ok2005menu


  Rooms-Katholiek orgelbezit
in Friesland door de eeuwen heen
Friese Orgelkrant 2005

Wie aan het historisch orgelbezit in Friesland denkt, beseft dat het merendeel daarvan van oudsher staat in (nu voormalige) hervormde kerken. Er is echter ook een groot aantal instrumenten te vinden in kerkgebouwen van andere denominaties, zoals van de doopsgezinden, gereformeerden van diverse pluimage, lutheranen en rooms-katholieken. Dat orgels uit die kerken doorgaans in de schaduw staan van hun hervormde 'broeders' is ook wel verklaarbaar: voor het merendeel waren ze tot voor kort (nog) niet monumentaal verklaard en waren vervaardigd in een jongere periode uit de orgelgeschiedenis waaraan tot voor kort naar verhouding nog weinig of geen aandacht werd besteed. Daarin is de afgelopen decennia een duidelijk kentering gekomen: alom is er nu veel meer interesse en waardering voor orgels uit de 19e en begin 20e eeuw. Het onlangs verschenen boek van Jan Jongepier "Vijf eeuwen Friese orgelbouw" is daarvan een sprekend voorbeeld.

Omdat bij het onderzoek van de Friese orgelgeschiedenis de nadruk tot nu toe vooral viel op de monumentale orgels, is van de vaak interessante geschiedenis van 'de rest' minder bekend. Om een tipje van die sluier op te lichten wordt daarom in dit artikel aandacht besteed aan de geschiedenis van het orgel in de rooms-katholieke kerken sinds de Reformatie. Overigens zou een dergelijke ontdekkingstocht ook gemaakt kunnen (en moeten) worden bij de andere bovengenoemde kerken.

Van reus tot lilliputter

Het verbod op het uitoefenen van de katholieke godsdienst, in 1580 uitgevaardigd door de Staten van Friesland, had dramatische gevolgen voor de rooms-katholieke kerk: had zij in de voorgaande eeuwen het maatschappelijk leven beheerst en in dat kader de provincie onder andere verrijkt met kloosters, kerken en orgels (zie hiervoor Vlagsma's boek "De Friese orgels tussen 1500 en 1750"), wat nu volgde was ruim 250 jaar kerkelijk leven in het verborgene. Afhankelijk van plaats en omstandigheden werd het katholicisme getolereerd dan wel oogluikend toegestaan, maar er moest met vele beperkingen worden geleefd. Zo hadden de staties (zoals de voorgangers van de tegenwoordige parochies werden genoemd) aanvankelijk geen rechtspersoonlijkheid en konden ze dus officieel ook geen bezittingen hebben, hooguit op persoonlijke titel van een particulier kerklid; pas vanaf 1776 mochten de staties vaste goederen bezitten (met name ten behoeve van de armenzorg in eigen kring). Er mochten geen kerken worden gebouwd of ingericht zonder toestemming van de locale overheid. Indien dat werd toegestaan, dan mochten ze in ieder geval niet als kerk herkenbaar zijn. Zodoende kwamen de katholieke gelovigen samen in zogenaamde schuilkerken van diverse snit: op het platteland vaak vermomd als boerderij (zoals in Warga), koestal (Heeg) of als schuur (zoals in Bakhuizen, - alleen toegankelijk via mesthoop en turfhok!); in grotere plaatsen maakte men onder andere gebruik van verbouwde pakhuizen (Makkum en Workum), woonhuizen of verbouwde zolders daarvan (onder andere in Dokkum, Franeker, Harlingen en Leeuwarden). Eerst in de tweede helft van de 18e eeuw was er sprake van een kentering en kregen de katholieken wat meer armslag, zeker in de Franse tijd (en de periode daarna). Vanaf 1788 kwamen de staties onder de hoede van het 'Departement voor de Zaken der RK Eeredienst', een situatie die bleef voortbestaan tot 1853. Er kwam nu soms ook – zij het mondjesmaat – subsidie voor herstel van de doorgaans in slechte staat verkerende schuilkerken en de bouw van nieuwe kerken. Echte vrijheid kwam pas tot stand in 1853 met de herinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie, waardoor men zich geheel zelfstandig mocht organiseren en waarbij de aanwezige staties werden omgevormd tot parochies. Tot die tijd werd Nederland-boven-de-grote-rivieren door 'Rome' beschouwd als zendingsgebied (de zogenaamde Hollandse Zending), opgedeeld in 9 districten (waaronder Fryslân), elk onder leiding van een zogenaamde aartspriester.

Orgels voor de staties

Onder de geschetste omstandigheden gaf aanschaf van orgels zo zijn problemen: aankoop was vrijwel alleen mogelijk bij voldoende externe financiële middelen. Een enkele keer was er een rijke gever – zoals in 1778 priester Lambertus Pluijm, die 'zijn' Sint-Martinusstatie in Bolsward een orgel cadeau gaf. Meestal werd aanschaf van een nieuw of gebruikt orgel echter mogelijk gemaakt dankzij een gunstig verlopen inzamelingsactie. Zo startten in 1752 twee (dames-) 'musicanten' van het zangkoor van de statie aan de Vleeschmarkt te Leeuwarden een inzamelingactie, die uiteindelijk f 543,- opbracht en waardoor men in datzelfde jaar voor 440 gulden het al aanwezige orgeltje kon vervangen door een gebruikt "positijf of huis-orgel" van een Groninger landjonker. Ruim 50 jaar later werd de aanschaf van een nieuw orgel in Roodhuis mogelijk dankzij royale giften ter waarde van maar liefst 1406 gulden. Aanvankelijk moest men soms wel toestemming tot aanschaf vragen aan de locale overheid, zoals bijvoorbeeld het geval was in Workum (1777), terwijl in Harlingen in 1783 wel een orgel mocht worden geplaatst, mits het niet gelijktijdig met diensten in de hervormde kerk zou worden bespeeld. Sinds wanneer in de staties weer orgels werden gebruikt is moeilijk te zeggen door gebrek aan relevante archivalia: de oudste berichten over aanwezigheid of aanschaf stammen uit Franeker (1707), Leeuwarden (statie aan de Vleeschmarkt, 1742), Sneek (1766) en Workum (1777). Mede afgaande op Joachim Hess was rond 1770 in alle vijf Leeuwarder staties al een orgel aanwezig.

Werden bij voldoende middelen orgels aangeschaft, een al aanwezig orgel werd ook wel eens afgeschaft, zonder dat er direct een vervangend instrument kwam. Zo werd het orgel van de oude statie aan de Vleeschmarkt te Leeuwarden in 1805 verkocht en níet overgeplaatst naar de nieuwe statie, die een jaar later in gebruik werd genomen. Voor deze nieuwe kerk besloot men pas 29 jaar later (dus in 1834) weer een orgel aan te schaffen; het werd het jaar daarop (met gebruikt materiaal) gebouwd door de firma Van Dam. Een merkwaardig voorval deed zich in 1795 voor in Franeker, waar een onbekende per advertentie meedeelde dat het orgel uit de statie "door toeval" te koop werd aangeboden door kerk- en armvoogden. Die wisten echter van niets - het orgel was bovendien een jaar tevoren juist "vrij veel verbeterd" - en haastten zich eveneens per advertentie een beloning uit te loven aan degene die de "woelzieken lasteraar en valsaris" die deze misplaatste grap op zijn geweten had, zou ontmaskeren. De afloop van de affaire is niet bekend.

Albertus van Gruisen

Met de vestiging van Albertus van Gruisen in Leeuwarden in 1782 kreeg men een geloofsgenoot als orgelmaker. Naast veel activiteiten in protestantse kerken vond hij ook in de meeste staties een werkterrein en bouwde er zeven nieuwe orgels: Harlingen (1783), Bolsward, Sint-Martinus (1788), Irnsum (1791), Roodhuis (1804), Dokkum (1808), Joure (1808) en Woudsend (1811). Van drie van deze éénklaviers instrumenten bleef meer of minder materiaal bewaard: het orgel uit Bolsward werd in 1876 vervangen; het binnenwerk staat (na een tot nu toe onbekend tussenstation) sinds 1935 in het Noord-Brabantse Brouwhuis, waar het in 1983 weer van een historisch front werd voorzien (het oorspronkelijke front was tussen 1876 en 1935 verloren gegaan).

Het orgel uit Dokkum is een verhaal apart, want het had al een hele geschiedenis achter de rug toen Van Gruisen ermee te maken kreeg: zoals Auke Vlagsma onlangs aannemelijk heeft gemaakt, werd het instrument vermoedelijk omstreeks 1702 door Jan Harmens gebouwd voor de hervormde kerk te Brantgum. Hij maakte daarbij gebruik van pijpwerk uit 1618 van Anthonie Verbeeck, afkomstig uit het vroegere orgel van de Jacobijnerkerk te Leeuwarden (de voorganger van het huidige Müller-orgel). In de tweede helft van de 18e eeuw werd het instrument verkocht naar de statie in Dokkum (voor Brantum was dat het begin van een orgelloze eeuw), waar in 1808 Albertus van Gruisen een grotendeels nieuw orgel bouwde. Van het oude instrument gebruikte hij van de kas delen van het front, alsmede enkele registers pijpwerk, de rest maakte hij nieuw. In 1873 werd het orgel in verband met plaatsing in de huidige Cuyperskerk ingrijpend verbouwd. Tien jaar later werd het afgedankt en vervolgde het zijn bestaan in twee gereformeerde kerken in het Groninger Westerkwartier, alvorens het ook daar in 1990 werd vervangen. Het lag sindsdien in opslag, is onlangs gerestaureerd en zal naar verluidt worden geplaatst in een kerkje in het Gelderse Wadenoijen. Het orgel in Woudsend is daarentegen (hoewel gewijzigd) nog steeds ter plaatse aanwezig en is daarmee ook het enige instrument uit de statieperiode, dat in een Friese parochiekerk bewaard bleef.

Import uit België

Naast nieuwe orgels werden er ook gebruikte instrumenten gekocht. Zo kwamen in de Franse tijd orgels beschikbaar uit opgeheven Belgische kloosters. Daar ligt vermoedelijk de herkomst van zeker twee instrumenten die in Friesland terecht kwamen: één orgel werd na 1800 door de Belgische orgelmaker J.J. Loret geleverd aan de statie in Sneek, een ander werd in 1804 (ook door hem?) geplaatst in Blauwhuis. Laatstgenoemd orgel (met 19 registers) had een dispositie die enigszins te vergelijken is met de oorspronkelijke samenstelling van het Robustelly-orgel dat nu in de Meinardskerk van Minnertsga staat en was op dat moment waarschijnlijk het enige tweeklaviers instrument in een Friese statie; het zou dat ook enige decennia blijven.

Orgelgebruik

Beeldbepalend voor het orgelbestand waren echter kabinet-orgels, positieven en kleine kerkorgels. Nu had men in de staties ook geen groot instrument nodig: van gemeentezang was geen sprake, het orgel werd gebruikt voor begeleiding van het koor (indien aanwezig), eventueel met alternatim gespeelde versetten, en het aangeven van de toon voor het door de priester gezongen Gregoriaans. Voor en na de mis kon wellicht enige literatuur gespeeld worden.

Na circa 1780 werden Latijnse missen populair, geschreven door componisten als Haydn en Mozart en vele mindere goden. Vervolgens vonden ook veelvuldig ingang zogenaamde Leuvense, Keulse en Amsterdamse (muziek)missen, vaak tweestemmige stukken die tegen het Gregoriaans aanleunden, alsmede allerlei lofzangen en antifonen. Al deze stukken konden zowel door instrumenten als door een orgel (als 'alternatief orkest') begeleid worden. Met een éénklaviers orgel op viervoets basis was dit binnen de kleinschalige opzet van de staties heel goed mogelijk, zodat men in Blauwhuis dus bepaald in een luxe situatie verkeerde. Of dat instrument in het bijzonder (en ook andere) naar de beschikbare mogelijkheden werd gebruikt is twijfelachtig. De orgels werden (ook later) doorgaans bespeeld door meer of minder getalenteerde dilettanten, meestal afkomstig uit de middenstand, soms schoolmeesters. Vaak verrichtten ze hun diensten pro Deo of voor een schamel honorarium. Bij een jubileum kregen ze soms als blijk van waardering een geldbedrag of een cadeau "tot aansporing van het vervolg"[!]. Zo bespeelde Jacobus Schrage van 1806 (hij was toen pas vijf jaar!) tot 1872 het Van Gruisen-orgel in Harlingen, waarvan de eerste 24 jaar "zonder enige belooning", pas daarna voor een jaarlijks honorarium van 50 gulden (en dat als koopman en huisvader van zeven kinderen). Dat hij ter wille van wat extra inkomsten in 1832 bleek 'bij te klussen' in de lutherse kerk ter plaatse is dan ook niet verwonderlijk. Om den brode moest men dus ook toen al zeker geen organist worden!

Nog meer orgels

Voor de Friese staties werden ook te Amsterdam en in andere steden orgels aangeschaft: in 1816 plaatste Strümphler-leerling P.J. Teves (orgelmaker in Amsterdam) in Franeker een (nieuw?) orgel. Twee jaar later kocht men in Amsterdam voor de statie van Sloten een kabinetorgel en in 1827 kocht de pastoor van Wijtgaard er een oud kerkorgeltje voor zijn kerk. In Heerenveen vond in of vóór 1835 een kabinetorgel uit een opgeheven statie in Groningen onderdak, in Heeg een soortgelijk instrument (uit particulier bezit) dat tijdelijk dienst had gedaan in de Doopsgezinde kerk te Sneek. Over de herkomst en ouderdom van de orgels in onder andere Balk (kabinetorgel), Leeuwarden, Lemmer (kabinetorgel), Makkum (een instrument met een fraai barokfront), Oosterwierum, Steggerda (kabinetorgel) en Warga tasten we vooralsnog in het duister. Nieuwe orgels kwamen er ook in Bolsward, Sint-Franciscuskerk, 1838 (D. Ypma; in 1873 vervangen door een nieuw orgel van Peereboom & Leyser, Maastricht), Dronrijp, 1839 (een tweeklaviers orgel van Loret-Vermeersch uit Mechelen dat in slechts 14 dagen werd geïnstalleerd) en Leeuwarden, Sint-Franciscuskerk, 1845 (Hardorff en van der Meer; het zou er nog geen twaalf jaar staan).

De katholieke orgelmakers Dirk en Lodewijk Ypma, aanvankelijk gevestigd in Bolsward, werden later vooral bekend door hun werk in Noord-Holland na de vestiging van een atelier in Alkmaar. Vanuit die stad leverde Lodewijk Ypma in 1876 een (tegenwoordig niet meer aanwezig) nieuw instrument aan de Sint-Martinuskerk in Bolsward, de 'thuis'kerk van de familie Ypma, waar ze eertijds ook deel uitmaakten van het kerkkoor en broer Fopke organist was. Van L. Ypma staat sinds 1975 een instrument in Sint-Nicolaasga; het werd oorspronkelijk in 1871 vervaardigd voor de parochiekerk te Akersloot (N. Holland). Hun jongere broer Eeltje was vanuit de oude werkplaats in Bolsward in hoofdzaak actief met onderhouds- en reparatiewerk in kerken van diverse pluimage. Hij verbouwde in 1871 het orgel in Blauwhuis in verband met de overplaatsing naar de nieuwe kerk. Hetzelfde deed hij in 1872/73 in Dokkum, terwijl hij in 1877 te Workum het bestaande orgeltje (met een loos front) overplaatste naar het nieuwe kerkgebouw. In 1879 stelde hij in Nes (Ameland) het Adema-orgel uit 1863 op in de nieuwe Sint-Clemenskerk van de bekende architect P.J.H. Cuypers. In 1855 werd in Leeuwarden de firma Gebroeders Adema opgericht en dat bedrijf was daarmee in de negentiende eeuw de derde Friese orgelmakerij van katholieken huize.

Herleving en verandering

Ontwikkelingen die zich in de voorgaande periode al voorzichtig hadden afgetekend, kwamen pas echt op gang na de herinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Binnen de uit de staties gevormde parochies kon het kerkelijk leven in de volgende decennia tot volle bloei komen, hetgeen onder andere tot uiting kwam in de bouw van nieuwe en ruimere kerken. Bekende bouwmeesters in dat verband waren de architecten P.J.H. Cuypers, N. Molenaar en A. Tepe. De aanwezige orgels konden echter moeilijk voldoen aan de zich veranderende (kerk)muzikale situatie: niet alleen de klankvoorkeuren veranderden, ook de gebruikseisen als gevolg van de gewijzigde plaats van het orgel binnen de liturgie. Zo werd in 1857 het gebruik tijdens de reguliere vieringen van losse instrumenten of instrumentale ensembles verboden; alleen het orgel was voortaan toegestaan. Vanaf 1866 waren nog uitsluitend mannenkoren welkom op de orgeltribune. Het orgel zelf kreeg een in hoofdzaak dienende rol als begeleider van dat koor en dat vroeg een ander type instrument; het diende te beschikken over een royale en stabiele windvoorziening, een breder klankspectrum met meer grondstemmen, strijkers en een variëteit aan fluitregisters (waaronder overblazende). De bestaande orgels konden doorgaans niet of nauwelijks aan die eisen voldoen, ook niet na de nodige wijzigingen, en het is dan ook niet verwonderlijk dat omstreeks 1900 tweederde deel van de 50 jaar eerder aanwezige instrumenten al was vervangen!

De Adema’s en tijdgenoten

Het bedrijf van Gebroeders (C.B. en P.J.) Adema was de eerste twintig jaar actief in Fryslân en aangrenzende provincies in zowel protestantse als rooms-katholieke kerken; eerst later zou het bedrijf zich vooral beperken tot het katholieke erf. De beide broers hadden een degelijke opleiding genoten, maar stonden ook open voor nieuwe vindingen. Landelijk trokken ze vooral aandacht door de toepassing van Franse 'moderniteiten' vanaf omstreeks 1870, in het bijzonder in hun grote orgel in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk. Daaraan voorafgaande bouwden ze in Fryslân nog 'klassieke' orgels in onder andere de parochiekerken te Sint Nicolaasga (1858), Wolvega (1863, het eerste 19e-eeuwse orgel in ons land in twee kassen aan weerszijden van het westraam), Heerenveen (1867), Harlingen (1868) en de Sint-Dominicuskerk te Leeuwarden (1866). Laatstgenoemd instrument - op dat moment het grootste in een Friese parochiekerk - zou ook worden betaald uit vrijwillige bijdragen, maar daarin handelde de pastoor wat al te voortvarend: toen hij nauwelijks een jaar later de parochie had verlaten, bleek een groot deel van de kosten nog niet te zijn gedekt; het kerkbestuur moest daardoor de nodige leningen sluiten en had er 40 jaar voor nodig om die af te betalen! De Gebr. Adema bouwden ook huisorgels (door hen 'meubelorgels' genoemd), waarvan er enkele voor korte of langere tijd in parochiekerken hebben gestaan, onder andere in Lemmer. In 1868 stichtten de Adema’s een filiaal in Amsterdam, vermoedelijk omdat het werkterrein in dat deel van ons land meer expansiemogelijkheden bood; de eerste grote opdracht was de bouw van bovengenoemd instrument in de hoofdstad. Na een faillissement in 1877 gingen beide bedrijven hun eigen weg. Het bedrijf in Amsterdam werd eigendom van P.J. Adema. Het Leeuwarder atelier, dat werd voortgezet onder de naam C.B. Adema en Z(o)on(en) en vanaf 1905 (door de beide zonen) weer als Gebr. Adema, heeft zich moeizaam van die klap hersteld. Werk in de parochies was er aanvankelijk maar mondjesmaat en betrof vooral onderhoud, ook al omdat de firma Van Dam enkele opdrachten voor nieuwbouw voor hun neus wegkaapte: Wijtgaard en Dronrijp (beide in 1882), Dokkum (1883). De in 1880 gestichte firma Bakker & Timmenga sprong in het 'gat in de markt' dat zich vormde binnen de doopsgezinde en gereformeerde kerken. Ook was er concurrentie op 'eigen' terrein door P.J. Adema uit Amsterdam: hij leverde onder andere nieuwe tweeklaviers instrumenten te Workum (1885), Franeker (1888, met bestaand materiaal) en Harlingen (1898). De beide instrumenten in Workum en Harlingen werden opgesteld in twee kassen aan weerszijden van het raam in de toren en met een vrijstaande speeltafel, een werkwijze die in die tijd populair werd in de nieuwgebouwde parochiekerken, maar de aanleg van de mechanieken niet eenvoudiger maakte.

De Leeuwarder Adema's verzorgden tot 1941 het orgelonderhoud van vrijwel alle Friese parochies. Daarnaast bouwden ze ook enige nieuwe mechanische orgels, zoals in Leeuwarden (Sint-Bonifatiuskerk, 1898), Balk (1906), Warga (1911) en Bakhuizen (1923). Eerst in de jaren '20 bouwden ze twee pneumatische orgels: te Irnsum (1926) en het nog bestaande instrument te Roodhuis (1928). Maar tot het laatst toe bleven ze zoveel mogelijk vasthouden aan een ambachtelijke werkwijze en verzetten ze zich tegen de komst van instrumenten met moderne ladesystemen en fabrieksmatig vervaardigde onderdelen en tegen wijziging van bestaande instrumenten in deze zin. Van de landelijk in rooms-katholieke kerken alom bekende firma Maarschalkerweerd vinden we in Friese parochiekerken slechts het grote instrument in de kerk te Sneek (1891). Het kon worden aangeschaft dankzij een royaal legaat. Weinig bekend is het instrument, geheel in een zwelkast gehuld en met op de frontzijde pijpen geschilderd, dat J. Hilboesen in 1904 plaatste in Heeg.

De 20eeeuw

Na 1900 werden ook steeds meer bedrijven elders uit ons land (of daarbuiten) actief in Fryslân; dat leidde tot de bouw van nieuwe instrumenten, zoals die in Joure (Winkels, 1912), Blauwhuis (Rohlfing, 1924), Nes (Ameland, Pels, 1929), Makkum (Pels, 1929), Bolsward, Sint-Franciscuskerk (Jos Vermeulen, 1931/1934), Wolvega (B. Pels & Zoon, 1939), Leeuwarden-Huizum (Verschueren, 1940) en Leeuwarden, Sint-Bonifatiuskerk (Verschueren, 1942, met bestaand materiaal). In bijna al deze gevallen betekende dit het verloren gaan van waardevolle oudere mechanische instrumenten ten gunste van instrumenten met moderne lade- en tractuursystemen (pneumatiek, c.q. electro-pneumatiek), welke beter waren ingesteld op een veranderende klankesthetiek en actuele gebruikseisen in de functie als koorbegeleidingsinstrument, waarbij de organist dikwijls tegelijk dirigent was en als directeur-organist vanachter zijn speeltafel het muzikale gebeuren bestierde. Invloed van de 'Orgelbewegung' is duidelijk merkbaar bij de orgels in Bolsward, Leeuwarden, Sint-Bonifatiuskerk en Leeuwarden-Huizum. Het grote Adema-orgel in de Sint-Dominicuskerk te Leeuwarden werd in 1937 vanwege de plaatsing in het nieuwe gelijknamige kerkgebouw op vergelijkbare wijze gemoderniseerd door Valckx en Van Kouteren en het verloor daarbij onder andere de mechanische tractuur, de klaviatuur en de kas (nu nog deels aanwezig in de hervormde kerk te Ferwert).

Van de weinige nieuwbouw in de periode na 1950 noemen we hier de instrumenten in Bolsward, (Sint-Franciscuskerk, koororgel, 1972 met ouder materiaal) Lemmer (Flentrop, 1978) en Wolvega (Walcker, 1983). In laatstgenoemde plaats werd het voorganger-orgel van Verschueren (met daarin en daarbij nog vrijwel al het pijpwerk uit 1863 van Gebr. Adema) wel op non-actief gesteld, maar niet verwijderd! Gelukkig kreeg dat materiaal in 2003 een nieuwe kans als kern van een reconstructieve nieuwbouw in Adema-stijl in Terneuzen (gereformeerde gemeente), waarbij o.a. ook de vroegere Adema-klaviatuur uit Leeuwarden (Sint-Dominicuskerk, 1866) weer werd gebruikt. Het oude materiaal staat daar trouwens op een steenworp afstand van het vroegere Adema-orgel uit Sint Nicolaasga! Een bijzondere aanwinst voor Fryslân is stellig het orgel van A. Cavaillé-Coll (oorspronkelijk Katwijk, Sint-Willibrorduscollege, 1887), dat in 1984 als koororgel werd geplaatst in de Sint-Bonifatiuskerk te Leeuwarden.

De toegenomen belangstelling in de afgelopen decennia voor de orgelbouw van na 1850 leidde gelukkig ook tot instandhouding van waardevolle orgels uit die periode. Toch gingen in de jaren´60/70 nog enkele instrumenten verloren waaronder de Adema-orgels in Sloten (1873) en Irnsum, en het Winkels-orgel te Joure. Gelukkig is inmiddels ook een aantal instrumenten gerestaureerd; hiertoe behoren de Adema-orgels te Balk (1977), Bakhuizen (1977, na kerkbrand), Heerenveen (1986) en Workum (2003), het Leyser-orgel te Steggerda (1967; oorspronkelijk Oosterbeek, rooms-katholieke kerk, 1901; sinds 1923 te Steggerda) en het Van Dam-orgel te Dokkum (1994). De jaren '60 (Tweede Vaticaans Concilie) en de periode direct daarna brachten veel veranderingen - niet altijd verbeteringen - op liturgisch gebied, onder andere met als gevolg dat de koren veelal 'naar beneden' (in of bij het priesterkoor) verhuisden en begeleiding met het orgel 'boven' problematisch werd. In een aantal gevallen werd dit opgelost door het orgel bij nieuwbouw (zoals in Lemmer, Wolvega en Bolsward) of restauratie (zoals in Heerenveen, 1986 en Franeker, 1995) bij het priesterkoor te plaatsen. Daarnaast kregen enkele kerken een apart koororgel, zoals te Balk, Leeuwarden (Sint-Dominicus- respectievelijk Sint-Bonifatiuskerk) en Sint Nicolaasga.

Perspectief

Waar het orgel 'boven blijft' is de kans groot op een minder frequent gebruik. De liturgische vernieuwingen hebben bovendien geleid tot opkomst van een ander liedrepertoire, dat lang niet altijd is gedacht voor begeleiding door een orgel. Hand in hand daarmee heeft het te concurreren met het gebruik van eigentijdse muziekinstrumenten (elektroniums, keyboards, slaginstrumenten, gitaren etc.). Een bedreiging van heel andere aard wordt gevormd door het krimpende zielental in de parochies en de daarmee gepaard gaande financiële verschraling, bestuurlijke reorganisatie en schaalvergroting, waardoor wellicht andere prioriteiten worden gesteld dan de zorg voor de kwaliteit van de kerkmuziek en de scholing van kerkmusici.

De toekomst van het orgel in de rooms-katholieke kerken (ook in Fryslân) zal daarom mede afhangen van een creatief en vakkundig gebruik, waarbij de mate van artistieke en liturgische scholing sterk bepalend zal zijn voor de manier waarop ook in die kerken verantwoord kan worden omgegaan met toch vaak belangwekkend orgelbezit.

Victor Timmer


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard