ok2013menu


  Veranderend Fries orgellandschap Friese Orgelkrant 2013

In het jaar dat verstreek tussen de verschijning van de orgelkrant van 2012 en die van 2013 werden negen Friese orgels gerestaureerd. Al die restauraties zijn belangrijk. Een orgel dat nog wel bestaat maar ‘der dagen zat’ is, verschaft alleen nog vreugde als men er naar kijkt; bij een muziekinstrument is het niet de bedoeling dat het daarbij blijft.

Ontegenzeggelijk is de ene restauratie avontuurlijker dan de andere. Tot de categorie ‘avontuurlijk’ behoren de restauraties van het Heineman- Knolorgel van Boazum en die van het Hillebrandorgel van Raerd. Avontuurlijk ligt dicht bij raadselachtig. De geschiedenis van de orgelbouw in Boazum is nog net zo raadselachtig als vóór de restauratie. Waarom koos men in 1783 voor de tamelijk onbekende Heineman? Waarom is hij ineens verdwenen en maakt Knol zijn werk af? Elders in deze krant wordt beschreven wat de restauratie door Bakker & Timmenga behelsde. Hier zij alleen vastgesteld dat een orgel dat al tientallen jaren volstrekt niet meer inspireerde, nu schittert als een parel aan de Friese orgelkroon. Met de reconstructie van de Nasard en de (terts)Mixtuur op het rugwerk herkreeg het instrument zijn (laat)barokke glans. Unieke elementen op het hoofdwerk zijn de Basson 16 vt en het fluitenpaar Roerfluit 8 vt en Gemshoorn 4 vt, dat zo anders klinkt dan we in de Friese traditie gewend zijn.

[Boazum - restaurateur: Orgelmakerij Bakker & Timmenga;
adviseur: Theo Jellema]

Net zo avontuurlijk als de werkzaamheden in Boazum zijn die in Raerd geweest. Wie het orgel kent van vóór de restauratie wordt allereerst getroffen door de ‘nieuwe’ kleuren: de witte kas (een terugkeer naar een situatie die vermoedelijk in 1871 is ontstaan en de blauwe draperieschildering daarboven). Het resultaat van de wijzigingen die Van Dam aanbracht aan het Hillebrandorgel van 1816 is uitgangspunt geweest voor de werkzaamheden aan het muziekinstrument zelf. Dat hield in dat slechts een in 1919 aangebracht rugwerk-tongwerk moest wijken voor een kopie (naar Marrum) van de Hillebranddulciaan die daar oorspronkelijk stond. De technische onbetrouwbaarheid van het werk dat Hillebrand afleverde in alle plaatsen waar hij werkte, wordt regelmatig benadrukt. In Raerd is te horen hoe mooi zijn werk kan klinken!

[Raerd - restaurateur: Orgelmakerij Reil;
adviseur: Stef Tuinstra]

Met restauraties van de orgels in Kimswerd en Húns wordt het Hardorfferfgoed weer wat zichtbaarder en hoorbaarder in onze provincie. Dat is terecht, want Hardorff is hier een aantal decennia lang zeer aanwezig geweest en hij slaagde erin een serieuze concurrent van de Van Dams te zijn. Het orgel dat hij in 1858 voor Kimswerd maakte, is een imponerend instrument. Zeer origineel is de aanwezigheid van in nissen geplaatste beelden tussen de onder- en de bovenvelden. Luxueus is de dispositie met op het hoofdwerk naast de Bourdon 16 vt een Prestant 16 vt discant en naast de Prestant 8 vt en Holpijp 8 vt een Baarpijp 8 vt; bovendien disponeerde Hardorff op het bovenwerk twee tongwerken, een rijkdom die men verder alleen op sommige stadsorgels aantreft. Die twee tongwerken werden in 1912 door de Adema’s vervangen door twee strijkers, die later weer verdwenen om plaats te maken voor registers van neobarokke snit (Eppinga, 1964). De dispositieverzameling van Broekhuyzen (1850-1862) informeert ons over de namen van de twee tongwerken: ze heetten Voxhuma en Harmonica. Daarmee weten we nog niet hoe die precies gemaakt waren. Na zorgvuldig onderzoek en ampele overwegingen is besloten dat de twee tongwerkplaatsen zullen worden ingevuld met een opslaande Dulciaan 8 vt en een doorslaande Vox humana 8 vt.

Kimswerd - restaurateur: Orgelmakerij Bakker & Timmenga met medewerking van Mense Ruiter orgelmakers voor de restauratie van diverse onderdelen;
adviseur: Theo Jellema]

Het orgel van Húns, in 1875 gemaakt voor Lions en in 1961 in Húns geplaatst, is met zijn acht registers op één manuaal en aangehangen pedaal, een klein instrument. In 1875 bezat het zelfs nóg een register minder; het nu aanwezige tongwerk werd in 1883 door Bakker & Timmenga toegevoegd. Het instrument werd nooit gewijzigd en de restauratie beperkt zich dus tot technisch herstel. De windvoorziening was tot op heden dezelfde als in 1875: een door menskracht bediende pompboom. Deze situatie wordt na de restauratie gecontinueerd.

Húns - restaurateur: Orgelmakerij Bakker & Timmenga;
adviseur: Theo Jellema]

Drie Van Damorgels ondergingen noodzakelijke restauraties: één tweeklaviersorgel en twee éénklaviersorgels. De twee kleine orgels zijn de instrumenten van Ouwsterhaule (1880) en Makkum doopsgezinde kerk (1890). We hebben hier te maken met verwante instrumenten, beide met een fronttype met slechts twee torens, kleine zijvelden en een groot middenveld, dat Van Dam voor het eerst toepaste in 1856 in Oudwoude. Het aantal pijpen in de velden kon Van Dam naar believen variëren. In Ouwsterhaule hebben de zijvelden elk 6 en heeft het middenveld 15 pijpen, in Makkum zijn deze aantallen resp. 5 en 13. Waar het orgel van Ouwsterhaule F als grootste frontpijp heeft en Makkum E en het Makkumer front een onderbouw heeft die in Ouwsterhaule ontbreekt, wordt in Ouwsterhaule de horizontale component in de vormgeving meer benadrukt, in Makkum de verticale. Het aantal registers is in Ouwsterhaule 7½, in Makkum 8½. Beide orgels ondergingen in de loop van de tijd maar heel weinig wijzigingen. Een groter Van Damorgel, maar net als de beide zojuist genoemde een instrument van de derde generatie, het orgel van Hilaard (1875), kwam niet geheel ongeschonden de tijd door. Bij werkzaamheden door Eppinga in 1973 werd een Violon 8 vt discant (hoofdwerk) geofferd voor een 11/3-voetsregister dat niets met het Van Damklankbeeld te maken had. Bij de door gebruiksslijtage en verwarmingsschade noodzakelijk geworden restauratie kon gelukkig de 11/3 vt weer worden vervangen door een historische Violon uit voorraad van de restaurateur. Daarmee is het kleurenpalet van dit orgel weer gaaf en getuigt het weer van de klankidealen van Van Dam in de tweede helft van de 19e eeuw. In droevig contrast met dit restauratienieuws staat de verdwijning uit onze provincie van het Van Damorgel (1869) dat stond in de hervormde kerk van Jirnsum. In de kerk werden al sinds jaar en dag geen diensten meer gehouden. Het orgel is verkocht aan een kerk in Zoeterwoude.

Ouwsterhaule - restaurateur: Mense Ruiter orgelmakers;
adviseur: Theo Jellema.
Makkum - restaurateur: Orgelmakerij Bakker & Timmenga;
adviseur: Theo Jellema.
Hilaard - restaurateur: Orgelmakerij Bakker & Timmenga;
adviseur: Theo Jellema]

Het jongste orgel dat in het afgelopen jaar gerestaureerd werd, is het Reilorgel uit 1959 dat gebouwd werd voor de gereformeerde Kruiskerk in Heerenveen. Het instrument vertegenwoordigt overtuigend de orgelbouwidealen van de neobarok, al werden er uit financiële overwegingen ook een paar registers van Rohlfing, afkomstig uit het vorige orgel van de Kruiskerk (uit 1922), in overgenomen. De 23 stemmen werden verdeeld over hoofdwerk, rugwerk en een in zelfstandige kassen ondergebracht pedaal. Als basisregister van het hoofdwerk koos men een Quintadeen 16 vt. Afbraak van de Kruiskerk betekende het einde van het orgel op deze plaats. Besloten werd het orgel voor Heerenveen te behouden en het een tweede leven te gunnen in de nieuwe, Trinitas gedoopte kerk, die ontstond uit een zeer grootscheepse verbouwing van de Europalaankerk. In een tijd waarin het neobarokke orgeltype op (te) weinig sympathie mag rekenen, verdient deze keuze, waardoor het belangrijkste orgel dat door de stamvader van het huis Reil werd gemaakt bewaard bleef, alle lof!

[Heerenveen - restaurateur: Orgelmakerij Reil]

Begonnen we dit overzicht met een instrument, het orgel van Boazum, met een raadselachtige ontstaansgeschiedenis, eens te meer geldt dat voor het orgel van Boksum. Aart van Beek besteedde aandacht aan het Boksumer orgel en de restauratie daarvan in de Friese Orgelkrant van 2012. Daar werd al duidelijk met hoeveel vraagtekens het instrument is omgeven. Duidelijk is dat het in eerste aanleg van Harmen Jans stamt (1675), maar alleen de hoofdwerkkas getuigt nog van zijn werk. Belangrijke wijzigingen kwamen tot stand in 1728, 1798 en 1918. De in begin 2013 voltooide restauratie is uitgevoerd met respect voor elementen uit alle bouwfases. In het klankspectrum van dit instrument verenigen zich derhalve orgelklanken die bijna twee eeuwen omspannen.

[Boksum - restaurateur: Pels Orgelbouw;
adviseur: Aart van Beek]

TJ


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard