al verloofd was met Jezus. Vervolgens werd zij bedreigd, gemarteld en gedood. Zij werd begraven in de buurt van Rome, nabij de weg naar Nomentum. Acht dagen nadat ze aan de Via Nomentana was begraven, werd zij gezien in een gouden kleed, met een verlovingsring van Jezus aan haar vinger en haar rechterzijde een wit lam. In de tijd van Constantijn de Grote is op die plek een kerk gebouwd. Op de plaats waar zij als dertienjarige stierf, liet de paus in de 17de eeuw een kerk bouwen die aan haar werd toegewijd: de “Sant’ Agnese in Agone”.

Ieder jaar worden in deze kerk op 21 januari twee 'Agneslammeren' gezegend. De wol van de lammeren wordt gebruikt voor het pallium van de paus en aartsbisschoppen. Deze pallia worden bewaard in de confessio van de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Agnes wordt gerekend tot de eerste heiligen die in de katholieke kerk werden vereerd. De 21e januari is haar naamdag. Agnes is onder andere de beschermheilige van de verloofde paren, van de kuisheid, van de jonge meisjes en maagden en van de slachtoffers van verkrachting. Zoals bij veel heiligen is ook het leven van Agnes een mix van (halve) waarheden en vrome legenden.

Van Dam-orgel

Het orgel in de Agneskerk dateert van 1864 en is in dat jaar ook betaald. Pas in januari 1865 vond de ingebruikname plaats. Het orgel is in 1983 gerestaureerd door orgelmakerij Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. Het front van het Van Dam-orgel in Goutum is samen met dat van het orgel in Cornwerd een variant van het orgel dat voor de christelijke afgescheiden kerk in Leeuwarden werd gebouwd. Dit Leeuwarder orgel, eveneens uit 1864, verhuisde in 1910 naar de gereformeerde Oosterkerk te Leeuwarden en werd bij sluiting van die kerk in 1989 overgeplaatst naar de gereformeerde kerk vrijgemaakt in Harlingen. Vlak voor kerst 2004 ging het orgel door brand jammerlijk verloren. In het orgel voor de Leeuwarden afgescheiden christelijke gemeente bevonden zich naast de middentoren twee smalle pijpveldjes boven elkaar, in de variant van Goutum en Cornwerd zijn dat er drie.

Uit ‘Vijf eeuwen Friese orgelbouw’ (bladzijde 96-97) en uit het deel 1858-1865 van de NivO-uitgave ‘Het historische orgel in Nederland’ (bladzijde 312-314, 346-347 en 353-354) valt duidelijk op te maken dat het om drie verwante orgels gaat en dat het orgel in Goutum het kleinste aantal registers van de drie heeft, te weten elf, verdeeld over hoofd- en bovenwerk. Het pedaal is aangehangen. Inmiddels zijn er stappen gezet om het orgel in Goutum uit te breiden. De mogelijk daartoe bestaat omdat Van Dam twee plekken heeft gereserveerd voor uitbreiding. De orgelmakerij Bakker & Timmenga is opdracht gegeven een Cornet voor het hoofdwerk te maken. Er zal nader worden onderzocht welk extra register op het bovenwerk geschikt is. Het spreekt vanzelf dat beide nieuwe registers binnen het concept van Van Dam zullen passen. Een wens die Jan Jongepier al ten aanzien van het Goutumer orgel heeft geuit, gaat hiermee in vervulling. De groene kleur van de Goutumer orgelkas is niet origineel. Aanvankelijk was de kas geschilderd in imitatie eiken.

Huidige dispositie:

Hoofdwerk (C-g3): Bourdon 16 voet, Prestant 8 voet, Holpijp 8 voet, Octaaf 4 voet, Roerfluit 4 voet, Quintprestant 3 voet, Octaaf 2 voet, Trompet 8 B/D voet.

Bovenwerk (C-g3): Fluit douce 8 voet, Salicionaal 8 voet, Fluit 4 voet, Gemshoorn 2 voet, Klarinet 8 voet.

Pedaal (C-a0): aangehangen.

Voorts een Manuaalkoppel, Afsluiter Hoofdwerk, Afsluiter Bovenwerk en een Tremulant.

Siebe Reiding & Johan Sjoukema


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard