ok2009menu


  Voorjaarsexcursie naar Smallingerland
en Tytsjerksteradiel
Friese Orgelkrant 2009


De voorjaarsexcursie start in Oudega, historisch een interessant dorp omdat het geruime tijd hoofdplaats van de grietenij Smallingerland geweest is. In de Franse tijd kwam daaraan een eind, maar het duurde tot 1826 eer het bestuur van de gemeente definitief naar Drachten werd verplaatst. Aan Oudega als hoofdplaats van de grietenij herinnert nog het voormalige rechthuis aan de Buorren. Het rechthuis uit 1600 werd door een felle brand in de as gelegd, waarna in 1738 een nieuw rechthuis – tevens dorpsherberg – is gebouwd. De opdrachtgevers lieten hun initialen, samen met de geblindoekte Vrouwe Justitia, in de gevelsteen beitelen. Tot 1952 was het pand nog als herberg in gebruik, daarna heeft het verschillende bestemmingen gehad. In 1993 is het grondig gerestaureerd. Verder is Oudega interessant vanwege de Agathakerk, een romaanse kerk daterend van omstreeks 1100. De kerk is daarmee het oudste monument van de gemeente Smallingerland en misschien wel de oudste kerk van Fryslân. Later is de toren vóór de kerk gebouwd.

Smallingerland

Vanaf circa 800 na Christus kent de streek rond Oudega permanente bewoning. Oudega en Boornbergum zijn de oudste plaatsen van Smallingerland, ontstaan op zanduitlopers aan weerszijden van de Smalle Eesterzanding. De naam Smallingerland is afgeleid van Smalle Eesterland en het dorp Smalle Ee, dat aan de Smalle Eesterzanding (= de Smalle Ee) lag. Men gaat er vanuit dat Smallingerland zo rond het jaar 1300 is ontstaan. Er wordt aangenomen dat het daarvóór één geheel vormde met Tietjerksteradeel, dat in 1300 al lang bestond. In 1392 horen we van ene Hera van Smelne die dan optreedt als Grietman van Smellingeradele. Toen Smallingerland in de 9e eeuw definitief werd bewoond, was de kerstening in die contreien al in volle gang. In Smalle Ee ontstond in de 13e eeuw het Benedictijner klooster Smelne. De tufstenen kerk van Oudega is echter ouder dan het klooster Smelne. Door dit klooster werd Smalle Ee een belangrijke plaats waar veel kennis en bestuurservaring geconcentreerd was. Tot omstreeks het jaar 1600 zetelde het grietenijbestuur en de rechtspraak in Smalle Ee. Dit verklaart ook waarom de grietenijnaam Smallingerland van Smalle Ee is afgeleid. Toen in 1580 alle kloosters in Fyslân afgebroken werden verviel Smalle Ee tot een onbeduidende plaats. Het is thans is het kleinste dorp van de gemeente Smallingerland. Niet lang na 1580 vestigde de grietman Van Haersma zich in Oudega. Zeven generaties Van Haersma hebben vanuit Oudega de grietenij Smallingerland bestuurd. Intussen werd Drachten zo groot dat het bestuur vanuit Oudega uiteindelijk in 1826 definitief overgeheveld werd naar Drachten.

Oudega

Eind 16e eeuw wordt het bestuurscentrum van Smallingerland verplaatst van Smalle Ee naar Oudega. Tot 1663 vinden nog in beide dorpen rechtszittingen plaats. Daarna wordt de grietenij Smallingerland tot 1816 vanuit Oudega bestuurd. Als het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden is ontstaan, komt er een eind aan Oudega als hoofdplaats van de grietenij Smallingerland. Vervolgens is gedurende een tiental jaren Opeinde (1816-1826) de hoofdplaats van Smallingerland. Uiteindelijk verplaatst de grietenijraad haar zetel naar Drachten. Dat gebeurt, na een democratische stemming (in 1796) 'tot gerief en dienste der meeste ingesetenen', met als uitslag een meerderheid pro Drachten. Voor de grietman en zijn bijzitters ('wethouders') is het behandelen van rechtszaken één van de belangrijkste taken. Men maakt gebruik van een gerechtskamer, meestal een daarvoor gehuurd vertrek boven een herberg. In Oudega is omstreeks 1600 aan de Buorren een rechthuis gebouwd maar dit pand werd door een felle brand in de as gelegd.

In 1738 wordt een nieuw rechthuis gebouwd. Nu is dit één van de belangrijkste rijksmonumenten in de gemeente Smallingerland (Buorren 11 te Oudega). De opdrachtgevers hebben hun initialen, samen met de geblinddoekte 'Vrouwe Justitia' met zwaard en weegschaal, in de gevelsteen laten beitelen. Tot 1952 blijft het pand als dorpsherberg in gebruik. Daarna is het enkele malen verkocht en gewijzigd, waarbij het van bestemming veranderde. Het pand is in 1993 door de toenmalige bewoners, met financiële steun van de overheid grondig gerestaureerd. Het pand is een belangrijk beeldbepalend onderdeel van de bebouwing in het historisch centrum van Oudega. Het exterieur is nog opvallend gaaf. Thans doet het onder andere dienst als trouwlocatie.

De Sint-Agathakerk van Oudega

De protestantse (voorheen de hervormde) kerk dateert van omstreeks 1100 en is het oudste monument van de gemeente Smallingerland. De kerk is gewijd aan de heilige Agatha, de op Sicilië geboren martelares die de avances van de Romeinse stadhouder afwees omdat zij haar maagdelijkheid aan God had toegewijd. Martelingen leidden tot haar dood in 251. De naam Agatha is afgeleid van het Griekse woord agathos, wat 'de goede' betekent. Zij zou beschermen tegen brand en bliksem. Haar feestdag valt op 5 februari. Ondanks wijzigingen en een reconstruerende restauratie in 1921 biedt de kerk een goed voorbeeld van fraaie romaanse bouwkunst. Zij werd oorspronkelijk in tufsteen opgetrokken. Bij de restauratie werd de gotische – met rode baksteen gedichte - ingang in de noordmuur gehandhaafd. De gotische ingang in de zuidgevel werd in 1921 gerestaureerd. In de 14e eeuw is de kerk met een rechtgesloten koor verlengd, zuidelijk met baksteen, noordelijk met hergebruikte tufsteen. De sluitmuur van het koor is in 1599 vervangen. In dat jaar vond een grote verbouwing plaats. Door de opkomende bloei van Oudega, dat niet veel later hoofdplaats van Smallingerland zou worden, was er kennelijk genoeg geld voor een dergelijke ingreep. Vóór 1599 werd de toren mogelijk verhoogd. In het tegenwoordige koor is een aparte avondmaalsruimte, door een laag hek gescheiden van preekstoel en dooptuin. In de kerk is een boekje ('Monument van de Maand', jaargang 5 deel 3) verkrijgbaar dat uitgebreid over de rijke bouwgeschiedenis van de kerk vertelt.

De kerk had aanvankelijk geen toren, maar in het midden van de 13e eeuw werd een romaanse toren van baksteen met een tufstenen omkleding tegen de kerk aan gebouwd. Door het ongelijk inklinken van de fundering wijken toren en kerkschip tegenwoordig van elkaar. Door de ontstane spleet is te zien dat de geveldecoratie van de kerk achter de toren doorloopt. In 1716/17 is de kerk op initiatief van de familie Haersma eveneens verbouwd. Tijdens deze verbouwing werden onder andere gebrandschilderde ramen aangebracht. Zij tonen wapens van bestuurscolleges van leden uit het geslacht Haersma. Ook zou toen een klok zijn vervangen. De tufstenen torenspits is in 1888 door een bakstenen tentdak vervangen.

Het traditioneel aandoende meubilair en de lambrisering van de kerk dateren uit 1921. Toen werd ook het met art deco schilderingen gedecoreerde tongewelf aangebracht. De preekstoel met klankbord is 17e-eeuws. De kuip is versierd met gegroefde hoekzuilen en toogpanelen. Aan de kansel zijn twee koperen armen met elk twee blakers naast de bijbellezenaar bevestigd. Deze droegen tijdens de middag- en avonddiensten de kaarsen die de predikant bij de schriftlezing moesten bijlichten. De herenbank van de Haersma's tegenover de preekstoel dateert eveneens van de 17e eeuw. De familie Haersma liet de kerk elf dominerende rouwborden na. De laatste restauratie van de Sint-Agathakerk vond plaats in 1974. Het metselwerk van toren en hele stukken kerkmuur moesten worden vernieuwd. Daarnaast werd ook het interieur opgeknapt. Doel was het conserveren van de bestaande architectonische situatie.

Toren en klok

De 13e-eeuwse toren kent drie boven elkaar gelegen ruimten, in vroeger tijden elk met een gemetseld gewelf overdekt. Alleen het onderste gewelf is nog intact. De klokkenstoel is dwars door het bovenste gewelfveld heen gebouwd en heeft twee klokken. Dat duidt erop dat de klokken waarschijnlijk eerst in een klokkenstoel naast de kerk hebben gehangen. De begane grond van de toren heeft lange tijd dienst gedaan als ruimte om gevangenen op te sluiten. Het blok waarin de gevangenen werden vastgezet, is er nog altijd. Van de twee klokken behoort de kleine tot één der oudste van Nederland en wordt vanwege zijn model gedateerd rond het jaar 1200. Deze zogenoemde bijenkorfklok heeft een doorsnede van 99 cm en een gewicht van 760 kilogram. Er is geen randschrift op de klok, enkele een versiering. Daardoor weten we niet wie de gieter is. Klokken werden vaak ter plaatse dat wil zeggen in of bij de toren gemaakt. In de late middeleeuwen namen zelfstandige en vaak rondreizende ambachtslieden dit klokkengieterswerk van monniken over. Geleidelijk vestigden dezen zich in steden. Leeuwarden is een belangrijk klokkengieterscentrum geweest met gieters als Hans Falck van Neurenberg, Noteman en Overney. In die tijd werden ook grotere klokken dan voorheen vervaardigd. De Salvatorklok (1577) van de Martinitoren in Groningen heeft een doorsnede van meer dan 2 meter.

In de Middeleeuwen gold de kerkklok als symbool van de prediking en de klepel zou de stem van de predikers in het nieuwe testament symboliseren. Klokken werden ook gewijd. Daarnaast was de functie het aangeven van gebedstijden in de kloosters en kerken. De kerk had het klokkengebruik overgenomen uit de tijd vóór het christendom. In Oudega wordt nog steeds wordt iedere morgen de kleine klok geluid om negen uur, een tijdsein om de eerste schafttijd voor werklieden op het land aan te geven. Dit gebeurt handmatig door het zeer actieve klokluiders gilde van Oudega, want een mechanisch luidapparaat is niet aanwezig. Op zaterdagavond wordt er om 19.00 uur geluid. Enerzijds is dit het aangeven van het einde van de werkweek, anderzijds het inluiden van de zondag. Dit gebeurt met twee klokken in een speciale luidslag, het zogenoemde 'vierkant luiden'. Het is in de wijde omtrek goed te horen. De 'klokslag' bepaalde vroeger ook het rechtsgebied van een dorp. De tweede klok in de 13e-eeuwse toren werd in 1949 gegoten door Jacobus van Bergen uit Midwolda. Deze klok verving een in de oorlog geroofde klok van Jan Albert de Grave uit 1716. In het boekje 'Monument van de Maand', jaargang 5 deel 3 is meer over de klokken te lezen.

Het Van Damorgel (1875)

De verbouwing van de kerk rond 1875 was tevens aanleiding voor de plaatsing van een orgel en het afscheiden van een portaalruimte onder de orgelgalerij. Het orgel werd gebouwd door L. van Dam & Zn uit Leeuwarden voor een bedrag van fl. 2960,-. Het had negen registers, één manuaal en een aangehangen pedaal, In 1922 werd het orgel door de orgelmakerij Bakker & Timmenga met een romantisch klinkend bovenwerk vergroot. De Quint 3 vt werd toen vervangen door een Viola 8 vt. Na zestig jaar zonder noemenswaardige problemen te hebben gefunctioneerd, deden de eerste slijtageverschijnselen zich voor en was een restauratie onontkoombaar. Het orgel werd op 30 maart 1990 weer opgeleverd door de firma S. Haarsma te Drachten, die het orgel onder adviseurschap van ir. C. Zijlstra uit Drachten 'renoveerde'. De heer Haarsma was op dat moment ruim 35 jaar organist van de (hervormde) kerk in Oudega. De restauratie omvatte volledig technisch herstel van de windladen, windvoorziening en tractuur. Het orgel kreeg een vrij pedaal en een aantal romantische registers uit 1922 werd vervangen door stijlgetrouwe Van Damregisters uit de bouwperiode. De plaatsing daarbij van het tongwerkregister Dulciaan 8 vt komt dubieus voor. In vroeger werk plaatste Van Dam weliswaar een dergelijk register (Grou en Witmarsum), maar latere orgels kregen een doorslaande Klarinet 8 vt op het bovenwerk. Orgelbouwer Haarsma hoopt nog eens in de gelegenheid te zijn de Dulciaan door een Klarinet te vervangen. De orgelkas, die sterk vervuild en verkleurd was, is door de firma Jacobi uit Drachten opnieuw geschilderd in de authentieke imitatie-eiken kleur. Goudkleur op het snijwerk en gouden biezen op de panelen hebben de orgelkas haar fraaie front weer teruggegeven. De restauratie kostte bijna fl. 100.000,-. Dat bedrag is door de hervormde gemeente bijeengebracht. Rijkssubsidie werd niet aangevraagd. Na de officiële overdracht kreeg Piet Wiersma (destijds organist van de Grote of Sint-Nicolaaskerk in Monnickendam) de gelegenheid het instrument te demonstreren. Hij begeleidde tevens de saxofoniste Titia Haarsma – van Houten in enkele werken. Voor de huidige dispositie van het orgel in de Sint-Agathakerk verwijzen we naar 'Vijf eeuwen Friese Orgelbouw' van Jan Jongepier.

Afscheiding en doleantie in Oudega

Oudega kent ook een gereformeerde kerk. Het huidige kerkgebouw aan de Buorren werd in 1910 in gebruik genomen. De oorspronkelijke - christelijke gereformeerde - kerk stond elders in het dorp en werd in 1910 verkocht aan de christelijk gereformeerde gemeente in Drachten. Steen voor steen werd die kerk afgebroken en per schip van Oudega naar Drachten vervoerd om daar weer te worden opgebouwd. Thans heeft het gebouw geen kerkelijke bestemming meer. Sinds januari-februari 1836 waren er in Oudega en enkele dorpen in de omgeving afgescheiden gemeenten. Hun verboden bijeenkomsten werden doorgaans door een 'oefenaar' geleid. Na een moeilijke beginperiode werd op verzoek van enkele ouderlingen dominee De Haan uit Wouterswoude gevraagd van de afgescheidenen een echte gemeente te maken. De beschikking over een eigen kerkgebouw en predikant waren belangrijke wensen. In 1841 trad dominee De With als eerste afgescheiden predikant in Oudega aan. In de loop van datzelfde jaar werd een kerkgebouw, dat in 1910 haast letterlijk naar Drachten zou verhuizen, aan de Achterweg betrokken. Een gedenksteen in de zuidgevel van het gereformeerde kerkgebouw aan de Buorren herinnert aan de eerste 'gereformeerde' kerk te Oudega uit 1841. De periode van de Doleantie is in Oudega en veel andere dorpen van Smallingerland kennelijk rustig verlopen. De afgescheiden kerk is in 1892 – zoals enkele Oudegaasters het omschreven – geruisloos de gereformeerde kerken in Nederland binnengegleden. De gereformeerde kerk is in 1980 gerestaureerd. In 2010 zullen de gereformeerde en hervormde gemeente gefedereerd zijn. Beide kerken in het dorp blijven voor de eredienst in gebruik, zo is het voornemen. In 1919 bouwde de firma A.S.J. Dekker uit Goes het orgel in de gereformeerde kerk. Het kostte destijds fl. 3553,-. In 1981 en in 1993 is het orgel vergroot door S. Haarsma uit Drachten. Momenteel heeft het instrument 19 stemmen verdeeld over twee manualen en een vrij pedaal.

Twintigste en éénentwintigste eeuw

Naast een kerkelijke afscheiding kreeg Oudega in de jaren '30 van de vorige eeuw ook te maken met het fenomeen 'evangelisatie'. De neergang van de vrijzinnig hervormde kerk ging gepaard met een gestage groei van het aantal evangelisatieleden. De orthodox hervormden stichtten een eigen onderkomen. Toen dit werd afgebroken, kwam er een nieuw onderkomen. Circa 1960 benaderde de hervormde kerkenraad de evangelisatieleden met het verzoek, op hun voorwaarden (!), weer terug te keren in de schoot van de Nederlandse hervormde kerk, hetgeen gebeurde. Het evangelisatiegebouw werd daarna ingericht als bibliotheek en later tot eengezinswoning verbouwd. In 2003 zaten zowel de gereformeerde als de hervormde gemeente zonder predikant. Er kwamen gesprekken op gang om de samenwerking intensiever te maken. Het was hét moment om samen één predikant te beroepen en toe te werken naar een federatie. Er werd afgesproken dat de twee gemeenten gestalte wilden geven aan een intensieve samenwerking in het kerkelijk leven te Oudega. Dit besluit kwam van onderop, vanuit beide gemeenten zelf. Eind 2003 deed de eerste gezamenlijke predikant zijn intrede. Na 167 jaar had Oudega weer één dominee. In beide gemeenten is inmiddels een stappenplan goedgekeurd, waarin beoogd wordt om in 2010 het federatieproces af te ronden.

Nijega

Naast Oudega en de hoofdplaats Drachten telt de gemeente Smallingerland nog twaalf dorpen. De kleinste zijn Goëngahuizen en het eens zo belangrijke Smalle Ee met 73 respectievelijk 56 inwoners. Nijega, dat wat weggestopt ligt achter het viaduct Nijegaasterhoeke in de tweebaansweg Drachten Leeuwarden, telt 500 inwoners. Thans vormt het en zelfstandige kerkelijke gemeente. Lange tijd was Nijega samen met het buurdorp De Tike – aan de andere kant van de N31 gelegen – één kerkgemeente. Nijega is een middeleeuws streekdorp dat in 1861 zijn huidige naam kreeg. De kerk staat in het Westelijke uiteinde van het dorp. Vroeger was dit ook al het geval. Tegenwoordig lijkt de dorpskern naar het plein bij de kerk te zijn verplaatst. Al vele eeuwen heeft op die locatie - dat wil zeggen op dezelfde plaats als de tegenwoordige kerk – een kerkgebouw gestaan. Mogelijk was er vóór de kerstening al een 'heidense' offerplaats. Grote gletsjerstenen in de fundering onder de huidige kerkmuren duiden daarop. De voorganger van de huidige kerk was een eenvoudige zaalkerk zonder toren uit de 13e of 14e eeuw. Op een tekening uit 1722 van de Amsterdamse kopiist Jacobus Stellingswerf is nog iets van de bouwstijl van de oude kerk te zien. De kerk was oorspronkelijk toegewijd aan Onze Lieve Vrouwe of – net als in Oudega – aan de Heilige Agatha. De kerk had geen toren, ten zuidoosten van de kerk stond op het kerkhof een klokkenstoel met twee luidklokken. Wanneer deze klokkenstoel is geplaatst, is onbekend maar in 1658 wordt een reparatie van het klokhuis vermeld. Deze kerk wordt enkele malen verbouwd, onder andere in 1726 en 1779. Twee gedenkstenen in het torenportaal van de huidige kerk maken melding van verbouwingen in de 19e eeuw. In 1893/94 kwam onder leiding van de gemeentearchitect Duursma uit Drachten een nieuwe kerk tot stand, een zaalkerk met mix van neoclassicistische en neorenaissancistische elementen.

De achterkant is een gestukadoorde topgevel met twee hoeklisenen met achtkantige pinakel en spits. De zijmuren van het schip zijn uitwendig gestukadoord met op de hoeken aan de voorzijde spitsjes. In de nieuwe ramen bevindt zich glas in lood. De voorkant van de kerk is evenals de toren in schoon metselwerk uitgevoerd. De toren, eveneens in 1893 gebouwd, heeft een ingesnoerde naaldspits en is verlevendigd met gepaarde rondboogvensters en sierlijk omrande galmgaten. Opvallend is dat de toren aan de oostzijde van de kerk staat. In de toren bevinden zich twee luidklokken waarvan de grootste (van 1381) afkomstig is uit de klokkenstoel van weleer. Op deze klok staat: 'Anno Dmi MCCCLXXXI'. Oorspronkelijk hing er een nog grotere klok uit 1783 in de toren. In 1942 werden beide klokken door de Duitse bezetter gevorderd en na de Tweede Wereldoorlog keerde alleen de klok uit 1381 terug. Tot 1957, toen het kerkinterieur vernieuwd werd, had de toren van Nijega daarom maar één klok. In december 1957 werd een nieuwe, kleinere klok in gebruik genomen. Deze klok werd evenals het uurwerk vervaardigd en geïnstalleerd door de firma Van Bergen uit Heiligerlee. Op de in de oorlog verloren gegane klok uit 1783 stond een uitgebreide tekst met twee paar wapens van H.L van Haersma (grietman), van F. Wytses (dorpsrechter van Oudega), én van H.L. van Haersma en zijn echtgenote C. Scheltinga. In deze traditie liet de kerkvoogdij in 1957 op de nieuwe klok ook een opschrift aanbrengen: 'centen hiervoor kwamen uit nijega – de tike samen de kerkvoogden l. koopmans, c. witzenburg, k. tjepkema kerstmis 1957'. De kerk van Nijega is sinds 1996 rijksmonument. Daarnaast zijn de oude klok uit 1381 en het gietijzeren hekwerk om de kerk en het kerkhof (uit 1894) eveneens rijksmonument.

Het orgel van Nijega

In 1893 wordt ook besloten tot de aanschaf van een orgel. In 1894 wordt het opgeleverd door de orgelmakerij Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. Het orgel heeft een karakteristiek front dat bijna twintig keer door Bakker & Timmenga is gebruikt en dat werd ontleend aan het werk van de orgelmakers Gebr. Adema, die het op hun beurt afleidden van fronten die Van Dam rond 1850 gebruikte. Het orgelfront in Nijega kent drie ronde torens en holle gedeelde tussenvelden met rondbogige benedenetages en korte bovenetages. Voor de decoratie die van een gebruikelijk model is, zij verwezen naar 'Het historische orgel in Nederland', deel 1886 – 1894, bladzijde 356. Hier zijn over dit in 2003 gerestaureerde tweeklaviers instrument met 12 stemmen en een aangehangen pedaal ook andere bijzonderheden te vinden.

Garyp (Garijp)

In het dorpshuis It Geahûs, vlakbij de gereformeerde kerk, kan de lunch worden gebruikt. Het dorp met bijna 2000 inwoners was oorspronkelijk een langgerekt streekdorp, maar is in de 20e eeuw zo 'verdicht' dat het nu meer op een komdorp lijkt. Een bron uit het einde van de 18e eeuw vermeldt, dat in Garyp en directe omgeving in de 15e en 16e eeuw veertien stinsen of versterkte sloten gestaan zouden hebben. Dat moet sterk worden betwijfeld. Voor zover bekend waren er in 1622 drie stinsen en in 1721 nog maar één. Van de drie uit 1622 heette er één Scroetsmastins. Eind 15e eeuw en rond 1530 zouden hier grietmannen uit het geslacht Scroetsma gewoond hebben. Ten zuiden van Garyp, net aan de andere kant van de weg N31, ligt het buurtschap Siegerswoude. Vroeger was Siegerswolde een zelfstandig dorp met een klooster en kerk. Na de alteratie van 1580 werd het klooster opgeheven. Klooster en kerk werden op last van de overheid vernietigd. Na de reformatie vormde Garyp aanvankelijk samen met Suameer en Eernewoude één kerkelijke gemeente. In 1852 kreeg Eernewoude een eigen predikant en in 1870 werden Suameer en Garijp zelfstandige kerkelijke gemeenten. Eind 18e en een groot deel van de 19e eeuw kende Garijp in tegenstelling tot een groot deel van Fryslân voornamelijk rechtzinnige predikanten. Niettemin brachten de jaren 1886/87 grote kerkelijke beroering in Garyp. De Garypster predikant in die jaren ging met de hele kerkenraad en het overgrote deel van de gemeente met de Doleantie mee. De dolerende gemeente gebruikte de hervormde kerk, die daardoor voor anderen gesloten was. Die moesten uitwijken naar de openbare school in het dorp. Het kwam tot processen, die door de dolerende gemeente werden verloren.

Er moest dus een eigen, gereformeerde kerk worden gebouwd. Het huidige gereformeerde kerkgebouw, de Andreaskerk, is van 1962. De hervormde Petruskerk dateert van 1838. Al rond 1100 moet hier een eerste kerk gestaan hebben. Tot voor kort hadden beide gemeenten nog een eigen predikant. Nu zijn zij allebei voorganger van de protestantse gemeente. In 1993 zijn beide kerken 'Samen op Weg' gegaan en in 2002 werd er gefedereerd, waarna in 2004 de Protestantse Gemeente Garyp in wording tot stand kwam. In 2006 werd tot Protestantse Gemeente Garyp gefuseerd. Garyp kant voorts een (vacante) hersteld hervormde gemeente.

Hurdegaryp (Hardegarijp)

Garyp en Hurdegaryp liggen allebei in de gemeente en vroegere grietenij Tytsjerksteradiel. Burgum met bijna 10.000 inwoners is de hoofdplaats. Garyp heeft ongeveer 1900 inwoners. Hurdegaryp is met 5000 inwoners het op één na grootste dorp van de gemeente. Hurdegaryp dat aan in 1866 aangelegde spoorlijn Leeuwarden – Groningen ligt, heeft niet altijd op de plaats gelegen waar het tegenwoordig ligt. De naam Hardegarijp komt waarschijnlijk van: (a) harde (b) streek (gea) op een (c) smalle landstrook (Latijn: ripa). In de 11e en 12e eeuw trokken veel mensen naar hoger gelegen gebieden, in Hardegarijp vooral naar het gebied ten zuiden van de huidige dorpskern. Daar stond ook de dertiende-eeuwse, door Cisterciënzers uit kloostermoppen opgetrokken kerk. In de omgeving stond eveneens lange tijd een molen. Weer later trok men vandaar naar de zandrug waar nu de Rijksstraatweg is en toen ook al een weg liep. Begin 1600 was daar sprake van een kleine buurtschap, die later de kern van Hardegarijp zou worden. De bevolking van Hardegarijp was agrarisch gericht, maar heeft zijn opkomst mede te danken aan de veenderijen er omheen. In 1830 werd rijksweg naar Groningen aangelegd. In het midden van de 20ste eeuw beleefde Hardegarijp een groeiperiode doordat veel luchtmachtpersoneel van de vliegbasis Leeuwarden er kwam wonen. Hurdegaryp – zoals het sinds 1989 officieel heet – groeide uit tot een forensendorp.

De Hofkerk

De hervormde (nu protestantse) kerk aan de Rijksstraatweg heet sinds 2003 de Hofkerk. Volgens de gedenksteen boven de ingang in de noordmuur werd de kerk in 1711 gebouwd door timmerman Eilof Johannes uit Wyns. In de Hofkerk bevinden zich een aantal grafzerken. Grietman Olfert van Lezaen liet eind 16e eeuw de state Galeslot of Galesloot in Hardegarijp bouwen. De grafzerken van deze grietman, zijn vrouw, schoonzoon Jan van Roorda ( 1657) en kleinzoon Watze van Roorda ( 1670) zijn in de kerk aanwezig. Lange tijd woonde een familie Reitsma op de state. Van deze familie bevinden zich eveneens grafzerken in de Hofkerk. In de kerk bevindt zich recht tegenover de kansel een prachtig gesneden eikenhouten herenbank met een overhuiving, uit het derde kwartaal van de 17e eeuw, die bij de voorste hoekpunten op twee Corinthische zuilen rust en aan de achterkant in de muur is bevestigd. De rugleuning bestaat uit allemaal paneeltjes. De bank met bovenop het wapen van Roorda is mogelijk gemaakt voor Watze Roorda. Helaas is de bank niet helemaal meer in originele staat. De fraaie preekstoel in de Hofkerk is rijk gesneden. De kuip van de kansel met prachtige panelen en Corinthische zuilen is gemaakt in de jaren 1668 – 1670 en misschien nog afkomstig uit de vorige kerk die aan de Zomerweg stond. In deze 'voorganger' vervaardigde Focke Idses, een beeldsnijder uit Leeuwarden, de panelen. Of hij ook de rest van de preekstoel heeft gemaakt, is onbekend. Op de kuippanelen zijn gesneden evangelistensymbolen te vinden: de engel voor Mattheus, de leeuw voor Marcus, de os voor Lucas en de arend voor Johannes. Op het vijfde paneel staan de tafelen der wet afgebeeld, symbool voor het oude testament. De tafelen rusten op de ark des verbonds die op zijn beurt steunt op een voetstuk met de voorstelling van Abrahams offer. Alle evangelistensymbolen op de kansel dragen een bijbelboek. In de rijke omlijstingen zijn inktpotjes en -kokers met ganzenveren en pennen aangebracht. Een bijzonder voorwerp aan de kansel is de zandloperhouder. De versieringen op de panelen van de kanselkuip vormen geen eenheid met de overige ornamenteringen. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de kansel wellicht in het eerste kwart van de 20e eeuw is gewijzigd.

Het éénklaviers orgel in de Hofkerk is in 1879 gebouwd door de zonen Van Oeckelen, die na 1878 de orgelmakerij van hun vader Petrus van Oeckelen uit Haren voortzetten. Het orgel kwam op de plaats waar nu de galerij is. In 1967 werd het orgel door orgelmakerij Bakker & Timmenga uit Leeuwarden gerestaureerd en uitgebreid met een mixtuur. Deze restauratie werd mogelijk na bemiddeling door de Piet Post, van 1949 tot 1979 cantororganist van de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden. In 1981 werd het orgel verplaatst naar de oostkant van de kerk. Een tweede herenbank in de kerk werd daartoe verwijderd en naar de kerk van Finkum overgeplaatst. Het front van het orgel wijkt in meerdere opzichten af van het prototype. De frontdecoratie draagt uitgesproken Van Oeckelen kenmerken. Karakteristiek zijn de scheidingslijsten in de velden met golfranken en een breed plantaardig motief als centraal element. Verder zijn bladtakken en rankwerk te zien. De bovenetages van de tussenvelden worden afgesloten door een draperie die aan de buitenzijden over het pijpwerk hangt. Elk vleugelstuk bestaat uit een S-rank die zich op gecompliceerde wijze vertakt en waarin muziekinstrumenten zijn opgenomen. Op de torenvelden is nog enig rankwerk aangebracht. Op de middentoren is een lier te zien. Deze kunsthistorische aspecten zijn te vinden 'Het historische orgel in Nederland; deel 1878 – 1886'. Daarin is ook de dispositie van het orgel te vinden, net als in 'Vijf eeuwen Friese orgelbouw' van Jan Jongepier.

De gereformeerde kerk in Hurdegaryp

Jarenlang kende Hardegarijp een bloeiende – overwegend vrijzinnige – hervormde gemeente. Het dorp kende enkel een openbare lagere school. De predikant van de hervormde gemeente was voorzitter van de oudercommissie van de openbare school en gaf er tevens godsdienstonderwijs. Afscheiding en doleantie beroerden kerkelijk Hardegarijp niet of nauwelijks. Toen het meer orthodoxe deel van de hervormde gemeente toenam, werd in 1931 het evangelisatiegebouw aan de Rijksstraatweg in gebruik genomen. Wie bij een andere kerk hoorde, kerkte in een naburig dorp. De enkele gereformeerden die het dorp destijds telde, kerkten eerst in naburige dorpen. Pas ruim na 1945 komt er in Hardegarijp een gereformeerde gemeente van de grond. Op 2 juli 1959 vond de instituering van de gereformeerde kerk te Hardegarijp plaats. De nieuwe kerkgemeente omvatte Hardegarijp, Rijperkerk, een deel van Tietjerk (inclusief Zwartewegsend). De eerste officiële kerkdienst van de nieuwe gemeente was op 26 juli 1959, in een noodkerk aan de Stationsweg met in totaal 160 zitplaatsen. De banken waren afkomstig uit de Noorderkerk te Drachten. Al direct waren er plannen voor de bouw van een nieuwe kerk en reeds in het begin van 1960 werd met de uitvoering daarvan begonnen. Op 23 december 1960 vond de openingsplechtigheid van het nieuwe kerkgebouw aan de Swagermanstraat plaats. In 1967 werden bij de kerk een kerkelijk centrum en een pastorie gerealiseerd. Op 21 april van dat jaar werd het kerkelijk centrum, dat de naam 'Perspectief' kreeg, feestelijk geopend. In de zeventiger jaren begon het proces van toenadering tussen gereformeerden en hervormden. Niet zozeer in Hardegarijp, maar wél in Rijperkerk (Ryptsjerk) en Tietjerk (Tytsjerk). De gereformeerden in deze twee dorpen gaven te kennen verder samen te willen gaan met de hervormde gemeenten. Zij die eind jaren vijftig nauw betrokken waren geweest bij het ontstaan van de gereformeerde kerk in Hardegarijp, gingen nu in hun eigen dorp verder met de hervormden. Niettemin was de nieuwe kerk aan de Swagermanstraat te klein. De gemeente vroeg in juli 1982 een vergunning aan om Perspectief te verbouwen en uit te breiden. Reeds op 6 september werd met de vernieuwbouw gestart. Zolang moesten de kerkdiensten in het dorpshuis De Schalmei plaatsvinden. De heropening van het vernieuwde kerkgebouw was 27 april 1983. Voortaan zou het gebouw de nieuwe naam: "Nieuw Perspectief" dragen. Eind 1997 worden een nieuw liturgisch centrum en een nieuw orgel, het huidige Mense Ruiterorgel, in gebruik genomen.

Samenwerking en toenadering

Toen de vrijzinnige predikant in 1965 uit Hurdegaryp vertrok, werd uitgekeken naar een meer rechtzinnig predikant. De komst van een rechtzinnig predikant bracht grote veranderingen teweeg binnen de hervormde gemeente. Hij brak met de traditie om voorzitter te zijn van de oudervereniging van de openbare school en stuurde zijn kinderen naar de christelijke school, die het dorp inmiddels sinds het begin van de jaren vijftig rijk was. De eerste predikant van de gereformeerde kerk en de nieuwe rechtzinnige dominee van de hervormde gemeente konden het goed met elkaar vinden en dit resulteerde al gauw in kanselruil. Beide predikanten waren jong en tevens zeer betrokken bij hun taak. Deze periode kenmerkte zich door toenadering en opbloei. Beide kerken zaten elke zondag vol en de predikanten werden zeer gewaardeerd. Deze periode van bloei en toenadering werd daarna soms afgewisseld met perioden van 'afkoeling'. Dat hing sterk af van de predikanten die op een bepaald moment in Hurdegaryp stonden. Op 1 januari 2004 gingen de hervormde en de gereformeerde kerk van Hurdegaryp samen op weg. In mei 2004 gingen beide kerken landelijk op in de Protestantse Kerk in Nederland. In Hurdegaryp ontstond toen de protestantse gemeente i.w. (in wording). Op 1 januari 2008 fuseerden beide kerken tot de protestantse gemeente Hurdegaryp. Naast eenwording was echter ook sprake van afsplitsing: het voormalige hervormde evangelisatielokaal uit 1931 wordt thans gebruikt door de hersteld hervormde gemeente.

50 jaar orgel en muziek in Hurdegaryp

Het harmonium uit de 'noodkerk' aan de Stationsweg ging in 1960 mee naar de nieuwe kerk aan de Swagermanstraat. Het werd geplaatst op een balkon dat was aangebracht om later een echt kerkorgel op te bouwen. In 1961 kon een elektropneumatisch orgel van de firma Fonteijn & Gaal gekocht worden. De relatief lage prijs kwam goed van pas, maar het inwendige van het instrument was geen lang en stabiel leven beschoren. Het orgel was voor de gemeente niettemin wel degelijk een grote aanwinst. Het had 12 stemmen verdeeld over 2 manualen en een vrij pedaal. Verder konden de klavieren en het pedaal gekoppeld worden. Ondanks de matige kwaliteit heeft dit orgel tot 1996 gefunctioneerd. De laatste jaren kwamen er steeds meer uitvalverschijnselen.

Daarop werd besloten om een nieuw orgel te zoeken. Diverse acties waren nodig om geld in te zamelen. Omdat de kosterswoning werd verkocht, was het geld eerder bijeenvergaard dan verwacht. Na veel zoektochten kwam de orgelcommissie uit in de stad Groningen in de Filadelfiakerk. Oorspronkelijk een protestantse kerk die was overgenomen door het Leger des Heils. Het orgel werd niet gebruikt. Na pittige onderhandelingen en een uniek bouwcontract met de orgelbouwer kon de gereformeerde kerk in Hurdegaryp een nieuw en bijzonder orgel aanschaffen. Van het oude orgel is op waardige afscheid genomen. Het balkon van het oude orgel kon worden verwijderd omdat het nieuwe orgel een staand exemplaar, een positief, is. Het nieuwe orgel was in 1960 gebouwd in Groningen door Mense Ruiter Orgelbouwers en dus bijna net zo oud als de gemeente. In de Friese Orgelkrant 2007 is te lezen hoe het orgel naar Hurdegaryp kwam. Op 28 november 1997 vond de feestelijke overdracht van het orgel aan de gemeente plaats. Zondag 30 november werd het orgel in de eerste dienst bespeeld. In Friese Orgelkrant van 2007 is eveneens te lezen hoe de door de kerkenraad ingestelde commissie "Vrienden van het Mense Ruiter Orgel" in 2002 van start ging met het organiseren van orgelactiviteiten voor een breed publiek. Sinds die tijd worden er met succes zo'n 5 orgelconcerten per jaar gegeven door onbekende en vooral bekende organisten. De gereformeerde kerk van Hurdegaryp heeft steeds veel aandacht geschonken aan de begeleiding van de erediensten. In de afgelopen 50 jaar hebben vele gemeenteleden met hun orgelspel de gemeente gediend. Zonder iemand tekort te willen doen, noemen we hier Wietse Dijkstra uit Ryptsjerk. Op dit moment wordt de gemeentezang begeleid door 3 vaste organisten. De organisten bekwaamden zich door zelfstudie en het volgen van opleidingen in kerkmuziek. Verder spraken zij kaders af voor de begeleidingen van de vieringen, waarbij verschillende liedbundels worden gebruikt. Mede door hun inzet en betrokkenheid kan Hurdegaryp nog altijd een gemeente 'waar muziek in zit' genoemd worden.

Dispositie:

Hoofdwerk: Prestant 8 voet, Gedekt 8 voet, Octaaf 4 voet, Roerfluit 4 voet, Gemshoorn 2 voet, Mixtuur 4-5 st.

Bovenwerk: Holpijp 8 voet, Fluit 4 voet, Octaaf 2 voet, Quint 1 1/3, Sesqualter D. 2 st., Dulciaan 8 voet

Pedaal: Prestant 8 voet, Bourdon 16 voet, Fagot 16 voet

Speelhulpen: 3 koppelingen: Bovenwerk - Hoofdwerk, Hoofdwerk - Pedaal, Bovenwerk - Pedaal, Tremulant

JSJ


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard