ok2004menu


  Voorjaarsexcursie op 3 april
door Gaasterland
Friese Orgelkrant 2004

Van Balk via Oudemirdum naar Stavoren

Op zaterdag 3 april 2004 vindt de voorjaarsexcursie van de Stichting Organum Frisicum plaats. Dan wordt tevens het eerste exemplaar van de Friese Orgelkrant 2004, een extra dik jubileum-nummer aangeboden aan de burgemeester van de gemeente Gaasterlân-Sleat, mevrouw drs. T.C.M. de Roos – van Rooden. De voorjaarsexcursie voert ons namelijk naar Gaasterland, een prachtig stukje Fryslân: een glooiend landschap met veel bossen en de Friese meren in de directe omgeving. We bezoeken Balk en Stavoren aan de ‘uiteinden’ van Gaasterland en Oudemirdum dat er middenin ligt. De reis van de ene naar de andere plaats geeft een goede indruk van het fraaie landschap. De lunch zal gebruikt worden in Rijs nabij het Rijsterbos.
De meeste lezers zullen deze orgelkrant opslaan als de voorjaarsexcursie al achter de rug. Voor wie de excursie heeft meegemaakt, beschrijven we hier de plaatsen, kerken en orgels die we bezocht hebben, om de herinnering levend te houden. Wie niet aan de excursie heeft deelgenomen, wordt door deze beschrijving misschien gestimuleerd deze plaatsen met hun kerken en hun orgels eens zelf te gaan bezoeken.

Start in Balk

In oude beschrijvingen is sprake van “ ’t vleck Balck, een cierlijcke ende neeringhe plaetse”. De plaats zou zijn naam te danken hebben aan een balk over het water de Luts, die later door een stenen brug werd vervangen en die op zijn beurt in 1840 door een valbrug. Pas begin 19e eeuw wordt Balk een zelfstandig dorp. De voorjaarsexcursie van zaterdag 3 april begint in de hervormde kerk van dit dorp, de hoofdplaats van de gemeente Gaasterlân-Sleat met de allure van een stadje. De vierzijdig gesloten zaalkerk werd in 1728 gebouwd. De geveltoren is deels opengewerkt en heeft een ingesnoerde spits. Volgens een gebrandschilderd raam uit 1729 is de kerk gebouwd door meester-timmerman Roelof Saegman. Van de inventaris zijn de preekstoel en de herenbanken met wapenschilden belangwekkend. Het kerkorgel werd in 1843 gebouwd door de gebroeders G.W. en H.B. Lohman. Het ging om een éénklaviersorgel met aangehangen pedaal, dat in 1962 door J.J. Harkema werd vergroot tot een tweeklaviersorgel met vrij pedaal. In 1975 verbouwden de gebroeders Reil het orgel: de toevoegingen uit 1962 werden verwijderd, een nieuw bovenwerk en een nieuw vrij pedaal werden aangebracht. De kas werd tot de oorspronkelijke afmetingen teruggebracht en de claviatuur werd weer aan de achterzijde geplaatst. Hersteld oud pijpwerk werd op de vroegere plaats teruggezet. In 1977 en 1982 zijn nog enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. Sindsdien kent het orgel 20 stemmen, verdeeld over hoofdwerk (11), bovenwerk (6) en vrij pedaal (3). Het front is geïnspireerd op het Freytag-Schnitgerorgel van 1793 in Zuidhorn. Karakteristiek is de verlaagde middentoren.
Vermeldenswaard zijn de beelden op de drie torens van dit orgel in Balk. Zij zijn geschilderd in trompe l’ oeil en stellen staande musicerende vrouwen voor. Vlakbij de hervormde kerk aan de overkant van de Luts, de gracht die door het dorp stroomt, staat de rooms-katholieke Sint-Ludgeruskerk. Deze neogotische kerk, een ontwerp van architect Alfred Tepe, werd gebouwd in de jaren 1882-1883. Het is een driebeukige basilikale kerk met een toren die een ingesnoerde spits heeft. Er bevinden zich enkele interessante inventarisstukken in de kerk, waaronder het zandstenen hoofdaltaar uit 1899 afkomstig uit de gesloopte rooms-katholieke Sint-Michaëlskerk te Zwolle. Opvallend zijn verder de kruiswegstaties van de Friese schilder Jacob Iedema.
Het éénklaviers orgel in de kerk is in 1906 gebouwd door de gebroeders Adema, vanaf 1855 als orgelmakers in Leeuwarden gevestigd. Het orgel heeft zeven registers en een aangehangen pedaal. In de rooms-katholieke kerk is ook een koororgel van de bouwer Klaus Becker aanwezig.

Balk en de dichter Herman Gorter

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht –
In huis was ’t donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In ’t bosje opgaat en zijn reis begint.

Wie kent niet het gedicht ‘Mei’? Een prachtig natuurgedicht van Herman Gorter uit 1888/89, waarin de schoonheid van Nederland in de maand mei wordt opgeroepen. Herman Gorter (1864 – 1927) behoorde aanvankelijk tot de impressionistische beweging van de Tachtigers, maar is vervolgens qua filosofie en wereldbeschouwing enorm veranderd. Eerst evolueerde hij naar een ‘sensitivisme’, zocht daarna zijn heil in de pantheïstische filosofie van Spinoza om tenslotte een ommezwaai naar het socialisme (1897) en het radencommunisme te maken.
In Nederland wordt Gorter vooral om zijn dichtkunst bewonderd, in het buitenland veeleer om zijn politieke werk. Zijn politieke geschriften zijn vaker vertaald en meer verspreid dan zijn poëzie. Zijn literaire bezigheden, maar nog meer zijn politieke werkzaamheden brachten hem in contact met ‘de groten der aarde’.
Op de congressen van de Tweede Internationale ontmoette Herman Gorter in 1900 en 1904 te Amsterdam bekende marxisten als Bebel, Jaurès, Kautsky en Luxemburg. Tijdens een overleg van deze internationale arbeidersorganisatie te Brussel ontmoette Gorter in 1909 voor de eerste maal Lenin. Na de eerste wereldoorlog oorlog in november 1920 nam Gorter na een avontuurlijke en gevaarlijke reis in Moskou deel aan discussies met Lenin en Trotski, met wie Gorter diepgaand van mening verschilde over de vraag hoe in West-Europa het best de proletarische revolutie kon worden bewerkstelligd. Gorter was dus een vooraanstaande figuur in de internationale socialistische beweging.
Ook binnenlands was Gorter politiek actief en dan vooral van 1900 tot 1918. Parlementair en bestuurlijk werk heeft hem echter nooit aangetrokken. Desalniettemin is hij enkele malen SDAP-kandidaat geweest voor vertegenwoordigende organen, maar hij is nooit gekozen.
In 1903 was Gorter stakingsleider tijdens de tweede spoorwegstaking tegen de ‘worgwetten’ van het kabinet Kuyper. Hij behoorde tot een marxistische minderheid die van 1901 tot en met 1908 felle oppositie tegen de gematigde, ‘opportunistische’ SDAP-leiders zoals Troelstra voerde. Op het congres van Deventer in 1909 werden de marxistische opposanten uit de SDAP gezet. Zij gingen daarop als Sociaal-Democratische Partij (SDP) verder. Deze SDP zou de voorloper van de CPN (Communistische Partij in Nederland) worden. Ook Gorter sloot zich bij deze nieuwe partij aan. De SDAP ging door als een meer en meer revisionistische partij. Door die ontwikkeling is de SDAP te beschouwen als één van de voorlopers van de huidige Partij van de Arbeid.
Wat heeft dit alles met onze orgelexcursie van 3 april te maken?
Vóór het raadhuis van Balk – schuin tegenover de hervormde kerk – staat een klein standbeeld van Gorter. Wie zich van de hervormde naar de rooms-katholieke kerk begeeft, passeert het beeldje. Dat staat er vast niet vanwege Gorters linkse politieke denkbeelden en activiteiten. Nee, het is in 1982 door de Balkster Krant aan Balk geschonken en heeft te maken met het gedicht ‘Mei’. Aan het begin van het gedicht is sprake van een ‘oud stadje, langs de watergracht’. Hiermee zou Gorter het dorp Balk met het water de Luts bedoeld hebben.
Herman logeerde tijdens zijn lagere schoolperiode in de zomervakanties bij zijn grootouders in Balk, waar zijn grootvader doopsgezind predikant was. Al halverwege de 16e eeuw is in Balk vermoedelijke een doopsgezinde gemeente ontstaan. Hermans vader, Simon Gorter, werd in 1838 in Warns geboren. Ook Simon werd aanvankelijk doopsgezind predikant en wel in Wormerveer. In 1862 – het jaar waarin de huidige ‘vermaning’ van Balk gebouwd werd – trouwde hij. Op 26 november 1864 werd Herman als middelste van drie kinderen in Wormerveer geboren. Herman ging na het gymnasium klassieke talen studeren. Daarmee kwam een einde aan de familietraditie van doopsgezind predikantschap. Simon Gorter, de vader van Herman werd geplaagd door een zwakke gezondheid. Daardoor viel het bestaan van predikant hem zwaar. Nadat hij het ambt van dominee had opgegeven, overleed hij op 5 juni 1871, nog geen 33 jaar oud. Herman, zes jaar oud, logeerde toen met zijn oudere broer bij zijn grootouders in Balk. Aan de logeerpartijen gedurende de zomervakantie kwam een einde toen grootvader Douwe Gorter in 1876 overleed. Door de geborgenheid die hij bij zijn grootouders vond, heeft Balk model gestaan voor de sfeer in het ‘oud stadje langs de watergracht’, zoals het in Mei heet.
Later is Gorter nog eenmal in Balk teruggeweest. In 1926 maakte hij met zijn levensgezellin en enige erfgenaam, Jenne Clinge Doorenbos (oomzegster van de bekende cabarettier J.P.J.H. Clinge Doorenbos), een fietstocht door Gaasterland waarbij ze ook Balk aandeden. Hij was verrukt Balk terug te zien, ‘onaangetast door de moderne tijd’.

Oudemirdum

Na de lunchpauze in Rijs bij het Rijsterbos bezoeken we het orgel in de hervormde kerk van Oudemirdum. Oudemirdum ligt in een bosrijke omgeving. In Gaasterland bevinden zich restanten van stuwwallen die deze streek een voor Fryslân opvallend hoogteverschil geven. Het zuidelijke en meest geaccidenteerde deel wordt gevormd door een tussen grondmorenen van keileem gelegen dekzandlaag, met als as de weg van Sondel naar Rijs. Het Rijsterbos is in aanleg nog 17e eeuws. De ten Noorden van de lijn Sondel – Rijs aanwezige bossen zijn vanaf 1850 geplant.
Oudemirdum is een esdorp, ontstaan in de 12e of 13e eeuw aan de route van Sloten naar Stavoren. Centraal in het dorp ligt de rechthoekige Brink. Aan de Brink ligt de hervormde kerk. Het is een tweebeukige kerk uit 1790 voorzien van een geveltoren met ingesnoerde spits, gebouwd op de fundamenten van een vorige kerk. Oorspronkelijk was het een eenbeukige kerk, maar in 1926 is aan de noordzijde een tweede beuk aangebracht. In de geveltoren bevindt zich een door Steven Butendiic gegoten klok uit 1458. Een zerk van rode zandsteen uit de 12 e eeuw en een preekstoel van circa 1650 plus een gebrandschilderd raam uit 1790 van Ype Staak behoren tot de interessantste bezienswaardigheden van de kerk.
Het orgel is in 1900 door de orgelmakers Bakker & Timmenga uit Leeuwarden gebouwd en verkeert nog geheel in de oorspronkelijke staat. Het betreft een éénklaviers orgel met negen stemmen (waaronder een voor de periode rond 1900 niet-gebruikelijke Mixtuur 2-3 sterk) en een aangehangen pedaal.

Stavoren

Van Oudemirdum rijden we naar Stavoren waar we het laatste orgel van de voorjaarsexcursie bezoeken. Onderweg passeren we tussen Warns en Stavoren een gedenkteken van een markant stukje Friese geschiedenis: de grote gedenksteen, een zwerfkei, ter herinnering aan wat de Slag bij Warns (1345) wordt genoemd.
Nadat graaf Willem II van Holland tevergeefs geprobeerd had de West-Friezen aan zich te onder-werpen en in 1256 bij Hoogwoud sneuvelde, lukte dat zijn zoon Floris V in 1287/88 wél. Algemeen bekend is, dat Floris V door vier edelen in 1296 werd vermoord. Zijn zoon en opvolger Willem III zette zijn expansiepolitiek voort, maar pas Willem IV graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen deed in 1345 een serieuze poging de Friezen die in West-Lauwers woonden (in grote lijnen de huidige provincie Fryslân) aan zich te onderwerpen. Het vanuit Enkhuizen over de Zuiderzee aangevoerde leger, dat de 26e september op de Friese kust ten zuidoosten van Stavoren landde, werd echter verpletterend verslagen. Graaf Willem IV werd daarbij gedood. Een tweede deel van de Hollandse vloot, dat met soldaten bij Stavoren was geland, raakte door het nieuws van Willems nederlaag en dood in paniek en vluchtte, achterna gezeten door de ‘ontketende’ Friezen, over de Zuiderzee terug naar Holland. Deze episode uit de Friese geschiedenis werd nadien ongeveer 150 jaar herdacht en gevierd als teken van de Friese vrijheid. Tegen 1500 verbood de hertog van Saksen echter deze herdenking. Tijdens de Duitse bezetting werd in 1942 opnieuw een begin gemaakt met de viering van 26 september 1345 en sinds 1945 is er weer sprake van een jaarlijkse herdenking. In 1952 is op de top van het Roode Klif het gedenkteken met de grote zwerfkei opgericht. De herdenkingen die omstreden zijn geweest, vinden de laaste jaren in kleine kring en rustige sfeer plaats. De havenstad Stavoren heeft de oudste stadsrechten van alle Friese steden. Het kreeg die volgens sommige bronnen al vóór 1077, andere noemen het jaartal 1118. Eerst stond de stad onder Hollands bestuur, in 1414 kwam zij definitief onder Fries bestuur. Stavoren werd in 1385 lid van het Hanzeverbond. Zilveren Staverse munten uit de 11e eeuw zijn in grote getale gevonden nabij havensteden aan de Oostzee. De bloeitijd van Stavoren duurde van ongeveer eind 11e eeuw tot het einde van de Middeleeuwen. Rond 1585 werden rondom de stad verdedigingswerken aangelegd met een stadspoort, vijf bastions en de thans nog aanwezige stadsgracht langs De Schans.
De economische neergang vanaf de 15e eeuw heeft er in de loop van de 18e en 19e eeuw toe geleid, dat veel van de bebouwing in de stad is afgebroken. Wie thans door Stavoren loopt, kan zich Stavoren nauwelijks als een welvarende havenstad voorstellen. In de 16e eeuw ontstond de sage over het ‘Vrouwtje van Stavoren’ die herinnerde aan de bloei van weleer en een moralistische verklaring bood voor het economisch verval van de stad als gevolg van verzanding van de haven. Stavoren was tot 1984 een zelfstandige gemeente, in dat jaar ging het stadje op in de nieuwgevormde gemeente Nijefurd. Het stadje dat vanaf 1938 niet langer Stavoren maar Staveren heette, draagt sinds 30 augustus 1978 weer de naam Stavoren.

De hervormde kerk van Stavoren (1861) is een driezijdig gesloten zaalkerk met een kleine geveltoren en een neoclassicistische ingangsomlijsting. De kerk werd ontworpen door meester-timmerman J.A. Bokma en verving de vorige kerk uit de 16e eeuw. In de toren hangt een klok van Hans Falck uit 1629. Het orgel in de kerk is in 1786 gemaakt door twee amateur-orgelbouwers, vader en zoon Wiebe Meijes en Meije Wiebes, die in feite plaatselijke timmerlieden waren. Wat het frontontwerp betreft hebben zij zich ongetwijfeld laten inspireren door het orgelfront in de Sint-Gertrudiskerk van het naburige Workum uit 1697, overigens zonder slaafs een imitatie te maken. Het orgel, dat oorspronkelijk twee handklavieren en geen pedaalklavier bezat, was van meet af aan ondeugdelijk. Het werd in 1788 door Knock vernietigend beoordeeld. In de eerste helft van de 19e eeuw moest het orgel reeds twee keer worden hersteld.
In 1860 volgde demontage en opslag van het orgel na ernstige beschadiging van het kerkgebouw door een zware storm. In 1862 plaatste N.A.G. Lohmann het orgel in de nieuwgebouwde kerk van 1861. Bij een restauratie in 1903 door de orgelbouwers L. van Dam en Zonen uit Leeuwarden werden veel onderdelen, zoals de windlade van het hoofdwerk en vrijwel al het binnenstaande pijpwerk, vernieuwd. Daarbij werd veel waardevol uit voorraad komend pijpwerk, dat bij Van Dam was opgeslagen, in het orgel geplaatst. In 1964 volgde opnieuw een restauratie, nu door de firma Spanjaard. De dispositie bleef toen ongewijzigd. In 2003/04 werd door de orgelmakers Bakker & Timmenga de laatste restauratie van het orgel uitgevoerd, waarbij de situatie van 1903 het uitgangspunt vormde, onder toevoeging van een Quintfluit 3 vt op het rugwerk. Adviseur was Jan Jongepier. Van het werk van de amateur-orgelbouwers uit 1786 resten ons nog de orgelkassen met frontpijpen en de windlade van het rugwerk.


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard