ok2003menu


  Adviseur Aart Bergwerff over de
restauratie van het Hinsz-orgel in Bolsward
Friese Orgelkrant 2003

Eén van de bekendste en fraaiste Friese kerkorgels bevindt zich in de majestueuze Martinikerk van Bolsward. Het orgel werd door de orgelmaker Albertus Anthoni Hinsz nieuw gebouwd. Tegen 1730 vestigt Hinsz zich als zelfstandig orgelmaker in Groningen. Nadat hij in 1732 met de weduwe van Frans Caspar Schnitger is getrouwd, zijn hoogstwaarschijnlijk de oude Schnitger-werkplaats in Zwolle en de nieuwe werkplaats van Hinsz in Groningen samengevoegd. Naast het orgel van de Martinikerk in Bolsward zijn er momenteel nog vier Hinszorgels in Friesland: in Damwoude (Dantumawoude), Driesum, Harlingen en Tzum.

In 1781 verving Hinsz in de kerk van Bolsward een orgel uit 1539, dat in 1634 door Antony Verbeek was vernieuwd, maar ‘voor den Kerkdienst ongeschikt was geworden’. Het nieuwe orgel kreeg 34 registers, verdeeld over hoofdwerk, rugwerk en vrij pedaal. Na twee kleine reparaties door Heinrich Hermann Freytag, waarbij tevens de Vox Humana op het hoofdwerk werd vervangen door een Fagot 8 vt, voerden de Friese orgelmakers L. van Dam en Zonen in 1861 een belangrijke wijziging door. Er werd een derde manuaal met acht registers toegevoegd, geplaatst als bovenwerk. Bovendien werden een paar dispositiewijzigingen aangebracht.
In de periode 1884 tot 1918 vonden herstelwerkzaamheden plaats die enkele veranderingen met zich meebrachten, waarna pas in 1953 een grote restauratie volgde. De dispositie van het orgel werd toen bijna helemaal teruggebracht naar de situatie van 1861, dus het derde manuaal van Van Dam bleef. In 1976 werd de windlade van het bovenwerk gerestaureerd, maar verder is er sinds 1953 niks aan het orgel gedaan of veranderd.
In 2002 is een begin gemaakt met een veelomvattende restauratie. De eerste twee fasen ervan worden uitgevoerd door de Nederlandse orgelmaker Verschueren. De gerenommeerde orgelmakerij met deze naam bestaat sinds 1891 en is in het Limburgse Heythuysen gevestigd. Adviseur bij de restauratie is Aart Bergwerff, organist van de Evangelisch-Lutherse Kerk in Den Haag. Het orgel was het afgelopen zomerseizoen dus niet voor orgelconcerten beschikbaar. Sinds lang werden in de zomer op dinsdagavond goedbezochte orgelconcerten in de Martinikerk van Bolsward georganiseerd. Velen zullen zich ongetwijfeld de concerten van Feike Asma herinneren. In het boek ‘Over Feike Asma gesproken . . .’ haalt de Sneker organist Dirk S. Donker herinneringen aan die periode op. Feike Asma is ook organist van de Evangelisch-Lutherse Kerk in Den Haag geweest. Alle reden dus om Aart Bergwerff een aantal vragen over de restauratie van het Bolswarder Hinszorgel te stellen.

Eerst vragen we Aart Bergwerff zich nader aan de lezer van de Friese Orgelkrant voor te stellen. Veel orgelliefhebbers uit het Noorden des lands zullen vooral Jan Jongepier en Stef Tuinstra als orgeladviseurs kennen, maar wie is Aart Bergwerff? Ik zélf ken hem als concertorganist, maar wat doet hij nog meer op orgelgebied?
“Ik ben geboren in 1960 te Pernis onder de rook van Rotterdam. In de gereformeerde kerk aldaar liggen mijn eerste muzikale voetstappen. Ik kreeg les van de plaatselijke organist, de heer A. den Arend en mocht af en toe een dienst begeleiden. Op 13-jarige leeftijd werd ik aangesteld als hulporganist van de gerefomeerde Deltakerk in Hoogvliet. In die kerk stond aanvankelijk een electro-pneumatisch Valcks & Van Kouterenorgel, dat oorspronkelijk uit ’s-Gravenzande afkomstig was. Vervolgens bouwde Louis Kramer uit Boskoop er in 1985 een nieuw orgel.
Op het Rotterdams Conservatorium heb ik mijn muziekstudie gedaan met als hoofdvakken: orgel, koordirectie en kerkmuziek. In 1986 studeerde ik af. Na mijn studie in Rotterdam kreeg ik van het toenmalige ministerie van WVC een beurs om in het buitenland verder te studeren. Ik heb deze beurs gebruikt om mij op drie plaatsen in Europa verder te verdiepen en te specialiseren in de orgelliteratuur.
In Parijs heb ik aanvankelijk bij Daniel Roth gestudeerd en later bij Marie-Claire Alain. Bij haar behaalde ik in 1990 de Prix de Virtuosité. Voorts heb ik in Duitsland bij Harald Vogel gestudeerd. Tevens heb ik me georiënteerd in Italië en daar studie gemaakt van de Italiaanse orgelcultuur.
Het was tevens de periode, waarin ik aan verschillende internationale concoursen meedeed. Ik won prijzen in Brugge (1985), Lausanne (1986) en op het Groninger Dollard Festival (de eerste prijs in 1989). Vervolgens werd ik in 1990 benoemd tot cantor-organist van de Evangelisch-Lutherse Kerk in Den Haag met het beroemde Bätzorgel uit 1762. Die benoeming kwam niet zomaar uit de lucht vallen: ik beschouw de benoeming als een uitvloeisel van mijn succesvolle deelname aan die concoursen. Overigens is de benoeming tot stand gekomen door middel van een vergelijkend examen, iets waar ik sterk aan hecht. Dat de collegae destijds met een beetje jaloezie mijn benoeming hebben geaccepteerd, is begrijpelijk, want het gaat om niet zo maar een orgel.
Na mijn benoeming in Den Haag werd ik in 1994 benoemd als hoofdvakdocent orgel aan het Rotterdams Conservatorium. Sinds 1992 ben ik ook actief als orgeladviseur, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en met de Commissie orgelzaken van de Samen-op-Weg-kerken.
In Den Haag ben ik verantwoordelijk voor de concerten in de Lutherse kerk, op het prachtige Bätzorgel. We kennen in de binnenstad een unieke samenwerking van organisaties van orgelconcerten, die alle participeren in het Haags Orgel Kontakt. Naast gezamenlijke activiteiten heeft iedere kerk zijn eigen programmering: zojuist hebben wij in de Lutherse twee succesvolle ‘historische’ concerten gehad, gewijd aan de legendarische organisten Piet van Egmond en Feike Asma.
In Friesland speelde ik de afgelopen zomers in Bolsward, Leeuwarden, Workum en Sloten. Voorts regelmatig in Leens, op een ander prachtig Hinszorgel. Als lid van het Concertgebouw Kamerorkest werk ik elk jaar mee aan Bach’s Mattheus Passion in de Oosterpoort te Groningen.”

Voor zover mij bekend is dit de eerste restauratie in Friesland waarbij u als adviseur betrokken bent. Meteen orgeladviseur worden bij de restauratie van zo’n prachtig Hinszorgel met een rijke historie is ‘niet niks’. Hoe is dat zo gekomen? Kende u het orgel al en hoe is het om als adviseur bij de restauratie van zo’n vermaard orgel betrokken te zijn?
“Het is inderdaad mijn eerste orgelrestauratie in Friesland. Mijn werkterrein ligt voornamelijk in het westen van het land, hoewel ik de laatste jaren ook in de kop van Noord-Holland, in Brabant en eveneens op de Veluwe werk. Net als orgelmakers werken adviseurs landelijk.
In Bolsward ben ik uitgenodigd om mezelf als adviseur voor te stellen, en mijn werkwijze en ideeën toe te lichten. Aangezien het met kerkvoogdij en organist direct klikte, ben ik als adviseur aangesteld.
Ik kende het orgel van de concerten, die ik vroeger bezocht, toen ik jaarlijks mijn zeilvakanties in Friesland doorbracht. In die periode heb ik het orgel door vele organisten horen bespelen.
De opdracht in Bolsward ervaar ik als een zeer eervolle taak. Het gaat hier om een historisch orgel van grote, nationale en internationale importantie. Bovendien is het een orgel met een uitstraling die weinig andere instrumenten in het land hebben: het is een orgel met charisma, en het spreekt tot de verbeelding van velen, kenners zowel als liefhebbers.”

Het orgel van Bolsward wordt in fasen gerestaureerd. Momenteel worden de eerste noodzakelijke werkzaamheden utgevoerd Om welke werkzaamheden gaat het daarbij?
Hoe laat de conditie van het orgel vóór de aanvang van de restauratie zich karakteriseren?
En: liggen de werkzaamheden op schema, zodat afronding vóór de zomer van 2003 haalbaar is en er weer concerten gegeven kunnen worden?

“De huidige restauratie omvat de fasen 1 en 2. Deze fasen betreffen uitsluitend technisch herstel van het instrument: restauratie van de windladen van hoofdwerk, rugwerk, bovenwerk en pedaal.
Voorts betreffen de werkzaamheden een deelrestauratie van de speel- en registermechanieken. Het pijpwerk zal worden schoongemaakt, waarbij kleine reparaties zullen worden uitgevoerd.
De restauratie was noodzakelijk geworden door de slechte conditie van met name de windladen van het instrument.
De werkzaamheden liggen geheel op schema: begin februari heeft Verschueren een aanvang gemaakt met de montage van de onderdelen in Bolsward. Het orgel zal voor het zomerseizoen 2003 weer bespeelbaar zijn.”

Wanneer zal worden gestart met de volgende restauratiefase? Wat zal die inhouden? Restaureren in fasen werkt meestal kostenverhogend. Wat is de achtergrond van het feit dat in Bolsward in verschillende fasen op verschillende momenten gerestaureerd wordt?
“Op dit moment is er nog geen zicht op toekenning van de subsidie voor de derde restauratiefase. Graag hadden we natuurlijk de hele restauratie ineens willen realiseren, maar alles hangt samen met budgetten die de provincie Friesland beschikbaar heeft. Vooralsnog is niet bekend, wanneer de derde fase zal beginnen.
In de derde fase zal de windvoorziening moeten worden aangepakt. En in relatie daarmee zal het pijpwerk gerestaureerd worden.
Verder zal het overgebleven deel van de speel- en registermechanieken alsmede de claviatuur worden gerestaureerd. Tenslotte komen de kas en het front aan de beurt, het zogenaamde ‘cosmetisch’ herstel.
De achtergrond van de fasering noemde ik al: deze is van budgettaire aard. De splitsing tussen de fasen 1 en 2 enerzijds, en fase 3 anderzijds werkt inderdaad kostenverhogend, omdat een aantal werkzaamheden opnieuw moeten worden uitgevoerd. De kerkvoogdij heeft geprobeerd de overheid hiervan te overtuigen, maar de provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid en beleid in het bepalen van de budgetten.”

Als voorbereiding van dit interview heb ik ‘Frieslands Orgelpracht’ (van Jan Jongepier) en de NivO-encyclopedie, deel 1769 – 1790, ter hand genomen. Ik lees daarin dat in 1953 de dispositie van het Bolswarder orgel nagenoeg teruggebracht is naar de situatie van 1861.
Blijft de dispositie bij de huidige restauratie onveranderd? En wat zijn de plannen ten aanzien van zaken als klankgeving, toonhoogte, winddruk? Wat is bij dit alles de achterliggende ‘filosofie’ van de restauratie?

“De dispositie van het orgel werd in 1953 niet geheel teruggebracht tot die van 1861. Op het hoofdwerk werd de Fagot 8vt (Freytag, 1805) vervangen door een Vox Humana 8vt, met behoud van oorspronkelijke stevels, koppen en kelen van Hinsz. Op het rugwerk werd een nieuwe Sexquialter II-III st.(met gebruikmaking oude Hinszpijpen), en een nieuwe Scherp III-IV sterk aangebracht, die niet gedisponeerd waren in 1861. De situatie na restauratie door Flentrop kunnen we het beste kenmerken als 1781/1861/1954. De huidige dispositie zal bij de totale restauratie van nu niet gewijzigd worden.
Ook de klankgeving zal niet worden gewijzigd. Natuurlijk zal het pijpwerk na restauratie van de windladen anders reageren op de windvoering. Kleine correcties zullen dan ook noodzakelijk zijn om de pijpen technisch goed te kunnen laten spreken, maar verder vinden er geen veranderingen aan de klankgeving plaats. De intonatie op zich zal evenmin worden gewijzigd.
De toonhoogte bedraagt thans a’ = 442,3 Hertz bij 18,5° Celsius. Deze zal niet worden gewijzigd.
De winddruk zal na de huidige restauratie opnieuw worden vastgesteld, na het nemen van klankproeven. Aangezien de windladen nu zijn gerestaureerd, zal het pijpwerk anders reageren, en is het niet onmogelijk dat de winddruk enigszins wordt aangepast aan de nieuwe situatie.
Centrale idee bij deze restauratie is dat het orgel in de eerste plaats weer technisch in orde gebracht zou worden. Voor het functioneren in alle omstandigheden en bij elk denkbaar gebruik van het instrument is dit voorwaarde nummer één. Een orgel is in principe technisch in orde of niet, het maakt daarbij niet uit of het in de liturgie wordt bespeeld of in concerten.”

De restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd door orgelmakerij Verschueren uit Heythuysen (Limburg). Friese orgelliefhebbers herinneren zich deze orgelmakerij van haar werkzaamheden aan het grote dorpsorgel in de hervormde kerk van Ferwert. Maar zo heel vaak is deze orgelmaker niet bij orgelrestauraties in Friesland betrokken. Hoe is in Bolsward de keus voor Verschueren tot stand gekomen? Heeft u al eerder met Verschueren samengewerkt?
“De opdracht tot restauratie is verleend aan Verschueren na weloverwogen selectie. Voor de opdracht in Bolsward waren een aantal orgelmakers uitgenodigd, die ieder op zich de kwaliteiten hadden om een instrument met een dergelijke omvang en importantie te kunnen restaureren. Na rijp beraad is de keuze uiteindelijk op Verschueren gevallen, die met recente restauraties van onder meer Leiden (Pieterskerk) zijn sporen als restaurateur heeft verdiend!
De firma Verschueren ken ik al van andere orgelprojecten waar deze betrokken was bij inschrijvingen. Voorts ken ik natuurlijk de resultaten van andere restauraties en nieuwbouw door Verschueren. Bolsward is de wel eerste restauratie die ‘we samen doen’.”

Wat zou u tot slot van dit interview nog tot de Friese orgelliefhebber over het orgel in Bolsward willen zeggen?
“Ik ben me zeer wel bewust van het unieke karakter van het orgel in Bolsward: het instrument behoort met een klein aantal andere instrumenten tot de orgels, die een zeer emotionele klank en uitstraling hebben; naast Bolsward denk ik ook aan het orgel in de Oude Kerk te Amsterdam, en aan “mijn” orgel in de Evangelisch Lutherse Kerk te Den Haag. Deze instrumenten spreken nog altijd tot de verbeelding van velen, ongeacht smaak of stijl. Met de restauratie van Bolsward zullen we dan ook gezamenlijk, orgelmaker en adviseur, zorg dragen voor het erfgoed en dit zo goed mogelijk bewaren voor het nageslacht.”

Jan Jongepier


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard