ok2001menu


  Negentigjarige kerkmusicus Jan Blanksma sr. Friese Orgelkrant 2001

'Muziek zit in je'

28 oktober 2000 was het negentig jaar geleden dat Jan Rinse Blanksma werd geboren in Witmarsum. De redactie van de Friese Orgelkrant wilde de negentigste verjaardag van deze musicus 'in ruste' niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Vorig jaar werd in de Friese pers al aandacht geschonken aan wat hij verrichtte op het gebied van de koormuziek: het tot bloei brengen van het koor Scheppingsgave, zijn belangrijke rol in het stimuleren van het Friese koorleven samen met Bindert Posthuma sr en Arnold Feddema en de uitgave van een langspeelplaat met liederen van Gysbert Japicx: 'Wolkom freugde fan'e wrald' in 1978 in samenwerking met ds. Bernard Smilde. Hij won diverse malen met zijn koren de gouden 'Noardske Balke', de wisselprijs van de Bond van Christelijke Zangverenigingen in Friesland. Blanksma is een boeiend verteller, die met de nodige humor menige anekdote uit zijn lange leven weet op te halen.

Wanneer bent u met de muziek begonnen?

Dat vragen de mensen altijd: wanneer bent u met de muziek begonnen? En dan is mijn antwoord: 'Ik ben niet met de muziek begonnen, de muziek is met mij begonnen; muziek zit in je'.
Ik ben in een muzikale familie opgegroeid. Mijn vader was een rasmuzikant. Hij speelde onder andere trompet bij het 'neutrale' muziekkorps van Witmarsum. Toen hij eens op bezoek ging bij zijn familie in Amerika, nam hij zelfs zijn trompet mee. De familie van mijn moederskant was een echte zangersfamilie. Ik herinner mij nog, dat ik als vierjarig jongetje mijn ooms hoorde zingen. Ze oefenden zangstukken voor het koor waarvan ze lid waren: klassieke muziek, o.a. van Schütz. Dat boeide mij zo, dat ik me die stukken na 85 jaar nog herinner. Ook de liederen die ik op de bewaarschool, zondagsschool en lagere school leerde, staan in mijn geheugen gegrift. Ik had vier goed zingende zusters - niet kunnen zingen bestond bij ons thuis niet - en als jochie van een jaar of zes improviseerde ik, natuurlijk nog niet volgens de regels, al een tweede stern bij de liederen die mijn zusters zongen. Als negenjarige werd ik door een tante meegenomen naar een zanguitvoering. Dat maakte een diepe indruk op mij. Het was een belevenis. Je moet niet vergeten, radio en televisie kenden we toen natuurlijk nog niet.

De basis van uw muzikale ontwikkeling ligt dus bij de zang.

Dat klopt. Met de instrumentale muziek ben ik te laat begonnen. Er was geen geld om een instrument te kopen. Ik ben begonnen bij het korps. Het 'neutrale' korps wilde liever niet op koninginnedag spelen. Daarom werd het muziekkorps 'Oranje' opgericht. Ik mocht daarbij op de kleine trom spelen. Ik vond het prachtig. Pas toen ik zestien werd, kreeg ik van een oom een oud Frans harmonium. Ik leerde mijzelf de liederen van Johannes de Heer aan, die ik mijn tante hoorde spelen.
Toen ik een jaar of zestien was, werd ik lid van het pas opgerichte koor 'Scheppingsgave' in Witmarsum, dat nu nog steeds bestaat. Na enkele jaren werd Yme Visser gevraagd als 'directeur', zo noemden ze toen de dirigent. Deze kwam iedere week met de tram uit Franeker. 's Middags dirigeerde hij het kinderkoor, at daarna bij ons thuis en gaf mij orgelles. Daarna dirigeerde hij 's avonds nog 'Scheppingsgave'. Na verloop van tijd vroeg Yme Visser of dirigeren niet iets voor mij was. Hij bereidde mij voor op het Bondsexamen in Den Haag (vergelijkbaar met het huidige Staatsexamen), waar ik in 1936 voor slaagde. Een jaar tevoren, in 1935, was ik al begonnen als dirigent van het muziekkorps 'Oranje'.
In die crisisjaren vlak voor de oorlog kwam 'Scheppingsgave' in de rode cijfers. Door de inflatie moest het salaris van Yme Visser omhoog van f 3,50 naar ongeveer f 4,50. Dat konden de koorleden niet ophoesten. Voor veel koorleden was het in die tijd te veel gevraagd om·niet / 0,15 maar f 0,20 te betalen voor een repetitieavond! Noodgedwongen moest Yme Visser dus stoppen en hij vroeg mij of ik het over wilde nemen. Zo gebeurde het, dat ik bijna een jaar lang zonder salaris dirigeerde om het koor in de gelegenheid te stellen de opgebouwde schuld aan Yme Visser af te kunnen betalen.

Het voldeed waarschijnlijk goed, want u bent dirigent van wel zeven koren geweest.

Al gauw werd ik door andere koren in de omgeving gevraagd om te dirigeren: o.a. in Arum, Makkum en iets verder weg, het mannenkoor in Heeg. Later kwamen daar nog koren in Harlingen en Sneek plus het kinderkoor van Witmarsum bij. Bijzondere vermelding verdient nog het koor van Wons. Bij de oprichting werd ik als dirigent gevraagd. Op de eerste repetitieavond meldden zich ongeveer vijftig jonge mensen aan, die geen enkele scholing op koorgebied hadden gehad. Tijdens die eerste repetitieavond vertelde ik hun, dat er tijdens repetities niet gepraat mocht worden. Omdat ze geen enkele koorervaring hadden, hielden ze zich strikt aan die regel. Ik heb nog nooit zo'n rustig koor gehad! Het koor van Wons heb ik wat zangtechniek en repertoire betreft van de grond af aan zelf kunnen opbouwen. Dat wierp z'n vruchten af, want ik heb met het koor van Wons vijf keer de 'Noardse Balke' gewonnen, waarvan drie op rij.
Voor de meeste koren betekende mijn aanstelling als dirigent een metamorfose van de jaarlijkse uitvoering. Voordat ik in Arum dirigeerde, bestond het jaaroptreden naast zang ook uit een 'tableau vivant', waarbij een aantal mensen verkleed in een bepaalde opstelling op een toneel iets uitbeeldden, een voordracht of samenspraak hielden. Die samenspraken waren eigenlijk toneelstukjes, maar mochten niet zo worden genoemd, omdat toneel in die tijd niet christelijk was. Halverwege het optreden was er een pauze en dat leverde met elkaar een avondvullend programma op. Mijn eerste optreden met het koor duurde maar een uur en moet voor een aantal bezoekers dan ook een flinke tegenvaller zijn geweest. Ook de overgang van het romantische naar een meer klassiek repertoire was niet altijd even gemakkelijk voor de koorleden. Ik heb mijn hele leven een grote voorliefde gehad voor muziek uit de Renaissance en de Barok. Met name muziek van Sweelinck, Palestrina en Bach heb ik veel laten zingen door mijn koren. Die verandering van repertoire werd sterk gestimuleerd door de Christelijke Bond van Zangkoren met medewerkers en adviseurs als Rients Beintema, Kor Ket, Yme Visser en Bernard Smilde.
De repetities van het mannenkoor in Heeg waren in die tijd een hele onderneming. Ik moest bijna dertig kilometer fietsen van Witmarsum naar Heeg en 's avonds na de repetitie fietste ik weer terug. Toen mij dat te veel werd, bleef ik 's nachts bij een van de koorleden slapen en kwam ik de volgende ochtend om elf uur weer terug in Witmarsum. Toen ik in Heeg begon, vroeg ik of er ook een instrument was om de partijen op voor te spelen. Er bleek geen instrument te zijn. Dat hoefde volgens de koorleden ook niet, want: "Wij zingen op noten". Dat leek een meevaller te zijn, koorleden die van blad konden zingen. Maar dat bleek bij de eerste repetitie een misvatting. Met het op noten zingen werd bedoeld dat de dirigent alle partijen moest voorzingen. Alles moest op het gehoor ingestudeerd worden. Een fikse tegenvaller. Ik heb daar overigens veel van geleerd, want ik moest alle partijen, ook de hoge tenorpartijen, zelf goed instuderen. Later heb ik daar veel profijt van gehad.

De orgellessen van Yme Visser, wierpen die ook hun vruchten af?

Al gauw werd ik gevraagd om in het Hervormde evangelisatielokaal van Witmarsum op het pneumatische orgel te spelen. Destijds kerkten de vrijzinnigen in de Koepelkerk en de orthodoxen in een apart gebouw, het evangelisatielokaal 'Heechhout'.
In 1937 werd er een organist in Tjerkwerd gevraagd. Ik solliciteerde, werd benoemd en heb daar ongeveer vijf jaar met veel plezier twee keer per zondag gespeeld. Zondagmorgen ging ik op de fiets naar Tjerkwerd. Na de dienst fietste ik weer naar Witmarsum voor het warme middagmaal en daarna direct weer naar de kerk in Tjerkwerd waar om twee uur de middagdienst begon. Daar lag dan een briefje klaar met daarop de liederen, die ik voor de dienst nog op de psalmborden moest schrijven.

U kon de liederen dus thuis niet voorbereiden.

Nee, maar het programma was in die tijd ook niet erg uitgebreid. Ik had toen de voorspelenbundel van Worp gekocht daar speelde ik dan de voorspelen en zettingen uit.
Later is het Van Damorgel (1851) gerestaureerd. Oorspronkelijk leek het qua klank sprekend op het Van Damorgel in Witmarsum (1855). Toen ik het orgel een aantal jaren na de restauratie weer hoorde, her kende ik de klank niet meer terug. Vooral de hoge en luide mixtuur paste helemaal niet bij de rest van het orgel.
Wat dat betreft, is het orgel van Witmarsum het heel wat beter vergaan. Het werd vorig jaar in een artikel in 'Het Orgel' zelfs als voorbeeld aangehaald van romantische orgels die in de jaren zestig zeer piëteitvol zijn gerestaureerd.

Die restauratie vond plaats toen u daar organist was?

Ja, want in ben maar vijf jaar organist Tjerkwerd geweest. In 1942 kon de organist van de Koepelkerk in Witmarsum vanwege de oorlogsomstandigheden op zondagochtend niet meer met de tram uit Bolsward komen. Het lag toen voor de hand dat ik in Witmarsum organist werd. In de vijftiger jaren was een restauratie van het orgel noodzakelijk. De destijds bekende orgelbouwdeskundige Oosterhof adviseerde om een vrij pedaal bij te bouwen. De kerkvoogdij vond dat echter te duur. Een tijdje later kwam de president-kerkvoogd, de directeur van de boterfabriek, bij mij met de mededeling dat hij een erg aardige man in de trein getroffen had. Dat bleek orgelbouwer Spanjaard uit Amsterdam te zijn geweest. Die moest het orgel maar restaureren. Ik kon wel adviseur zijn. Dat laatste vond ik zelf onzin: ik had daar immers geen verstand van. De restauratie ging daarmee aan de neus van Van den Bliek, die het orgel in onderhoud had, voorbij. De pijpen werden in kisten ingepakt en naar Amsterdam getransporteerd en zijn daar ongeveer een jaar geweest. In dat jaar overleed Spanjaard. Toen de pijpen terugkwamen, constateerde ik dat er hoogstwaarschijnlijk niets aan gebeurd was.
Omdat er toetsen bleven hangen en er bijspraak was, is het orgel na de kerkrestauratie in 1964 opnieuw gerestaureerd. De nieuwe restaurateur, de firma Bakker & Timmenga uit Leeuwarden, en adviseur Edskes gingen daarbij zeer zorgvuldig werk. Het was een lust om te zien hoe te vakkundig ze met het orgel omgingen. Eén van de werknemers deed het houtwerk, prachtig hoe hij dat deed, zeer vakkundig. Helaas is hij later verongelukt bij de restauratie van het orgel in de Grote Kerk in Leeuwarden.

U heeft de invoering van het liedboek voor de kerken ook meegemaakt.

Dankzij de toenmalige predikant, ds. Bert Bomer, hebben we een heel repertoire opgebouwd via het 'Lied van de week'. Bomer kon dat heel goed brengen. Als kerkleden opmerkten dat er zoveel onbekende liederen in het nieuwe liedboek stonden, wees hij hun erop hoeveel bekende liederen uit de Bundel 1938 er nog in stonden. Door een aangeleerd gezang regelmatig te laten zingen raakte de gemeente langzaam maar zeker vertrouwd met het nieuwe liedboek. Ik lette er bovendien op dat we niet meer dan één nieuw gezang per dienst zongen. Als dirigent leerde ik de nieuwe gezangen ook aan het koor. De koorleden die zondags in de kerk zaten, kenden het nieuwe lied dan al en trokken de rest mee.

U was ook medeoprichter van de Stichting Koepelconcerten.

In 1973 hebben ds. Bert Bomer en ik de Stichting Koepelconcerten opgericht om in de gemeente Wûnseradiel muziek te kunnen laten horen die uitstak boven het niveau van het doorsnee dorpskoor. De samenwerking met Jan Veninga uit Leeuwarden leverde toen een aantal aantrekkelijke concerten op door het Nederlands Kamerkoor met Bernard Winsemius als organist, door Capella Amsterdam en door het Zaans Cantatekoor. Deze koren gaven zondagmiddag een concert in de Opstandingskerk te Leeuwarden en daarna 's avonds in Witmarsum. Op die manier was het financieel haalbaar om deze bekende koren in Witmarsum te laten zingen. Daarnaast heeft een aantal bekende organisten op het orgel van de Koepelkerk in Witmarsum een concert gegeven: bijvoorbeeld Jan Jongepier, Theo Jellema en Bert Matter.

In 1990 bent u gestopt als organist?

In 1980 was ik al als koordirigent gestopt. Omdat mijn gehoor slechter werd, ben ik in 1990, toen ik een opvolger kon krijgen, tevens opgehouden met het begeleiden van kerkdiensten. De kerkvoogden wilden graag dat ik de vijftig jaar als organist van Koepelkerk zou volmaken, maar het de leek mij beter om te stoppen voordat de kerkgangers zouden zeggen: "Het wordt tijd dat Blanksma ermee stopt".
Ik heb er wel eens moeite mee dat ik veel muziek niet meer kan volgen door mijn gehoorprobleem. Desondanks kan ik wel zeggen, dat ik een fantastische tijd als dirigent en organist heb meegemaakt. Via de koren en als orgel- en pianoleraar heb ik altijd met jonge mensen kunnen werken. Als je trouwde ging je van het koor, waardoor een koor vroeger altijd jong bleef. Helaas hebben de jongeren nu niet veel belangstelling meer voor koren. Daarnaast heb ik als organist het voorrecht gehad met predikanten te mogen samenwerken, die muzikaal waren, zelf zongen of een instrument bespeelden.

Nu Blanksma de muziek niet meer actief beoefent, heeft hij zijn belangstelling ervoor nog niet verloren. Met grote interesse volgen zijn vrouw en hij de muzikale verrichtingen van hun zoon Jan als koordirigent en van dochter Gerdien als pianodocente en lid van het Oude Muziekkoor Arnhem. Hoewel ze niet meer tot de jongsten behoren en het lichamelijk allemaal wat moeizamer gaat, zijn de Blanksma's ook nog steeds zeer geïnteresseerd in de ontwikkelingen op kerkelijk en maatschappelijk gebied. Of zoals Jan Blanksma sr het zelf formuleert: 'Dat we sinds een halfjaar in een aanleunwoning wonen, wil nog niet zeggen dat we nu ook bejaard zijn!'

JR


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard