ok2010menu


  Doopsgezinde orgels in Friesland Friese Orgelkrant 2010


Terwijl in gebouwen van andere kerkgenootschappen al eeuwenlang orgels aanwezig waren, werden die vóór 1800 zelden in doopsgezinde kerken gebouwd. Het eerste doopsgezinde orgel werd 1764 in Hamburg gebouwd, het tweede 1765 in Utrecht. Het merendeel van de doopsgezinde orgels stamt dus uit later tijd, al werden in de negentiende eeuw ook enkele oudere instrumenten geplaatst. In dit artikel beperken we ons tot de orgels die op dit moment in Friese doopsgezinde kerken staan. Daarin zijn instrumenten uit voormalige Friese vermaningen toegevoegd, als bekend is waar het orgel zich thans bevindt. De kerken in Akkrum, Oldeboorn, Poppenwier en Terherne, die niet meer of incidenteel voor kerkdiensten worden gebruikt en in oktober 2007 zijn overgegaan naar de "Stichting Fryske Fermanje" worden meegeteld, evenals de kerk in Jirnsum (in gebruik als expositieruimte en ontmoetingscentrum) en de Julianakerk van Oudebildtzijl (vanaf 1996 "Bildts Cultuurhistorisch Informatiecentrum"). Achtendertig van de vierenveertig doopsgezinde kerken in Friesland hebben momenteel een orgel. In vier gevallen wordt gebruik gemaakt van een elektronisch apparaat. Het fraaie schuilkerkje in Pingjum, een ideale ruimte voor kamermuziek, heeft geen instrument. Het in 1999 in de kerk van Poppenwier geplaatste Van Vulpen-huisorgel, eigendom van de doopsgezinde gemeente Amersfoort, is in november 2009 aan een particulier verkocht. In Poppenwier werden al geen diensten meer gehouden en het orgel stond daar dus ongebruikt.

Een stukje geschiedenis

Het oudste doopsgezinde orgel in Friesland dat zich in een grotendeels originele toestand bevindt, is het door Freytag in 1810 voor de vorige kerk in Bolsward gebouwde instrument. Bij de overplaatsing naar de huidige kerk – in 1851 door Dirk Ypma – verdwenen de drie bovenste toetsen van het pedaal, waardoor de pedaalomvang nu C - b is in plaats van C - d'. Dit is het enige doopsgezinde orgel in Friesland met een 1/6-komma stemming, alle andere orgels zijn evenredig zwevend gestemd.
Twee orgels hebben weliswaar pijpwerk uit de 18e eeuw, maar zijn in de 19e eeuw ingrijpend veranderd. In 1786 bouwde A. van Gruisen een orgel met één manuaal en aangehangen pedaal voor de kerk van de Verenigde Vlaamse en Waterlandse doopsgezinden aan de Singel te Sneek. De toonhoogte van dit instrument was opvallend: a'= 415 Hz, de toenmalige toonhoogte van de orkesten (een halve toon lager dan de hedendaagse orkesten). De meeste orgels in die tijd staan juist een halve toon hoger dan de moderne orkesten, dat wil zeggen een hele toon hoger dan de barokorkesten. In 1838 verenigde genoemde gemeente zich met de Oude Vlamingen; op de plaats van de bestaande kerk werd een nieuwe gebouwd. De architect reserveerde ruimte boven de preekstoel voor een nieuw orgel, dat J.C. Scheuer tussen 1844 en 1847 bouwde. Lade en pijpwerk van het vorige orgel gebruikte hij voor het hoofdwerk. Onderpositief en vrij pedaal waren nieuw. Het vrije pedaal was een initiatief van adviseur S.W. Velds, destijds organist van de Sneeker Martinikerk. In 1975 restaureerde Flentrop het orgel naar de toestand van 1847 met behoud van de toonhoogte uit 1923 (440 Hz), de pedaalkoppel uit 1870 en de manualen uit 1894 (van Van Dam).

Eveneens uit 1786 dateren de kas en een groot deel van het pijpwerk van het orgel te Leeuwarden. In dat jaar leverde Strumphler een instrument met twee manualen en aangehangen pedaal voor het doopsgezinde kerkgebouw "De Zon" in Amsterdam, dat in 1801 naar "De Toren" verhuisde. In 1813 plaatste A. van Gruisen het in Leeuwarden, waar Van Dam het in 1850 overplaatste in het huidige kerkgebouw. In de loop der tijden werden diverse veranderingen aangebracht. In 1991 werd het orgel door Bakker en Timmenga gerestaureerd. Het bevat nu pijpwerk van Strumphler, Van Dam en van Bakker en Timmenga (naar voorbeeld van L. van Dam en Zn). Een nieuwe Bourdon 16 vt voor het tot dan toe aangehangen pedaal en de mogelijkheid het pedaal naar keuze aan het eerste of het tweede manuaal te koppelen, betekenen een grote uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden voor de speler, zonder dat het bestaande klankbeeld wordt aangetast. Een punt ter overweging bij restauraties!

Een ander voorbeeld van een van elders afkomstig orgel stond vroeger in de kerk van Hallum. Dit 18e-eeuwse orgel van de Amsterdamse orgelmaker Hendrik Blötz staat al weer jaren in de lutherse kerk te Winschoten.

In 1828 bouwden L.J. en J. van Dam een nieuw orgel voor de kerk in Franeker. Dit was oorspronkelijk een viervoets orgel. Tweemaal verhuisde het orgel naar een nieuwe kerk: in 1865, waarbij het een achtvoetskas kreeg, én in 1960 waarbij het een modern open front kreeg. Doordat dit orgel steeds is aangepast aan de "eisen des tijds" is het niet op de monumentenlijst geplaatst.
Tussen 1857 en 1916 vindt een ware "boom" aan orgelbouw plaats in de doopsgezinde kerken. Bakker & Timmenga bouwen maar liefst 16 orgels, de firma Van Dam 9 en de Gebr. Adema 1. Met uitzondering van de Van Damorgels in Akkrum en Drachten, die direct twee manualen kregen, kregen al deze orgels één manuaal en een aangehangen pedaal. Dat Bakker & Timmenga het grootste deel leverden, heeft ongetwijfeld te maken met het feit, dat Bakker doopsgezind was en bovendien fungeerde als tweede organist in Leeuwarden.

Verscheidenheid

De schrijver van dit artikel heeft geprobeerd enige wetmatigheden te ontdekken in de samenstelling van de disposities en daartoe de 24 orgels met één manuaal vergeleken, die in grootte variëren van vijf tot elf stemmen.
Vijf orgels van Bakker en Timmenga (Balk, Damwâld, Jirnsum, Âldeboarn en Warns) en het orgel van Adema in Grou kregen een pedaalomvang van C - c'. Holwerd (B & T, 1906) kreeg zelfs een pedaal van C - d'. Zeer merkwaardig is de pedaalomvang in IJlst, namelijk C - bes. De wel aanwezige toetsen b en c' worden gebruikt om een aantal registers tegelijk in of uit te schakelen. Daartoe worden de registerknoppen eerst met een metalen schuifje vastgezet. De bediening van deze fortepiano inrichting maakt zoveel lawaai, dat niemand er gebruik van maakt (behalve ondergetekende bij orgeldemonstraties). De bedoeling van dit systeem is snelle wisselingen tussen sterk en zacht spel (gemeentezangbegeleiding na zacht voorspel of zachte tussenspelen tussen de verzen of tussen de regels) mogelijk te maken.

Stavoren kreeg geen pedaal, de andere vijftien orgels kregen een pedaal met twintig tonen (C - g). Bij de bouw werd niet gedacht aan het spelen van orgelliteratuur, het pedaal werd slechts gebruikt om de bas van de koralen zo laag mogelijk te kunnen spelen. Je zou verwachten dat de orgels met een volledig pedaal van jongere datum zijn dan die met twintig toetsen in verband met een mogelijk toegenomen belangstelling voor literatuurspel. Dit is echter niet het geval. De manuaalomvang bij Bakker en Timmenga is steeds C - f''', bij Van Dam en Adema, die geen volledige pedalen bouwden, C - g'''. Twee orgels (Oudebildtzijl en Stavoren) hebben slechts vijf registers, namelijk Prestant 8 voet, Holpijp 8 voet, Viola di Gamba 8 voet, Octaaf 4 voet en een 2 voet. Twee orgels met zes registers (Hallum en Wolvega) kregen bovendien een Fluit 4 voet. Van de orgels met zeven registers kreeg Gorredijk (1882) een Quint 3 voet. Hollum op Ameland (1903) en Itens (1900) kregen een Voix Celeste. Veenwouden kreeg in 1895 de enige Mixtuur van deze periode. Bij de orgels met acht registers vinden we nog steeds dezelfde registers als bij die met 6 stemmen, maar bovendien treffen we in IJlst (1881) een Cornet en een Quint aan, in Tjalleberd (1888) een Bourdon 16 voet discant en een Quintfluit, in Berlikum (P. van Dam, 1916) een Bourdon 16 voet en een Aeoline. Negen orgels hebben een Cornet in de discant, waarvan drie bovendien over een in bas en discant verdeelde Trompet beschikken. Twee orgels hebben geen Cornet, maar wel die gedeelde Trompet. Slechts op elf van de vierentwintig orgels met één manuaal kan men gebruik maken van de bekende begeleidingstechniek waarbij de melodie in de rechter hand en de akkoorden beneden c' met de linker hand en het pedaal worden gespeeld. Dit heeft de volgende achtergrond: bij die elf orgels komt een Bourdon 16 voet voor, in Makkum en Tjalleberd vanaf c', in Workum vanaf c0, in Damwâld en Holwerd gedeeld in bas en discant. In alle andere gevallen is die Bourdon ongedeeld. Een Bourdon 16 voet discant in combinatie met Cornet of Trompet discant – linkerhand en pedaal zonder 16 voet beneden c' – geeft de melodie, al of niet in octaven gespeeld, meer "Gravität".

Dit is alleen in Damwâld (Damwoude), Holwerd en Makkum mogelijk. Wie een ongedeelde Bourdon 16' bij het koraalspel wil gebruiken zal de melodie zeker moeten octaveren (heel goed te doen bij een psalm, niet zo gemakkelijk bij veel moderne melodieën).
Al deze mogelijkheden voor het spelen "met uitkomende stem" zijn uiteraard overvloedig aanwezig bij de beide direct met 2 manualen gebouwde orgels, die allebei met een onvolledig pedaal zijn gebouwd.

Wijzigingen

Het is interessant te zien, of er ooit wijzigingen aan deze orgels zijn aangebracht en zo ja, welke. In de loop van de 20e eeuw kregen alle (?) orgels een elektrische windvoorziening. Een normaal pedaal met de omvang C - d' kreeg Akkrum al in 1899, Dokkum in 1936, Feanwâlden (Veenwouden) in 1945. Verder zijn de pedalen ongewijzigd. Schrijver dezes zou graag alle halve pedalen vervangen door een normaal pedaal (omvang C - d', desnoods C - c'). Voor serieuze amateurs is dit een enorme vergroting van de mogelijkheden en een stimulans tot studeren. Als je voor het eerst als orgelspelend scholier één van de "8 kleintjes" beheerst, is het toch fantastisch dat ook eens bij een dienst te kunnen doen. Gemeenten die zo'n scholier in dienst hebben zijn te benijden, veel plaatsen moeten het met minder doen. (Zou ik nu verdacht zijn bij de monumentenzorg of bij de lezers van deze krant?) Balk kreeg ooit een Quint 22/3 voet, mogelijk in plaats van een Voix Céleste. In Damwâld verdween in 1930 juist de Quint voor een Aeoline 8 voet, het pedaal kreeg daar in dat jaar een pneumatische transmissie van de Bourdon 16 voet, waarvoor de registermechaniek veranderd moest worden.
Dokkum onderging in 1936 nogal ingrijpende wijzigingen, die in 1979 door Bakker en Timmenga weer ongedaan zijn gemaakt. Gorredijk verloor het fraaie front bij de overplaatsing naar een nieuwe kerk in 1940.

Het Adema-orgel in Grou was een orgel met één manuaal en twee windladen. Door voettreden kan de speler de wind voor één van deze twee laden doorlaten of blokkeren. Dit systeem werd ontwikkeld in de tweede helft van de 19e eeuw om op een éénklaviers orgel klavierwisseling te kunnen suggereren. In 1920 breidden Bakker en Timmenga het instrument te Grou met enkele registers uit, waarbij het pijpwerk over twee manualen werd verdeeld. Heerenveen leverde in 1948 de Melophone 8 voet in voor een Quint, tevens werd toen de Bourdon 16 voet discant geplaatst. In 1962 kwam er tegelijk met een Mixtuur ook de Bourdon 16 voet bas.

In Hollum werd in 1983 het orgel verrijkt met een Klarinet 8 voet, die over was bij de restauratie van het orgel in de Amsterdamse Singelkerk. Jirnsum werd in 1937 onder handen genomen onder auspiciën van de Nederlandse Klokken- en Orgelraad. In 2000 werd het orgel gerestaureerd, waarbij het in originele staat terugkeerde met behoud van de niet-originele Voix Céleste. Âldeboarn werd in 1938 nogal veranderd door N.A. van Dam, deze wijzigingen zijn in 1985 bij een restauratie helaas niet ongedaan gemaakt. In 1936 werd te Warns een Bourdon 16' op de daarvoor gereserveerde sleep geplaatst en in 1946 werd een Tremulant aangebracht. Wolvega kreeg in 1992 een Quint 2B voet.
Pneumatische orgels zijn te vinden in de kerken van Harlingen, West-Terschelling en Terhorne, elektrische unit-orgels in Rottevalle en Koudum. De artistieke waarde ervan is gering, soms zijn ze in slechte staat.

Tot besluit noemen we 4 naoorlogse, mechanische orgels: In 1962 werd in Bovenknijpe de twee jaar eerder gebouwde eersteling van Dam en Iedema (destijds de nieuwe firmanten van Bakker & Timmenga) geplaatst. De dispositie is: Holpijp 8 vt, Prestant 4 vt, Gemshoorn 2 vt, Mixtuur 3-sterk. Alle registers gedeeld in bas (C - b) en discant (c'- f'''); geen pedaal.
Buitenpost beschikt over een orgel van Verschueren uit 1968 met vrijwel dezelfde dispositie, uitgebreid met een Prestant 8 voet discant en een aangehangen pedaal (C - f'). Surhuisterveen beschikt sinds 1980 over het positief (zonder pedaal) dat Klaus Becker uit Kupfermühle in 1975 bouwde voor Nico Verrips, destijds cantororganist in Meppel.

Orgels die verdwenen

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er een aantal kerken afgestoten. Het lijkt bovendien waarschijnlijk, dat er in de komende jaren nog meer kerken zullen worden gesloten. Wat gebeurt er dan met de orgels? Een overzicht:
Te Sint-Annaparochie bouwden Bakker en Timmenga in 1912 een orgel, dat in 1938 vervangen werd door een instrument van Spanjaard. Het binnenwerk is rond 1985 verkocht (aan iemand op Ameland?), achter het front staat een elektronium.
Baard: hier bouwde P. van Dam in 1918 een orgel met één manuaal en aangehangen pedaal. Per 1 januari 1998 werd de kerk gesloten en verkocht als woonhuis. Het orgel bleef staan. Toen de eigenaren tot de conclusie kwamen, dat de aanvankelijke plannen om te leren orgelspelen op niets uitliepen, verkochten ze het instrument in 2008 aan een liefhebber uit Woudenberg, die zelf een groot orgel ging bouwen. Slechts het front staat nog in Baard.

Harlingen: in de vorige kerk bouwde A. van Gruisen in 1811 een orgel, dat in 1858 werd uitgebreid door Van Oeckelen. Het instrument had toen twintig registers, verdeeld over hoofdwerk, onderpositief en vrij pedaal. In de 90er jaren van de 20e eeuw besloot de doopsgezinde gemeente de bestaande kerk door een kleiner gebouw te vervangen. Het orgel werd in 1996 gedemonteerd en opgeslagen door Bakker & Timmenga. In 1999 werd het verkocht aan de Gereformeerde Kerk te Vollenhove, waar het nog steeds niet is geplaatst. Harlingen kocht vervolgens – zonder deskundig advies in te winnen – een klein pneumatisch orgeltje uit 1917 van Marcussen, dat enige jaren later voorzien werd van een aangehangen pedaal.
Poppenwier: Zie aanhef van dit artikel.
Ternaard: hier bouwde orgelmakerij Bakker & Timmenga in 1915 een fraai orgel met één manuaal en aangehangen (half) pedaal. In 2007 werd de kerk, die reeds in particuliere handen was overgegaan, verkocht en tot woonhuis verbouwd. Het orgel werd gekocht door een organist, die het in zijn huis heeft laten opstellen.
In Woudsend bouwde Van Dam in 1919 een orgel. De kerk werd in 1968 afgestoten en is sinds 3 april 1969 in gebruik als restaurant "It Ponkje". Onderdelen van het orgel zijn voor 300 gulden naar Gelderland verkocht, de rest is ter plaatse vernietigd.

Volledige disposities van alle doopsgezinde orgels in Friesland (vaak met een foto en een overzicht van de geschiedenis van het betreffende instrument) zijn te vinden op www.dgorganistenkring.doopsgezind.nl. Voor zover van toepassing is daarbij het monumentnummer, het orgelnummer en het betreffende deel van de Orgelencyclopedie vermeld.

Plan tot redding van waardevolle orgels

Verkoop van overbodig geworden orgels is een moeizame zaak. Als het al lukt, zal de prijs laag zijn. Waarom worden dergelijke orgels niet overgeplaatst naar andere doopsgezinde gemeenten, waar men zich moet behelpen met een elektronisch apparaat van beperkte levensduur of een orgel van geringe artistieke waarde? De Doopsgezinde Werkgroep Muziek in de Kerk zal graag bemiddelen.

Folkert Binnema   


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard