ok2012menu


  “De ronde, zuivere volle toon,
wierd hier bovenmate gehoord”
Friese Orgelkrant 2012

De orgelgeschiedenis van gereformeerd Bolsward tot de ‘samensmelting’ in één gebouw

Inleiding

De gereformeerde kerken in Nederland hebben plaatselijk vaak een roerige start gehad, zowel ten tijde van de Afscheiding in de jaren dertig van de 19e eeuw als zo’n vijftig jaar later bij de Doleantie. Men leze daarover de diverse herdenkingsboeken die in de loop der jaren verschenen zijn bij het jubileum van de afzonderlijke gemeenten. Ook de samenvoeging van beide richtingen tot de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’, formeel in 1892 tot stand gekomen, liep lang niet overal op rolletjes. Verschillen in geschiedenis, mentaliteit en dergelijke zorgden er voor dat in veel plaatsen nog lang de nakomelingen van de Afgescheidenen in de zogenaamde A-kerken samenkwamen en de kinderen van de Doleantie in de B-kerken, waarbij elke ‘denominatie’ zorgvuldig predikanten koos die bij de eigen richting pasten (zij die waren opgeleid te Kampen, dan wel te Amsterdam). Daar kwam dan nog vaak de vraag bij waar men ’in eenheid’ samen zou moeten gaan kerken en, als men besloot een geheel nieuwe kerk te bouwen, waar die dan zou moeten staan. Het duurde soms wel 20 jaar voor men écht samen verder ging, zoals bijvoorbeeld in Kootstertille-Stroobos. Een dergelijke situatie deed zich ook voor in Bolsward, waar de echte plaatselijke ´ineensmelting´ pas plaats vond in 1924, het samen gebruiken van één kerkgebouw nog eens 5 jaar later. Het gevolg was dat de orgelgeschiedenis van veel lokale gereformeerde kerken aanvankelijk dan ook in veel gevallen een tweesporige beginperiode kende. Dat de eerste decennia van de Friese gereformeerde orgelgeschiedenis een periode vormden van bescheidenheid, waarin (daardoor) vaak eenvoudige nieuwe orgels van niet al te hoge kwaliteit werden aangeschaft en veelvuldig ook gebruikte orgels (met een soms nog verassend hoge kwaliteit, al werd dat toentertijd doorgaans niet voldoende onderkend), hebben we al in eerdere afleveringen van de Orgelkrant kunnen lezen, zoals in artikelen over de orgelmakers T.P. Klimstra, E.S. Ypma, J. Proper en Van der Molen. Als sprekend voorbeeld van het voorgaande geven we in dit artikel een beeld van de oudere orgelgeschiedenis van gereformeerd Bolsward.

De kerk van de Afgescheidenen (de latere A-Kerk):

De oorsprong van deze Christelijke Afgescheiden Gemeente gaat terug tot 1835, toen deze door ds. Hendrik de Cock zelf werd gesticht. Van 1839 – 1849 kwam men samen in een lokaal (officieel ingewijd in 1841) aan het Hengstepad (tegenwoordig Broereplein). In 1849 werd een nieuw kerkje gebouwd aan de Witherenstraat. Een groeiende gemeente maakte spoedig de bouw van een nieuwe, grotere kerk in 1866 noodzakelijk. De kwaliteit van dit gebouw liet al spoedig zodanig te wensen over, dat men (vergeefs) trachtte de hervormde Broerekerk te kopen. Na vele jaren aanmodderen besloot men over te gaan tot nieuwbouw op de plaats van de oude kerk. De ingebruikneming vond plaats op 18 juli 1909.

De oudste orgels

De eerste gegevens over een orgel stammen uit 1867, toen de predikant voor fl. 10,- reiskosten had gemaakt in verband met het orgel dat er toen kennelijk kwam of al was (een harmonium?). Het jaar daarop betaalde men fl. 6,40 aan de plaatselijke orgelmaker E.S. Ypma, mogelijk voor een kleine reparatie. In 1869 sprak men nogmaals met Ypma over een (ander) orgel. Men ging vervolgens met een deskundige een orgel bekijken in Alkmaar, vermoedelijk zonder resultaat. In elk geval betaalde men in oktober 1869 fl. 104,- aan L. van Dam, kennelijk voor een door hem geleverd gebruikt orgel (herkomst onbekend). Blijkbaar had men met E.S. Ypma afgesproken dat deze het orgel vervolgens speelklaar mocht maken en eventueel aanpassen aan de nieuwe standplaats. In elk geval werd hem in totaal fl. 400.- betaald voor dat werk. De kosten werden bestreden uit een intekenlijst voor vrijwillige gaven en een toezegging voor een bijdrage door het Gasthuis (fl. 150,-), zodat de kosten (deels) niet ten laste kwamen van de reguliere kerkkas. Vervolgens had Ypma dit (op grond van latere gegevens) vermoedelijk 4-voets instrument geregeld in onderhoud tot 1887, daarna tot 1894 zijn stiefzoon en opvolger W.J. Postma. Alleen in 1884 was er een ‘tussendoortje’ van Van Dam, die fl. 16,- kreeg voor een reparatie. Vanaf 1893 hield organist Nawijn het instrument bespeelbaar. De bouw van een nieuwe kerk in 1909 was ook een goede reden een nieuw orgel aan te schaffen. Dat werd uiteindelijk geleverd door de firma A.S.J. Dekker te Goes. Dit bedrijf werd door Anton Samuel Jan Dekker (1869 - 1918) in 1892 opgericht in Goes en werd na zijn dood voortgezet door twee zonen. Na een korte eerste periode met hoofdzakelijk reparaties, groeide het bedrijf snel uit tot een bloeiende orgelfabriek die in een hoog tempo tegen een lage prijs een groot aantal orgels bouwde, waaronder ook veel in gereformeerde kerken. Het overgrote deel daarvan heeft de tijd niet doorstaan, voor een niet onbelangrijk deel als gevolg van een gebrek aan bouwtechnische en artistieke kwaliteiten, uitzonderingen daargelaten. Het bedrijf heeft bestaan tot circa 1947. Bouwde men aanvankelijk nog mechanische orgels, al vrij vroeg werd overgestapt op pneumatiek en andere systemen. Ook in Friesland vonden diverse Dekkerorgels onderdak, zie bijvoorbeeld het artikel over de orgels in Warns in de Friese orgelkrant 2010.

Een nieuwe standplaats voor het oude orgel

Alvorens nader in te gaan op de geschiedenis van het nieuwe Dekkerorgel in Bolsward kijken we eerst nog even naar de verdere geschiedenis van het oude orgel, dat door Dekker werd ingenomen voor fl. 140,- en - zoals bij Dekker vaker het geval was – als gewijzigde ‘aanbieding’ verkocht werd aan een gemeente met weinig geld, waar men toch een pijporgel wilde hebben. Dat blijkt in dit geval de gereformeerde kerk te Murmerwoude te zijn geweest. Dekker offreerde daar (volgens zijn opdrachtcahier) een gebruikt orgel dat in juli 1910 afgeleverd moest zijn. Het was “gedeeltelijk van Bolsward afkomstig, te weten: blaasbalg, deel voorfront en pijpwerk”. Wat met ‘deel voorfront’ wordt bedoeld, is niet duidelijk. Had het orgel voorheen een onderbouw of werden alleen aanwezige zijvleugels en/of andere ornamenten verwijderd? Nieuw was in elk geval de ‘achterkast’. Als nieuwe dispositie werd voorgesteld:

Prestant 4 vt, Prestant 8 vt discant (nieuwe pijpen van Dekker), Holpijp 8 vt, Gamba 8 vt discant, Fluit 4 vt, Quintfluit 3 vt, Octaaf 2 vt, Fluit 2 vt (?), Mixtuur 3-4 sterk bas/discant.

De (kennelijk nog oude) frontpijpen zouden worden voorzien van aluminiumverf. Deze dispositie geeft vermoedelijk nog een zekere afspiegeling van die van het Bolswarder orgel. Er was zelfs nog een flinke Mixtuur overgebleven. Het instrument, waarover vooralsnog verder niets bekend is, werd te Murmerwoude in 1936 vervangen door een nieuw orgel van Valckx & van Kouteren.

Over het Dekkerorgel voor Bolsward

Over de totstandkoming van dit instrument is het nodige bekend, dankzij bewaard gebleven stukken van de daartoe ingestelde orgelcommissie (waarvan ook organist Nawijn deel uitmaakte), welke na gedane voorbereidingen op 19 oktober 1908 verslag uitbracht. Men had besloten niet te gaan voor een ander gebruikt orgel, maar voor nieuwbouw. Dit zou dan circa fl. 2000,- moeten kosten, `met deze bepaling van orgels met 2 klavieren en aangehangen pedaal´. De aan te schrijven firma´s, te weten Van Dam (Leeuwarden), Van der Molen (Steenwijk), Dekker (Goes), Bakker & Timmenga (Leeuwarden) en Doornbos (Groningen) zouden ook het oude orgel moeten overnemen. Beide laatstgenoemde bedrijven reageerden niet. Van de andere bedrijven wilden Van der Molen en Dekker graag hun plannen komen toelichten. Van Dam zou later reageren (hij kon niet aanwezig zijn). Op een bijeenkomst op 2 oktober 1908 vertelde eerst Dekker (die ook de nodige schriftelijke aanbevelingen had meegenomen) over de door hem gebruikte systemen, waaronder pneumatiek. Het hier toepassen van de voordelen van dit systeem had hij samengevoegd met die van het mechanisch systeem. Mechanische systemen hadden problemen door de invloed van de wisselende vochtigheidgraad op houten onderdelen. Daarom had hij een eigen systeem bedacht, dat al was toegepast in de gereformeerde kerk van Grootegast, waar elk register ‘een eigen windlade’ had. Het was als het ware een variant op een mechanische kegellade, met kleine ventielen in plaats van kegels. Dat orgel moest men zeker gaan zien en beluisteren. Hij kwam met een voorstel ten bedrage van fl. 2480,-, met inname van het oude orgel voor fl. 140,-. De heer Van der Molen onderzocht eveneens het oude orgel en liet daarna tekeningen zien van een vrijwel gereed orgel voor de gereformeerde kerk te Enschede. De klank moest men maar gaan beoordelen bij zijn nog vrijwel nieuwe orgel in de B-kerk te Steenwijk. Een dergelijk mechanisch orgel achtte hij zeer geschikt voor Bolsward. Ook hij raadde pneumatiek af. Zijn offerte bedroeg fl. 2250,-, met overname van het oude orgel voor f. 150,-. Daarnaast waren er nog tekeningen gebracht door Doornbos, maar deze leverde uitsluitend pneumatisch werk en hij viel definitief af, ook door zijn duurdere offerte. Daarna werd een brief van Van Dam behandeld: die vond de richtprijs ´eigenaardig´ en meende dat men maar eens op basis van zijn orgel in Exmorra en andere instrumenten van zijn hand moest bekijken wat voor een orgel zoals in Bolsward minimaal nodig was; hij raadde echter een sterker orgel aan dan dat in Exmorra.

Een kleine orgelreis

Op 8 oktober van hetzelfde jaar begaf de commissie zich naar Exmorra om het eenklaviers Van Damorgel uit 1893 te bekijken en te beluisteren. Men vond het “solied werk, met eene uitnemende blaasbalg. Wat geluid betreft wel mooi, doch over ´t geheel wierden alle registers te scherp[!] bevonden, de ronde, volle toon wierd in dit orgel gemist.” Voor Bolsward zouden enkele registers extra nodig zijn voor voldoende klanksterkte, daarmee zou het wel veel duurder worden. Voor het overige was men vol lof over dit orgel. Op dinsdag 19 oktober bezocht men het Dekkerorgel in Grootegast. Weliswaar was dat een eenklaviers instrument, maar volgens het nieuwe systeem van Dekker en met behulp van twee treden kon men zonder problemen van zacht spel naar forte overgaan. Men was ingenomen met het binnenwerk, met name over het geluid: “(…) dat is voorwaar éénig. De ronde, zuivere volle toon, wierd hier bovenmate gehoord, boven de mechanische, en vooral het register Gamba was enig, ja elk register zoowel de een als de ander, was ene zuivere, ronde, volle toon. Ook de aanbrenging der registers zoowel voor hand als voor voet, waren precies zoo aangebracht als opgegeven was, en waren eene zeer gemakkelijke, vlugge, en degelijke registrering.” Dit instrument had fl. 2000,- gekost.

Op 20 oktober bezocht men de B-kerk te Steenwijk, waar Teke van der Molen, zoon van de orgelmaker, en twee leden van de commissie (Nawijn en Hempenius) het orgel bespeelden. Enkele indrukken: uiterlijk netjes, maar de klank viel erg tegen; het instrument was slechts met inzet van veel spierkracht bespeelbaar, de pedaaltoetsen moesten zelfs worden ´ingetrapt´. De mechaniek van het bovenklavier maakte bovendien enorm veel lawaai en het orgel klonk zeer onzuiver, met name de Trompet was niet om aan te horen! Kortom: een geweldige tegenvaller en dat voor een pas één jaar oud orgel. Hier maakte Van der Molen duidelijk antireclame voor zichzelf!

De keuze was dus niet moeilijk: men verkoos duidelijk het klankbeeld van Dekker boven het laat-klassieke geluid van Van Dam en viel aanvankelijk voor een orgel, volgens systeem-D [dat Dekker zo had gepropageerd] gemaakt. De tweeklaviers versie zou fl. 2480,- kosten, met weglating van het bovenklavier (niet de registers zelf!) zou dat f. 2160,- worden. Gezien het bedrag (fl. 2300,-) waarvoor het tegen brandschade werd verzekerd, heeft men voor deze eenklaviers versie gekozen, maar dan pneumatisch. Dit komt overeen met de opgave in het dispositiecahier, waar bovendien ´systeem D´ is doorgekrast en vervangen door ´pneumatisch´, alsmede met notities van de firma Van Dam in 1928. De dispositie was aldus, afgaande op het bestek (definitief vastgesteld op 28 juni 1909) en opdrachtcahiers (Dekker, respectievelijk Van Dam):

Prestant 8 vt, Bourdon 16 vt, Holpijp 8 vt, “Quintadeen 8 voet of Gemshoorn 8 voet”, Salicional 8 vt, Prestant 4 vt, “Roerfluit 4 voet of Flute Dolce 4 voet”, Mixtuur , Octaaf 2 vt, Trompet 8 vt en nog ´Plaatsruimte voor een register´.

Verder zouden een ventiel, vier drukknoppen en een octaafkoppel worden aangebracht. Klavieromvang: C – f2. Het aangehangen pedaal zou 27 toetsen krijgen (C – d1). Windbediening met een handpomp. Over de kas werd opgemerkt, dat deze van vurenhout zou worden gemaakt, zonder ´topstukken´ (ornamenten op de torens?). De oplevering zou plaatsvinden op 1 juli 1910. Het instrument is daarna vermoedelijk sporadisch onderhouden door organist Nawijn, in elk geval werd begin 1920 Dekker gevraagd enig herstelwerk uit te voeren.

De kerk van de Dolerenden (de latere B-Kerk):

Deze gemeente werd gesticht in 1888. Na aanvankelijk gebruik te hebben gemaakt van een schoollokaal, werd een jaar later een eigen kerk betrokken aan de Wipstraat – Kleine Dijlakker (inwijding op 10 november 1889). In 1890 was in deze kerk al een orgel aanwezig (of kwam er toen), mogelijk een harmonium. Men betaalde toen D. van Renen fl. 4,- als onkosten voor het orgel. In juni 1891 werd fl. 15,- betaald voor een reparatie, verder is over dit instrument niets bekend.

In 1898 bleek de orgelcommissie een pijporgel gekocht te hebben, dat was betaald uit vrijwillige bijdragen, en er werd toestemming verleend dit kosteloos (voor de kerkkas) in de kerk te plaatsen. Het blijkt te gaan om een gebruikt orgel, afkomstig uit de rooms- katholieke parochiekerk te Uithoorn (onder Amsterdam). Dit instrument was volgens de verzameling van Broekhuyzen in 1826 gebouwd door de Amsterdamse orgelmaker L. van den Brink & Zonen en had ruim 25 jaar later de volgende dispositie:

Manuaal, C - f''' Positief, C - f'''
Prestant
Bourdon D
Holpijp
Octaaf
Fluit
Quint
Octaaf
Mixtuur
Sesquialter D
8'
16'
8'
4'
4'
3'
2'
2-4 st.
2 st.
Viola di Gamba D
Holpijp
Fluit
Gemshoorn
8'
8'
4'
2'
Pedaal, C - d ' Speelhulpen
aangehangen drie blaasbalgen
een Koppeling
Afsluiting
Tremulant
Ventiel

Het instrument was te Uithoorn gebouwd in een uit 1782 daterende statie of schuilkerk, welke in 1868 werd vervangen door een veel grotere kerk. Op 18 juli 1868 kwam men overeen met Gebroeders Adema (orgelmakers te Leeuwarden en Amsterdam) het orgel naar dit nieuwe gebouw over te plaatsen en wat aan te passen aan de nieuwe standplaats. Het was de eerste klus van enige omvang voor het twee maanden tevoren in Amsterdam gestichte filiaal van de ons bekende (in 1855 te Leeuwarden gestichte) ‘orgelfabriek’ van de broers Carolus Borremeus en Petrus Josephus Adema. Laatstgenoemde ging dit filiaal leiden en was daartoe ook naar Amsterdam verhuisd. Voor 350 gulden namen ze aan het instrument schoon te maken, te herstellen en te plaatsen in de nieuwe kerk. Tevens werd afgesproken “de registers op zijde te plaatsen”, dat wil zeggen de claviatuur, voorheen aan de voor- of achterzijde, in de zijwand van de orgelkas aan te brengen. Vier jaar later werd het instrument nogmaals gerepareerd door Adema. De daaropvolgende periode tot de eeuwwisseling bracht grote veranderingen in de liturgie (en daarmee in de gebruikseisen van het orgel) binnen de rooms-katholieke kerk. Mede daardoor werd het Van den Brinkorgel als ouderwets en steeds minder bruikbaar ervaren en besloot men over te gaan tot aanschaf van een ‘modern’ instrument. In 1897 sloot men met de firma Maarschalkerweerd een overeenkomst voor de bouw van een nieuw orgel, dat een jaar later werd opgeleverd.

Het oude orgel werd te koop aangeboden. De Leeuwarder orgelmakers Bakker & Timmenga plaatsten het een jaar later (met een eenvoudig uiterlijk en zonder opsmuk, aldus een krantenbericht) in de kerk te Bolsward, na het te hebben voorzien van een nieuwe blaasbalg. Het werd op 27 juli 1898 ingespeeld door B. de Vries, organist van de (hervormde) Grote Kerk.

Samen in één kerkgebouw

Na de samenvoeging van beide kerkgemeentes in 1924 werd besloten een nieuwe kerk te bouwen, de bestaande A-kerk aan de Witherenstraat en de B-kerk aan de Dijlakker werden verkocht. De nieuwe gemeenschappelijke kerk verrees aan de Gasthuissingel en werd op 24 juli 1929 in gebruik genomen. Het orgel uit de B-kerk (dat men kennelijk te ouderwets vond) werd voor fl. 760.- verkocht aan orgelmaker Van der Molen te Steenwijk en niet, zoals wel eens is gesuggereerd, aan de Hervormde kerk te Oldemarkt. Dit was ook niet erg waarschijnlijk, aangezien daar in die jaren, noch in de hervormde noch in de gereformeerde kerk of rooms-katholieke kerk, een ander orgel werd geplaatst. Wat Van der Molen heeft gedaan met het vroegere orgel uit Bolsward is onbekend.

In de nieuwe kerk werd het Dekkerorgel geplaatst uit de A-kerk. Het werk werd uitgevoerd voor een bedrag van fl. 1557,- (betaald in april 1929) door de firma Van Dam uit Leeuwarden (twee jaar tevoren overgenomen door de firma Dekker). In februari 1928 was al afgesproken dat het instrument (qua klank) zou worden versterkt. Op 10 november van dat jaar noemde organist Nawijn nog eens de noodzaak van een andere Trompet en Mixtuur, terwijl ook membranen moesten worden vervangen. De definitieve opdracht werd op 28 november verstrekt. De totale kosten waren aldus vastgesteld op f. 1450,-. De uiteindelijke kosten waren nog iets hoger (zie boven). Het lijkt erop dat het front van het orgel is aangepast aan de architectuur van de kerkzaal. De werkzaamheden door de firma Van Dam begonnen op 15 mei. Een ijverig gemeentelid, de heer Van der Wal, zorgde ervoor dat de beelden en de (front?)pijpen mooi werden ´opgesierd´. De jaarrekening van de kerk vermeldt een jaar later een bedrag van f. 1650,-. Mogelijk heeft het verhelpen van de trage aanspraak nog geleid tot wat extra kosten.

Een kleine beeldenstorm

Na de plaatsing in de nieuwe kerk werd het orgel aanvankelijk nog bekroond met de drie al genoemde beelden: op de middentoren Koning David met de harp (door Bakker & Timmenga in 1898 geplaatst op het orgel van de B-kerk?), op de beide zijtorens een bevallige engel, met in de ene hand een lauwertak en in de andere een trompet (beide beelden mogelijk ook afkomstig van het Van den Brinkorgel). In 1931 vond nog een soort verlate beeldenstorm plaats. Op ‘bijbelse’ gronden (zondag 35 van de Heidelberger Catechismus!) werden de beelden van het orgel (en uit de kerk) verwijderd, waarbij overigens alleen werd gerept over de ‘engelengestalten’. Betekent dit dat ‘Koning David’ deze ‘tempelreiniging’ nog wel heeft doorstaan? De plaatsing van een nieuw orgel in 1953 door Fonteijn & Gaal (II/P/24) heeft hij in elk geval niet overleefd, want dat – nog steeds in de kerk aanwezige – instrument werd voorzien van een ‘tandenborstelfront’, dat qua stijl zeker zo goed harmonieert met het kerkinterieur als het front van het voormalige Dekkerorgel.

Victor Timmer

Geraadpleegde bronnen:
• Archief firma Bakker & Timmenga (Leeuwarden, HCL)
• Archief Gereformeerde kerk Bolsward (Bolsward, gemeentearchief).
• Archief r.-k. parochie St.-Jan, Uithoorn.
• G.H. Broekhuyzen Sr., Orgelbeschrijvingen, Amsterdam 1986.
• K. Jongsma, Dankbaar gedenken, Bolsward 1985.
• P.J.J.M. van Wees, 200 Jaar parochie St. Jan Uithoorn 1782 – 1982, Uithoorn 1992


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard