ok2006menu


  Cantate bij ingebruikname
Bolswarder orgel (1781)
Friese Orgelkrant 2006

In 1991 ontdekte de Canadese musicoloog Richard G. King dat op 28 juni 1781 in Bolsward bij de ingebruikneming van het Hinsz-orgel in de Martinikerk een speciaal voor die plechtigheid gecomponeerde cantate werd uitgevoerd. Voor de muziek van die cantate tekende de componist Christian Ernst Graf. King maakte zijn vondst bekend in een artikel in het tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis (nr. 44 / 1994). Ter gelegenheid van het heugelijke feit dat de ingebruikneming van het Bolswarder orgel dit jaar 225 jaar geleden is, nemen wij belangrijke gedeelten uit het artikel dit jaar in vertaling in onze Friese Orgelkrant op. Wij danken Richard G. King hartelijk voor zijn toestemming.

Christian Ernst Graf werd geboren in een muzikale familie in Rudolstadt (Duitsland) op 30 juni 1723. Zijn muzikale opleiding ontving hij van zijn vader, Johann Graf, die concertmeester en later kapelmeester was aan het hof van Schwarzburg Rudolstadt. Daar begon Christian Ernst zijn loopbaan als violist. In januari 1751 concerteerde hij samen met zijn broer Friedrich Hartmann Graf in Arnhem. Rond deze tijd moet hij zich in Nederland gevestigd hebben. Vanaf ongeveer 1752 leidde hij in Middelburg het Collegium Musicum en vanaf circa 1759 was hij aan het hof van Den Haag werkzaam als componist. In 1764 gaat hij op reis naar Italië. Alhoewel niets met zekerheid bekend is over zijn activiteiten daar, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat hij er muziek aanschafte of zich muzikaal wilde bijscholen. In 1766 werd Graf in Den Haag kapelmeester, een functie die hij bekleedde tot zijn pensionering in 1790. Hij bleef echter actief als componist en 'dirigent'. Zo leidde hij in 1802, 79 jaar oud, een door hem gecomponeerd oratorium ter gelegenheid van de vrede tussen Engeland en Frankrijk. Graf overleed in Den Haag op 17 juli 1804.

De plechtigheid bij de ingebruikneming van het orgel in Bolsward begon met het zingen van Psalm 33 vs. 1 en 2 en de uitvoering van het eerste deel van Graf's compositie. Hierop volgde een preek door Henricus Gebhardus Cannegieter, de oudste van de Bolswarder predikanten, over Colossenzen 3:16, "Leert ende vermaant". Na de preek zong de gemeente het tweede en derde vers van Psalm 150, en men besloot de plechtigheid met de uitvoering van het tweede deel van Graf's compositie. De 'Boekzaal der Geleerde Waereld' (1781) beschrijft de cantate van Graf als 'oor- en hartstreelende musiek'. Misschien stimuleerde zij de offervaardigheid van de gegoede burgers van Bolsward, want de collecte bracht die dag meer dan 100 gulden op. De compositie werd overigens niet aangeduid als een cantate maar als 'Kerk-Gezangen ter Inwydinge van het Orgel in de Groote Kerk te Bolsward'. Uit een in het Gemeente Archief van Bolsward aanwezig document blijkt dat Graf de eerste (en vermoedelijk enige) uitvoering van zijn werk zelf dirigeerde. Het document bevat een opsomming van alle uitgaven die met de uitvoering van de 'Kerk-Gezangen' verband houden. Er valt uit af te lezen dat Graf op 21 juni 1781 in Bolsward arriveerde; op 30 juni betaalde men hem 100 gulden voor zijn compositie en 50 gulden voor het dirigeren en de reiskosten. De uitvoering werd - opnieuw blijkens de betalingen - voorbereid door de musicus Dirk Vellinga. Deze was, evenals de tekstdichter Jan Aucke Backer, niet afkomstig uit Bolsward, maar uit Harlingen.

Het eerste deel van de compositie kwam op 3 april 1781 in Friesland aan; het tweede deel pas op 26 april. Nadat Vellinga de partituur had ontvangen, vond hij het kennelijk nodig deze met Graf door te nemen, want op 13 mei bezoekt hij hem in Den Haag. Voor de uitvoering van de cantate kregen de Bolswarders versterking uit Harlingen, Dokkum, Sneek en Groningen. Men begon te repeteren op 19 juni. Uit de betalingen valt op te maken dat er tenminste tweemaal gerepeteerd werd.

De tekst die Backer maakte, is een vrij 'gecomponeerd' religieus lofdicht op een deugdzaam leven, met een groot aantal verwijzingen naar de macht van de muziek en naar het nieuwgebouwde orgel. De compositie vraagt de medewerking van vocale solisten, vierstemmig koor, orgel en een orkest dat bestaat uit fluiten, hoorns, trompetten, pauken en strijkers. Zoals verwacht mag worden aan het eind van de achttiende eeuw, draagt de muziek de kenmerken van de galante stijl. In de negen delen waaruit het werk bestaat is veel fraais te beluisteren. Anders dan men wellicht zou verwachten, is de rol van het orgel bescheiden. Het Bolswarder orgel heeft vermoedelijk bij het feest van zijn ingebruikneming niet in zijn volle luister geklonken.

R.G. King


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard