ok2004menu


  Belangwekkend boek over Friese
orgelcultuur
Friese Orgelkrant 2004

Vlagsma beschrijft periode 1500 - 1750

Dat de fascinatie door het fenomeen orgel verschillende invalshoeken kan hebben, is niet verbazingwekkend bij een instrument dat ons zowel kan treffen door hoe het klinkt als door hoe het eruitziet, en dat bovendien gecompliceerd in elkaar zit en een heel eigen plaats in de cultuur inneemt. Doordat de geschiedenis van het instrument zo ver teruggaat, is het niet alleen mogelijk geboeid te zijn door wat er nu is, maar kan men ook in de ban raken van wat er ooit geweest moet zijn. Het in 2003 van de hand van dr. Auke Hendrik Vlagsma verschenen “De Friese orgels tussen 1500 en 1750” houdt zich vooral met dat laatste bezig.

Orgelkaart 1500 - 1750

In de eerste zes van in totaal negen hoofdstukken van het ruim 500 bladzijden tellende boek beschrijft de auteur de Friese orgels uit de genoemde periode. Hij vermeldt wat uit contracten of andere bronnen over hun disposities of over specifieke eigenaardigheden bekend is, staat stil bij hun plaats in de ontwikkeling van de orgelbouw en noemt orgelbouwers en organisten. Deze orgelbouwers en organisten passeren later nog eens chronologisch de revue. Zo ontstaat een kleurrijke provinciale orgelkaart. Langzamerhand zien we manuaalomvangen groeien (in de bas van F naar C, in de discant van a’’ naar c’’’) en prestantenplena zich opsplitsen in steeds meer registers. Prestanten worden dubbel in de discant en/of deelbaar in bas- en discant. Sesquialters verschijnen, regalen verdwijnen. Het assortiment fluiten breidt zich uit en het vrije pedaal doet zijn intrede.
Bijzonder instructief en dikwijls amusant is het hoofdstuk dat aan de organisten is gewijd. De lezer krijgt een beeld van de wijze waarop ze in hun levensonderhoud moesten voorzien. Matthijs Matthijszoon Mercker, aan het eind van de 16e eeuw organist van de Grote Kerk in Leeuwarden, knoopte de eindjes aan elkaar niet alleen door naast het orgelspel tijdens de kerkdiensten elke avond het orgel te laten horen, maar ook door te fungeren als (trompetblazend) nachtwacht op de Nieuwe Toren. Zijn opvolger Egbert de Gruyter was tevens eerste klerk op het stadhuis. Dat er in een 17e-eeuwse provinciehoofdstad aan levendigheid geen gebrek was, blijkt wel uit het besluit dat de Leeuwarder gemeenteraad in januari 1602 nam dat de marktmeesters voortaan de orgelconcerten moesten bijwonen om ongeregeldheden de kop in te drukken.
Niet altijd functioneerden de organisten naar behoren. Twee Leeuwarder functionarissen worden in 1637 tien dagen geschorst omdat ze het vertikken de gemeentezang te begeleiden. Vóór die tijd hoefden collega‘s dat niet te doen, misschien moesten de heren aan deze nieuwe plicht nog wennen. Meijnert Egberts kreeg een halve eeuw later te horen, vermoedelijk niet zonder aanleiding, dat hij zich moest hoeden voor dronkenschap.
De Sneker organist Harmen Jans leest in 1602 in zijn contract “tot gene tijden eenige ligtvaerdige liedeckens (te) spuelen”. Overigens was het niet geheel uitgesloten het orgelspelend tot een zekere welstand te brengen: als de Franeker organist Nicolaas Garama in 1772 overlijdt, wordt het te koop staande huis beschreven als “een zeer deftige huizinge met tuin”.
In bijlagen bij drie hoofdstukken geeft Vlagsma de letterlijke tekst van een groot aantal contracten en andere bronnen. Het is een groot plezier voor “kenners en liefhebbers” daardoor over bijna 70 bladzijden informatie uit de eerste hand te kunnen beschikken.

Lotgevallen

Hoofdstuk 7 is gewijd aan de lotgevallen na 1750 van de eerder beschreven orgels. Het is eigenlijk op te vatten als een toegift voor wie wil weten “hoe het verder ging”. Niet steeds is de daar gegeven informatie helemaal juist.
Bladzijde 381: Het orgel van de Waalse Kerk in Leeuwarden werd bij de recente restauratie niet “geheel in de toestand van 1740 teruggebracht”. Het onderwerk is immers niet teruggekeerd maar juist gerehabiliteerd in de 19e-eeuwse bovenwerkstaat. Bladzijde 398: Ferwerd Sint Martinuskerk. De Adema’s bouwden hun orgel in 1872 niet in een deel van de oude Schnitger-kas maar in een nieuwe kas, en in 1940 gebeurde er (helaas) veel meer dan de auteur suggereert.
Bladzijde 405: Idaard Sint Gertrudiskerk. Inderdaad is daar het uit 1806 daterende Lambertus van Dam-orgel nog aanwezig, echter (zichtbaar en hoorbaar) in een in 1886 gemodificeerde staat.
In hoofdstuk 8 beschrijft Vlagsma de kassen van de Friese orgels die stammen uit de periode tot 1750. Een prominente plaats wijdt hij aan het onderzoek naar de mate waarin de proportionering gedicteerd wordt door de architectuurverhandelingen uit de Italiaanse renaissance.

Belang

Vlagsma’s boek is van belang voor de Friese orgelliefhebber omdat het een schat aan boeiende organologische gegevens op een rij zet. Bovendien geeft de auteur in het laatste hoofdstuk een aanzet tot evaluatie van deze gegevens. Met het onderzoek naar Friese orgelarchivalia hadden rond 1940 A.P. Oosterhof en E.J. Penning weliswaar een begin gemaakt, maar hun werk werd niet uitgegeven en het werd nooit in ruime kring bekend. Vlagsma heeft nu een groot aantal facetten van de Friese orgelbouw tot 1750 behandeld.
Onder de aspecten die hij onbesproken laat, is dat van de klank. Die 17e-eeuwse en vroeg-18e-eeuwse klank is in Friesland wel degelijk nog te beluisteren: in een aantal oude orgels dat gaaf bewaard gebleven of met groot vakmanschap gerestaureerd is (Ried, Sloten, Blessum, Dronrijp), maar ook in latere orgels met oud pijpwerk (Franeker). Voor de echte orgelliefhebber reden om niet alleen boeken te lezen maar ook op reis te gaan.

Theo Jellema

A.H. Vlagsma, ‘De Friese orgels tussen 1500 en 1750; een onderzoek naar de geschiedenis en de bouw van de orgels, de kasarchitectuur, de orgelmakers en de organisten’, Fryske Akademie, Ljouwert / Leeuwarden 2003.


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard