ok1998menu


  Het Maarschalkerweerdorgel van Sneek Friese Orgelkrant 1998

De meesten die erop gaan spelen, zetten de motor aan. Maar er zijn 'authentiekelingen' die twee assistenten meenemen om, ter weerszijden van de orgelkas, op de pedalen te treden, die de twee knapen van magazijnbalgen met wind vullen. Rustig aan, heren (of dames), want de orgelmaker was werktuigbouwkundige en heeft de windvoorziening zó berekend, dat je je niet uit de naad hoeft te trappen.

Organon is een woord uit het Grieks en betekent: Levend Lichaam. Dat is het Sneker Maarschalkerweerdorgel ook echt. Het zuchten van de balgen en het tikken van de talloze overbrengingen tussen de toetsen en 1614 pijpen maken van het instrument een reusachtig levend lijf. Meer dan dat: het is een eigen persoon met een heel eigen stijl en 'sound', en ook met een eigen willetje.
De grand dame is een vreemdelinge in ons orgellandschap. De vaderlandse orgels (en hun organisten) ruiken allemaal naar lutherse koralen. Prachtige muziek die vraagt om een helder, zilveren en tinkelend geluid.
Maarschalkerweerds orgel ruikt naar Parijs en het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. Die vragen om een donker, zinderend, violig en breed geluid. Dat levert dit instrument dan ook overvloedig in een kerk met een ambiance, die daar ook wel wat van lust. Sommige organisten hebben wat met onze grande dame. Je hoort ze elkaar belonen. Heel soms lukt het niet en voel je vechten met elkaar. Eén keertje heeft ze een speler, die haar niet zinde, te pakken genomen. Nog wel tijdens een concert! Hij begon te spelen, maar het duurde niet lang, of hij speelde met hem en in een donkere draaikolk van niet meer te beheersen klanken ging er iemand af……
Maar wie haar tegemoet treedt met esprit en savoir vivre, gaat verwarmd, gesticht en geïmponeerd heen. En komt nog graag eens terug. Tot wederzijds genoegen.

Pastoor L van Ulden, O.F.M. (Sneek)


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard